App Nederland Historische mannen en vrouwen

+

Executie van de Freule van Dorth in Winterswijk op 22 november 1799.

Ets: Reinier Vinkeles. Bron: Het Gelders Archief

Freule van Dorth  

Info Contact Home

Freule van Dorth, (voluit Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot Holthuyzen) werd geboren in Warnsveld op 7 mei 1747 en overleed (door executie wegens “hoogverraad”) in Winterswijk op 22 november 1799. Haar vader was Jan Adolph Hendrik Sigmund van Dorth, heer van ’t Velde en Holthuizen en haar moeder was Jacoba Schimmelpenninck van der Oije. De freule ofwel Judith was orangiste ofwel een prinsgezinde welke in deze periode tegenover de staatsgezinden stonden.

De freule van Dorth verwierf bekendheid door haar executie (het vuurpeloton na veroordeling door een militaire rechtbank) na gebeurtenissen die vanaf 14 september 1799 plaatsvonden toen de Bataafse Republiek de staat van beleg uitriep in het graafschap van het Zutphense stadje Bredevoort en omgeving. Men zond 200 soldaten van de nationale garde en 100 Franse soldaten naar de heerlijkheid Bredevoort om de vesting Bredevoort te versterken nadat de oranjegezinde August Robert van Heeckeren van Suideras een inval vanuit Pruisen ondernam om een oranjerevolutie uit te lokken ten gunste van de in Engeland verblijvende erfprins van Oranje-Nassau, Willem V.

Wat voorafging.

Na een verboden liefde in 1766 met de advocaat en huisvriend Engelbert Crookceus en een daaraan gekoppeld huisarrest dat Judith werd opgelegd, besloot de freule van huis weg te lopen. Haar ouders ontdekten echter haar plannen en kregen op 16 september 1767 toestemming van de magistraat van Zutphen om haar op te sluiten in het particuliere vrouwenverbeterhuis (vrouwengevangenis) Duynkerken in Delft. Daarnaast werd zij onterfd wegens haar "verkwistende en reprochabele (verwerpelijke) levenswijze". Het is niet bekend hoelang zij opgesloten zat; wel dook zij omstreeks 1776 weer op in Huis 't Velde (haar moeder was toen al gestorven).

In 1788 ontving Judith samen met haar 8 jaar jongere broer Gerrit een erfenis van een tante, beleend met de heerlijkheid Holthuysen. Zij werden daardoor toegelaten tot de Ridderschap van Zutphen. In 1791 kochten zij het kasteel van Harreveld bij Lichtenvoorde en gingen daar wonen. In de omgeving waren zij echter niet geliefd. Er was zelfs sprake van, dat er een vloek lag op het kasteel van Harreveld. Haar vader, een landedelman van de oude stempel, zou zich vermaakt hebben met het schieten vanuit het kasteel op passanten.

Ook over gedrag en levenswijze van broer en zus gingen de wildste geruchten rond.

In september 1799 ondernam de oranjegezinde August Robert van Heeckeren van Suideras vanuit Pruisen een inval in de Achterhoek om daar tegelijk met de Brits-Russische invallen in Noord- Holland een oranjerevolutie voor de in Engeland verblijvende erfprins Willem V van Oranje-Nassau uit te lokken. Hij riep daartoe ook de inwoners van Bredevoort op, maar de enige verzetsdaden waren het hijsen van de Oranjevlag in de kerktoren en het omhakken van de vrijheidsboom die deed herinneren aan de Franse Revolutie. Het Frans-Bataafse gezag was de situatie snel meester en voor stad en ambt Bredevoort werd de staat van beleg uitgeroepen die duurde tot het einde van 1799. De inval kostte uiteindelijk aan één persoon het leven; Judith van Dorth tot Holthuyzen, die al te openlijk met Oranje sympathiseerde. Judith was met haar koets door Lichtenvoorde en Groenlo gereden om sympathisanten voor Oranje te vinden en in Lichtenvoorde riep iemand van de patriotten tegen haar: “De moord op Reesink kan doen zien wat men van de oranjepartij te verwachten heeft”, waarop Judith antwoordde: Dat was geen moord! De oproerige patriot heeft zijn verdiende straf ontvangen. Zijn opstand tegen de prins was hoogverraad!

Er werd een onderzoek ingesteld naar het gebeurde. Op 18 september werd Judith gearresteerd op verdenking van "oproerstokerij" en betrokkenheid bij de moord op Reesink. Ze werd opgesloten in het tuchthuis te Arnhem. Haar berechting werd opgedragen aan een militair tribunaal dat op 5 oktober in Winterswijk werd gehouden. Het tribunaal bestond uit vijf officieren en onderofficieren van de nationale garde, van wie er één uit de streek afkomstig was. Deze lekenrechters werden bijgestaan door de drost van Bredevoort, de herbergier Willem Passchen, en door de advocaat Bom uit Lichtenvoorde, de enige jurist in deze groep, die als openbaar aanklager optrad. Over de kwaliteiten en de motieven van de rechters is veel te doen geweest.  

De freule Van Dorth werd beschuldigd van verraad aan het vaderland. Door Cornelis van der Aa wordt uit de tenlastelegging geciteerd:

 Dat zij op Donderdag den 5 September l.l. des morgens al zeer vroeg van den Toren op den Huize Harreveld, een Oranjevlag heeft doen uitsteken en waaijen, [...] Dat dien zelfden dag van daar te rug, te Lichtenvoorde gekomen, en aan haar Gedetineerde is verhaald, dat eenen Fredericus Reesink dood gebleven was, zij Gedetineerde daarop gezegd heeft: "o! dat is 'er nog maar een capot, daar moeten 'er meer aan, het was maar een Patriot!" [...] Vervolgens een Burger, die "Vivat de Republiek" riep, gedreigd: met te zeggen: "Wagt manneke wij zullen U wel krijgen", [...]

De rechtbank veroordeelde haar "om anderen ten Exempel, met de Kogel gestraft te worden dat 'er de dood naa volgt".

Op 22 november, de dag van de executie, werd zij op een kar geplaatst en naar de Joodse begraafplaats van Winterswijk gebracht, waar al een kuil in de aarde was gegraven en een doodkist in gereedheid stond. Hiernaast (rechts) de gebeurtenis zoals beschreven door Van der Aa, en door Reinier Vinkeles in de gravure hiernaast (links) treffend weergegeven:   “Nu gingen de geweeren los: de Doorschotene hier en daar gekwetst, doch geene der capitaale Levensdeelen getroffen zijnde, stroomde het bloed wel uit de veele toegebragte wonden, maar levend bleef zij, en worstelde dus in het zand liggende, met de angsten en smerten des doods. Fluks liepen eenigen toe: beurden de Zieltogende op, en wierpen haar in de doodkist, zekerlijk vermoedende dat zij reeds dood was. Dan, dit bleek wel draa geheel andere te zijn: daar zij dus gekwetst en doorboord, de ééne hand nog naar den Hemel uitstrekte, even als beklaagde zij zich bij de Godheid, over de mishandeling haar aangedaan, en smeekende om een spoedig uiteinde!”

Een soldaat schoot bij wijze van genadeschot nog eens in de kist, en volgens de overlevering vloog daarbij de zijden japon van de freule in brand. Soldaten zouden het vuur in de lijkkist geblust hebben door water te halen in hun steken die ze als emmers gebruikten. Johanna Magdalena Catharina Judith van Dorth tot Holthuyzen werd ter plaatse begraven. Later is ze in de Hervormde kerk van Lichtenvoorde bijgezet. Zeven uur voor haar dood schreef ze een brief aan haar goede vriend, burgemeester Christiaan Casper Stumph van Aalten:

Mijn waarde vriend, ik bedank u zeer voor alle Vriendelijkheid aan mijn bewezen in dit leven. Ik schrijf deeze om 4 uren, dus 7 uren voordat mij het leven H.M.-T door een kogel zal benomen worden. De reijs van naar Groenlo etc. is de oorzaak van mijn Dood. Ik vind in dezelfde een verzoend God, troost mijn Ongelukkige Broeder, die mij tot in den dood benauwd. Weest zo goed en zegt een Eeuwig Vaarwel aan alle mijn bekenden, J.M.C.J. van Dorth.

Van Dorth is de naam van een oud adellijk geslacht.

De oudst bekende voorouder van de familie Van Dorth is ridder Eleger van Heeckeren, die 1312 schout van Salland was. Hij bezat het goed Dorth bij Bathmen waaraan zijn nazaten hun naam ontlenen. Het schild van het familiewapen is identiek aan dat van het geslacht Van Voorst, dat net zoals de graven Van Rechteren in mannelijke lijn afstamt van de middeleeuwse familie Van Heeckeren. Een samenhang met de eerder vermelde geslachten kon echter tot dusver niet bewezen worden.

In de 17de eeuw kreeg een tak van de familie het Huis Medler in Vorden in handen. Door huwelijk kwam het goed in een andere tak van de familie Van Dorth terecht. Van deze tak stamt de huidige familie Van Dorth tot Medler af, die tot de Nederlandse adel behoort en de titel baron voert.

Het familiewapen kwam eveneens terug in het wapen van de gemeente Bathmen.


                                  

Graaf van Egmont en de graaf van Horne

TOP

Afbeelding boven: Uitreiken van de orde van het Gulden Vlies. Rechtsonder diverse wapens van aangesloten geslachten; Van Laer, Van der Schuren, Van Keppel, Schimmelpenninck, Van Heeckeren, Rouwenoort, Van der Capellen, Van Lintelo, Van Nagell, Ripperda.

Door de erfenis (samen met haar broer) van haar tante (moeders zuster) Schimmelpenninck werden de freule en haar broer toegelaten tot de Ridderschap van Zutphen.

Gelderse adel, deel van Allegorische en historiserende voorstelling van de deugden van de Gelderse adel.

Kunstenaar: Bernard Barkhuis - 1710 - In het Gelders Archief

Willem V, Erfstadhouder der Verenigde Nederlanden.

Schilder: Johann Georg Ziesenis d.J. Bron: Oranje Nassau Museum, Delft.

Familiewapen van Dorth.

Bron: Wapenregister van de Nederlandse adel Hoge Raad van Adel 1814 - 2014 Auteur: Coen O.A. Schimmelpenninck van der Oije, Egbert Wolleswinkel, Jos van den Borne, Conrad Gietman Uitgave: WBooks, 2014, SVG = Own work by Arch.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.