App Nederland Historische mannen en vrouwen

Jacoba van Beieren  

Info Contact Home

Jacoba van Beieren werd in 1401 geboren en op 16 juli van dat jaar gedoopt in Le Quesnoy in Henegouwen. Zij was gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen tussen 1417 en 1433. Ze overleed reeds op 35-jarige leeftijd op 9 oktober 1436 in slot Teylingen.

Jacoba volgde haar vader, graaf Willem VI, op zestienjarige leeftijd op, maar haar oom, de Luikse bisschop Jan VI van Beieren (Jan zonder Genade), had ook zijn oog laten vallen op de erfenis van graaf Willem VI. Hij werd hierin gesteund door de Duitse keizer Sigismund, die verdere invloed van de Bourgondische hertogen in zijn gebieden wilde voorkomen. Jacoba, gesteund door haar moeder Margaretha van Bourgondië zocht haar steun bij Jan zonder Vrees, (hertog van Bourgondië en broer van Margaretha). De strijd tussen Jacoba en bisschop Jan betekende tevens een oplaaiing van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Onder Jacoba's leiding behielden de edellieden die onder Willem VI gediend hadden hun positie, zij behoorden tot het Hoekse kamp. Daarentegen werd Jan VI van Beieren door de Kabeljauwse edelen gesteund.

Om haar machtspositie te versterken trouwde Jacoba in 1418 met haar neef in de vierde graad Jan IV van Brabant. Ze kreeg hiervoor toestemming van paus Martinus V. Jan VI van Beieren en zijn partijgenoten protesteerden tegen dit huwelijk. Onder druk van keizer Sigismund werd de pauselijke toestemming later ingetrokken. Omdat hij zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen, verpandde Jan van Brabant het grondgebied van Jacoba voor 12 jaar aan haar vijand Jan van Beieren. Jacoba liet hierop het huwelijk ongeldig verklaren en vertrok naar Engeland, waar zij in 1422 in het huwelijk trad met Humphrey van Gloucester.

Samen met Humphrey ging zij in 1424 terug naar Holland om de strijd op te nemen tegen haar ex-echtgenoot Jan van Brabant, die gesteund werd door Filips de Goede, hertog van Bourgondië. In 1425 keerde Humphrey echter terug naar Engeland, omdat zijn politieke positie daar in gevaar was gekomen. Jacoba bleef achter in Henegouwen, waar zij zich onder politieke en militaire druk later over moest geven aan Filips van Bourgondië en in Gent gevangen werd gezet.

Toen haar oom Jan van Beieren in januari 1425 overleed, kwamen de gebieden die hij eerder verpand had gekregen weer bij Jan van Brabant terecht. Dit betekende feitelijk dat deze gebieden onder het gezag van Filips de Goede, hertog van Bourgondië, kwamen te staan, aangezien Jan van Brabant hem als ruwaard aanstelde. De Hoeken verzetten zich hiertegen en besloten Jacoba van Beieren te bevrijden.

De edellieden Spiering en Aalburg van het Schuttersgilde St. Joris van Heusden (opgericht in 1356) slaagden erin Jacoba van Beieren te ontmoeten en met haar werd een ontsnappingsplan gemaakt. Jacoba zei niet gestoord te willen worden, omdat ze een bad ging nemen, waarna zij en haar kamenier mannenkleren aantrokken en zo vermomd het kasteel uitliepen waar ze gevangen zaten. Buiten wachtten Spiering en Aalburg met paarden en het viertal wist te ontkomen via Breda en Woudrichem naar Vianen. Hier ontdeed ze zich van haar vermomming en reisde vervolgens verder naar Schoonhoven waar de Hoeken kort daarvoor de macht hadden gegrepen.

Jacoba van Beieren nam samen met de Hoeken de strijd tegen Filips de Goede weer op in de driehoek Gouda - Oudewater - Schoonhoven. Jacoba wist mede met hulp van Floris van Kijfhoek in september 1425, Schoonhoven te veroveren op de bezetters onder Albrecht Beiling. Ze zou daarna de stad incognito in mannengewaad bezocht hebben.

Ze nam haar intrek in het kasteel van Gouda, waarvandaan ze haar strijd ondernam tegen de Kabeljauwen in Holland. Ze won een kleine slag bij de Gouwsesluis in 1425. Herhaaldelijk vroeg zij om hulp van haar echtgenoot Humphrey van Gloucester, die nog steeds in Engeland verbleef. Het leidde nog tot de slag bij Brouwershaven, maar de weinige hulp die hij kon bieden was niet genoeg. Na de tegenslag bij Brouwershaven profiteerde Jacoba van de opstand die in Kennermerland was ontstaan. Daar bezetten ontevreden boeren Haarlem. Ze toog er met haar leger naartoe om de opstandige boeren te helpen met het beleg op de stad Haarlem. Ze brak het beleg echter halverwege op, omdat een ontzettingsleger onderweg was naar Haarlem. Dit leger passeerde echter eerst Gouwsluis, waar een tweede slag plaatsvond.

Jacoba steunde de Kennemerse opstandelingen nog minimaal een half jaar daarna, maar met de Slag bij Hoorn werd deze opstand gebroken. Twee jaar later, in 1428, moest ze vrede sluiten. In dit vredesverdrag (de Zoen van Delft) werd bepaald dat Filips erfgenaam van Jacoba van Beieren zou worden en dat zij niet in het huwelijk mocht treden zonder zijn toestemming. Jacoba bleef in naam nog gravin van Holland, maar moest feitelijk vrijwel alle macht afstaan. Haar huwelijk met Humphrey van Gloucester werd in 1428 door de paus onwettig verklaard, omdat zij volgens de kerk al getrouwd was met Jan van Brabant toen zij met Humphrey in het huwelijk trad. Jan van Brabant stierf echter een jaar eerder, waarmee Jacoba dus weer een ongehuwde vrouw was.

Met Pasen in 1433 deed Jacoba volledig afstand van haar titel als gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Filips de Goede had haar politiek machteloos gemaakt door haar vertrouwelingen bij haar weg te spelen en hun loyaliteit te kopen. Daarnaast was haar financiële positie ernstig verslechterd. Hierdoor kon zij niet anders dan de landen overdragen aan Filips en kwamen Holland, Zeeland en Henegouwen in handen van de hertogen van Bourgondië. Jacoba kreeg verschillende gebieden en steden, met name in Zeeland, om in haar onderhoud te voorzien. De voornaamsten hieruit waren de heerlijkheid Voorne, Tholen en Goes met Zuid-Beveland. Na de overdracht van haar landen verbleef ze op de landen die haar waren toebedeeld.


 In het voorjaar van 1434 trad ze in het huwelijk met Frank van Borssele. Dit huwelijk was economisch voor beide partijen gunstig, al was voor Jacoba ook liefde in het spel. Lang heeft ook dit huwelijk niet geduurd. In 1436 werd ze ziek. Na een ziekbed van enkele maanden op het slot Teylingen, stierf zij op 9 oktober 1436 op 35-jarige leeftijd aan tuberculose.

De wens van Jacoba van Beieren te worden begraven in de kerk van Sint-Maartensdijk is niet ingewilligd. Zij werd begraven bij haar voorouders in de Hofkapel op het Binnenhof (Den Haag) onder het koor in de kerk. Bij de teraardebestelling van Jacoba in 1436 was de Hofkapel op het Binnenhof vol mensen. De hofkapel stond aan de westzijde (hofvijver) van het huidige Binnenhof en is in de zeventiende eeuw door brand verwoest. Op deze plek staan nu de gebouwen van het huidige regeringscentrum. De grafkelders van de Graven van Holland liggen nu onder de vloer van de hal van het Ministerie van Algemene Zaken.

Een typisch middeleeuwse kan van Siegburgs aardewerk werd in de zeventiende eeuw bij werkzaamheden in groten getale uit de gracht van slot Teylingen in Voorhout opgebaggerd. Een legende zegt dat deze kannetjes door de hertogin zelf, nadat ze door verdriet over het verlies van haar land aan de drank was geraakt, in de gracht waren gegooid. In deze legende zit zelfs geen kern van waarheid, aangezien de kannetjes veelal pas na de dood van Jacoba vervaardigd zijn. Dit soort steengoed wordt sindsdien in Nederland algemeen jakobakannetje genoemd.

              

TOP

+

+

Portret van Jacoba van Beieren, de Dauphine van Frankrijk en gravin van Henegouwen. Zij was erfgename van de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen.

Bron/foto: Haags Historisch Museum

Tekening van een jakobakan uit de 15e eeuw. Gravure uit 1869.

Bron: Qoop.nl

Jacoba van Beieren (1401-1436), gravin van Holland en Zeeland.

Bron/foto: www.rijksmuseum.nl


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Jan Adriaanszoon Leeghwater