App Nederland Historische mannen en vrouwen

Johan de Witt  

Info Contact Home

Johan de Witt werd geboren op 24 september 1625 in Dordrecht. Hij was heer van Zuid- en Noord-Linschoten, Snelrewaard, Hekendorp en IJsselvere (gemeente Oudewater). Johan de Witt was in de Gouden Eeuw tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk negentien jaar lang raadpensionaris van het graafschap Holland en daarmee de belangrijkste politicus van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hij was tevens een begenadigd wiskundige die beschouwd wordt als een van de grondleggers van de verzekeringswiskunde. De ruwaard en regent Cornelis de Witt was zijn twee jaar oudere broer.

Johan werd met zijn broer Cornelis door Orangisten vermoord en op gruwelijke wijze verminkt. De moord behoort tot de meest gedenkwaardige in de vaderlandse geschiedenis. Hoewel hedendaags Nederland hem kent als Johan met zijn voornaam, noemden zijn vrouw en veel tijdgenoten hem Jan.

Het was indertijd de gewoonte dat rijke jongelingen na hun studie door Europa reisden. Johan trok met zijn twee jaar oudere broer Cornelis vanaf 1645 door Italië, Frankrijk, Zwitserland en Engeland. Het was gebruikelijk onderweg in Frankrijk te promoveren. De Witt deed dat op 22 december 1645 in Angers op rechten. Na zijn terugkomst in de zomer van 1647 tot zijn aanstelling als pensionaris van Dordrecht vestigde hij zich in 's-Gravenhage als advocaat.

Na de plotselinge dood van stadhouder Willem II wilde de meerderheid van de Nederlandse provinciale besturen geen nieuwe stadhouder van het Huis van Oranje. Het Eerste Stadhouderloze Tijdperk was een feit. De Witt was er een groot voorstander van. Hij noemde het de periode van "De Ware Vrijheid". Er was geen staatshoofd. Beslissingen die de hele republiek aangingen, werden door de zeven provincies gezamenlijk genomen op basis van meerderheid van stemmen. Bij erg belangrijke zaken diende er eenstemmigheid te zijn. De provincies zelf bleven autonoom, evenals de steden.

Johan de Witt was met zijn broer Cornelis de leider van de staatsgezinden, een anti-Orangistische groepering die door Johan de Witt de partij van de vrijheid genoemd werd. Sinds zijn vader, die ook tot de staatsgezinden behoorde, met zes andere voormannen door Willem II korte tijd vastgehouden werd in de staatsgevangenis slot Loevestein, werden de staatsgezinden in de wandelgangen Loevesteiners genoemd. "Vertrouw nooit een Oranje", had zijn vader hem na zijn vrijlating toevertrouwd. De waarschuwende woorden zouden hem doen besluiten om de Orangisten uit belangrijke posities weg te houden.

De Witt werd op 21 december 1650 benoemd tot pensionaris van zijn geboortestad Dordrecht. In die hoedanigheid was hij de fiscaal adviseur van Dordrecht en afgevaardigde namens de stad naar vergaderingen van de Staten van Holland. Vanaf 30 juli 1653 was De Witt raadpensionaris van Holland. Hij was voorgedragen door Dordrecht, dat als oudste stad in het graafschap Holland de meeste rechten had een kandidaat te leveren. Wat in zijn voordeel werkte, was dat hij zijn voorganger Adriaan Pauw enkele keren bij diens afwezigheid vervangen had.

Voor de benoeming tot raadpensionaris was De Witt afhankelijk van de nadrukkelijke instemming van Amsterdam dat onder leiding stond van Cornelis de Graeff, van wie hij twee jaar later aangetrouwde familie zou worden. De voorbeeldige samenwerking tussen de twee was een belangrijke factor in het succes van De Witts politiek en de herleving van de economische vooruitgang na de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog.

Als raadpensionaris had De Witt geen werkelijke macht. Hij was altijd afhankelijk van anderen, maar wist desondanks te bewerkstelligen dat hij de belangrijkste politicus van het land werd. Naar huidige maatstaven was De Witts positie te vergelijken met een combinatie van minister-president, minister van Binnenlandse Zaken, minister van Financiën en minister van Buitenlandse Zaken. Alle lopende zaken regelde hij zelf. In Engeland werd meer dan eens over hem gesproken als 'King John' en Aziatische vorsten, die nog nooit van de functie raadpensionaris gehoord hadden, noemden hem koning. De Franse ambassadeur Godefroi d'Estrades schrijft in januari 1663 in een brief aan Lodewijk XIV van Frankrijk dat Johan de Witt in Holland beschouwd werd als een almachtige god.

Johan de Witt redigeerde grondig het manuscript voor het boek 'Interest van Holland' van Leidenaar Pieter de la Court. Het gaat door als een van de belangrijkste 'receptenboeken' voor economisch en politiek succes in de zeventiende en achttiende eeuw, en heeft een significante invloed gehad.

De la Court identificeerde vrije handel en de republikeinse vorm van regering als de leidende factoren voor economisch en politiek succes. Oorlog en geografische expansie moesten voorkomen worden en waren alleen toegestaan als het niet anders kon.

De Witt schreef zelf het 29e en 30e hoofdstuk. Hij noemde het een godsgeschenk dat Willem II overleden was en bij zijn dood geen nazaat achterliet. Hij schreef dat Holland daardoor zijn enorme nationale schulden kon afbetalen en anders zeker failliet was gegaan. In plaats daarvan groeide de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uit tot de grootste handelsnatie ooit. 'Interest van Holland' werd in de tijd van Johan de Witt het de facto manifesto (informeel handboek) van de republikeinse regering. Het boek werd gepubliceerd in 1662 en was meteen een bestseller in Holland en later ook elders.

De Witt leefde zuinig en zo regeerde hij ook. Overal probeerde hij op te besparen, behalve op de zeevloot die uitgroeide tot de sterkste ter wereld. De republiek ging in het Eerste Stadhouderloze Tijdperk een welvarende periode tegemoet, maar niet zonder machtsvertoon en oorlogen. Jaarlijks werd een kleine expeditie uitgezonden tegen de Algerijnse zeerovers. Onder De Witts leiding werd met Engeland in 1654 de Vrede van Westminster gesloten, door een geheim bijvoegsel te aanvaarden, de Akte van Seclusie. Daarin beloofden de Staten van Holland, waaronder De Witt, De Graeff, en admiraal Jacob van Wassenaer Obdam dat zij nooit een nakomeling van Willem II tot stadhouder van Holland zouden benoemen, dit voornamelijk om landvoogd Oliver Cromwell tegemoet te komen. Deze had immers koning Karel I van Engeland afgezet en laten onthoofden, wiens dochter Mary getrouwd was geweest met stadhouder Willem II, waarvan zij een week na zijn dood een zoon baarde. Cromwell vreesde dat een oranjeheerser de Stuarts op de troon zou kunnen helpen. De Witt wist dat de andere provincies zo'n bepaling niet zouden accepteren. Het vredesoverleg dreigde in een impasse te komen als hij de geheimhoudingstruc niet zou gebruiken. De Staten-Generaal ratificeerden het verdrag zonder zich van de geheime akte bewust te zijn en Engeland was bereid te ratificeren nadat de Staten van Holland de akte aanvaard hadden. In de republiek vonden velen - het geheim kon niet al te lang bewaard blijven - dat de clausule verdacht veel in het voordeel van De Witt uitwerkte (zijn vader Jacob was door Willem II gevangen gezet). Er werd openlijk de verdenking geuit dat hijzelf de bedenker was. Met veel moeite wist De Witt de clausule aanvaard te krijgen, in een redevoering die bekend is geworden als de deductie van Johan de Witt, maar dat gebeurde wel ten koste van nieuwe maatschappelijke onrust. De Witt stond een strenge onderdrukking van deze ongeregeldheden voor, met toepassing van de doodstraf, maar vrijwel geen enkele vroedschap durfde of wilde tot dit laatste overgaan.

In 1660 werd De Witt evenals De Graeff, Lodewijk van Nassau-Beverweerd en drie anderen door de Staten van Holland aangesteld als lid van een commissie ter educatie van de legitieme zoon van Willem II, prins Willem van Oranje. Op die manier konden ze zijn opvoeding in de gaten houden en indien nodig manipuleren. Met die regeling probeerde De Witt zowel Frankrijk als Engeland tevreden te stellen. De druk om de prins aan te stellen tot stadhouder bleef aanhouden. In 1666 werd de regeling herzien en kreeg de prins de titel "kind van staat".  

De Witt stelde de staatsfinanciën op orde en creëerde een sterke vloot. De vloot van 1664/1665 werd niet voor niets ‘De vloot van de heer De Witt’ genoemd. Op 8 mei 1665 verscheen een Engelse oorlogsvloot voor de Neder-landse kust. Het leidde het begin in van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. De Slag bij Lowestoft, in de buurt van Norwich, werd de smadelijkste Nederlandse nederlaag ooit. Twee dagen eerder had Van Wassenaer in een uitstekende aanvalspositie gelegen, maar ondanks duidelijke instructies van De Witt was hij de strijd niet aangegaan, wellicht omdat hij onvoldoende vertrouwen had in zijn nog lang niet volmaakte vloot en bemanning. Hij heeft het De Witt nooit kunnen uitleggen, omdat hij sneuvelde nadat een kanons-kogel de kruitkamer van zijn schip had geraakt. Cornelis Tromp had al een voorlopige aanstelling als opvolger op zak, maar op het laatste moment koos De Witt ervoor om Michiel de Ruyter tot nieuwe opperbevelhebber op zee te benoemen. Tromp zou hem dat nooit vergeven. De Ruyter raakte goed bevriend met De Witt en groeide uit tot de beste admiraal van zijn tijd.

Henri de Fleury de Coulan, bekend als ritmeester Buat, was Fransman van geboorte en was getrouwd met een kleindochter van Jacob Cats. Door speelschulden liet hij zich overhalen om als boodschapper te fungeren tussen de Engelse en Nederlandse regeringen. De bedoeling was in het geheim na te gaan of een vredesverdrag mogelijk was. De Witt had stilzwijgend toestemming verleend.

De Engelse diplomaat Sir Gabriel Sylvius schreef Buat in een persoonlijke brief over een opzet om vrede te bereiken door de zoon van Willem II aan te stellen als stadhouder en Johan de Witt af te zetten als raadpensionaris. Buat gaf deze brief per ongeluk aan De Witt, in een stapel met andere brieven. Toen hij zijn fout bemerkte, ging hij terug om de "verkeerde brief" terug te vragen. De Witt had hem echter al opengemaakt en gelezen. In 1666 werd Buat op het Groene Zoodje in 's-Gravenhage onthoofd. Toen en nu zijn vele historici van mening dat Buat slechts een pion was in een groter plan en de doodstraf niet verdiend had. Wat meespeelt is dat De Witt de rechter Jacob de Graeff gedwongen had om Buat ter dood te veroordelen. Had hij dat niet gedaan, dan was het leven van de Fransman gespaard gebleven.

De Witt initieerde eind 1665 de heroprichting van het vaderlandse marinierskorps, het eerste ter wereld dat gespecialiseerd was in amfibische aanvallen. Het werd in 1667 voor het eerst ingezet bij een plan van De Witt om de belangrijkste Engelse marinebasis in Chatham aan te vallen, 50 km landinwaarts aan de rivier de Medway. Het werd een van de meest glorieuze overwinningen in de vaderlandse geschiedenis en de meest vernederende Engelse nederlaag op water. De aanval is bekend geworden als de Tocht naar Chatham. Daarop volgde de Vrede van Breda, die dankzij de Nederlandse overwinning binnen tien dagen afgehandeld was. Bij de vredesbesprekingen hadden de Engelsen vergeefs aangeboden om Nieuw Nederland terug te geven in ruil voor Suriname dat admiraal Abraham Crijnssen eerder dat jaar op de Engelsen veroverd had.

De Akte van Seclusie was in 1660 ongeldig verklaard, nadat Cromwell het veld had moeten ruimen voor koning Karel II. Daarom volgde in 1667 een nieuwe akte, het Eeuwig Edict, dat het stadhouderschap in het graafschap Holland voor altijd afschafte. De andere zes provincies weigerden te volgen. Er werd een compromis bereikt, waarin werd vastgelegd dat het stadhouderschap in de andere zes provincies onverenigbaar was met dat van kapitein-generaal, de opperbevelhebber van het Staatse leger. Aangezien bij de aanstelling van een stadhouder voor de hele republiek alle zeven provincies toestemming moesten geven, was met de weigering van Holland om er ooit nog eens een te benoemen, het stadhouderschap in feite afgeschaft.

Om de Engelse handelsrivaal op zee te weerstaan, was de marine(zeemacht) versterkt, maar het Staatse leger (landmacht) sterk verwaarloosd. Dat was niet zonder gevaar omdat de Franse politiek in die tijd gekenmerkt werd door een tomeloos expansionisme, dat versterkt werd door de geduchte economische concurrentie van de Nederlandse republiek. De Witt probeerde met een pro-Franse politiek de veiligheid van zijn republiek te waarborgen, maar wilde niet akkoord gaan met het plan van koning Lodewijk XIV om de Spaanse Nederlanden te verdelen. Net als stadhouder Frederik Hendrik van Oranje-Nassau voor hem, had hij liever een door Spanje bestuurde bufferzone aan de zuidgrens van de republiek dan een directe grens met het machtige Frankrijk.

Met Engeland en Zweden werd op 23 januari 1668 de Triple Alliantie gesloten. Daarin was vastgelegd dat de drie landen elkaar militair zouden steunen als Frankrijk een van hen aanviel. De Witt wilde desondanks geen breuk met de zonnekoning. Daarom werd afgesproken bij Spanje erop aan te dringen een aantal steden in de Spaanse Nederlanden aan hem af te staan. Pas als Lodewijk XIV dit zou afwijzen en zou aanvallen om het hele gebied in handen te krijgen, zouden de drie landen met militair geweld optreden tegen Frankrijk. Speciaal op verzoek van De Witt werd die laatste afspraak opgenomen in een geheime clausule omdat hij de Fransen niet voor het hoofd wilde stoten. Wat De Witt niet wist, was dat Karel II het verdrag slechts was aangegaan om alle Nederlands-Franse banden voorgoed te verbreken. Een maand na de sluiting van het verdrag verklapte hij de zonnekoning de details over de geheime clausule, die daarop - belust op wraak - met de Engelsen het in het geheim gesloten Verdrag van Dover sloot, waarin bepaald werd dat gezamenlijk de Nederlandse republiek zou worden aangevallen.

Hierop begon in 1672 de Hollandse Oorlog met een Engelse en Franse oorlogsverklaring aan de republiek. Frankrijk had zich naast Karel II in het westen als bondgenoot ook voorzien van de bisschop van Munster en de aartsbisschop van Keulen in het oosten. Frankrijk wenste niet alleen de Spaanse Nederlanden, waar Lodewijk via zijn vrouw volgens een erfrechtelijke redenering recht op meende te hebben, maar ook de rivier de Rijn als natuurlijke Franse grens. Het failliet van De Witts buitenlandse politiek, die lange tijd succesvol was geweest, was compleet nadat Frankrijk en zijn bondgenoten de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden inderdaad aanvielen. De republiek had een ijzersterke oorlogsvloot en wist een gecombineerde aanval over zee van Engeland en Frankrijk af te slaan, maar het landleger was verwaarloosd; de republiek dreigde volledig onder de voet te worden gelopen. Veel steden in het oosten van het land hadden zich zonder slag of stoot overgegeven. Dat gaf bij de bevolking in de provincie Holland de indruk dat sprake was van verraad. Om Holland tegen de oprukkende legers te verdedigen, werd voor het eerst gebruikgemaakt van de Waterlinie. Talrijke polders werden onder water gezet. Dat leidde tot grote onrust op het platteland. Het feit dat de polders slechts zeer langzaam volliepen met water, veroorzaakte paniek in de steden. Plunderende boeren verergerden de situatie. De zegswijze indertijd was dat het volk redeloos, het land reddeloos en de regering radeloos was. De Staten-Generaal ging tegen de zin van De Witt vredesonderhandelingen

aan met Frankrijk, maar het volk zag ook dat als verraad en gaf De Witt de schuld. Het jaar 1672 zou de Nederlandse geschiedenis ingaan als het rampjaar.


Op 21 juni 1672 werd er een moordaanslag gepleegd op de gebroeders De Witt. Johan liep die avond tussen elf en twaalf uur van het Binnenhof naar zijn aan de Kneuterdijk gelegen woning. Een knecht met een brandende toorts liep voorop. Aangekomen op de Plaats sprongen vier jongelui met degens tevoorschijn die de knecht de toorts ontrukten, doofden en aanvielen. De Witt en zijn knecht verzetten zich heftig. De Witt raakte aan zijn hals gewond, viel en verwondde daarbij zijn hoofd. Toen hij op de grond lag, staken de jongelui hem twee keer met een mes; in zijn rechterzij en linkerschouder. Dezelfde dag, rondom hetzelfde uur, vond er een mislukte aanslag op zijn broer in Dordrecht plaats. Johan overleefde de steekpartij, maar was pas op 12 juli buiten levensgevaar en moest uiteindelijk veertig dagen lang bed houden. Een van de aanvallers was herkend en werd gearresteerd. Het ging om de bijna 23-jarige Jacob van der Graeff, een zoon van de raadsheer Van der Graeff die beslissend was geweest bij het uitdelen van de doodstraf aan ritmeester Buat. Hij bleek de aanslag te hebben gepleegd met zijn broer Pieter en hun vrienden Adolph Borrenbach en Cornelis de Bruyn, die gevlucht waren naar het leger van de prins. De Graeff jr. werd op 29 juni na een snel proces onthoofd.

Prinsgezinden profiteerden van de afwezigheid van Johan tijdens zijn herstel, door met succes de regenten in de provincie Holland te dwingen het Eeuwig Edict af te schaffen. Cornelis de Witt was een van degenen die onder bedreiging werd gedwongen te tekenen. Het opende de weg om Willem van Oranje aan te stellen als stadhouder Willem III. Dat gebeurde op 29 juni, toen Johan de Witt thuis nog steeds herstellende was. Op 23 juli vertelde Willem Tichelaar, een louche barbier-chirurgijn, de rechtbank dat Cornelis de Witt hem 30.000 gulden had geboden om Willem III te vermoorden. Daarnaast zou hij hem helpen met problemen die Tichelaar had met de schout en zou hij de positie van baljuw van Beijerland krijgen.  

Cornelis de Witt werd daarop gearresteerd. Hij betichtte op zijn beurt Tichelaar van het willen beramen van een moordaanslag op Willem III en dat Tichelaar hem had willen overhalen mee te doen, iets wat hij geweigerd zou hebben.

Tegelijkertijd, nu Willem III stadhouder geworden was, zag Johan het nutteloze van zijn eigen positie in en op 4 augustus diende hij zijn ontslag in als raadpensionaris. Willem III zorgde er persoonlijk voor dat hij geen 'eervol ontslag' verleend kreeg. De Witt deed een beroep op een afspraak uit 1658 die hem toestond na zijn raadpensionarisschap toe te treden tot de Hoge Raad. Dat werd toegestaan, maar door zijn snelle dood op 20 augustus 1672 (zie hieronder) heeft hij er nooit zitting genomen.

Johan de Witt werd in de val gelokt met de mededeling dat zijn broer (die in de gevangenis zat) hem wilde spreken. Na een half uur wilde Johan de gevangenis verlaten, maar het werd hem onmogelijk gemaakt door een grote menigte. Aanvankelijk beschermde de cavalerie de gevangenis, maar de commandant kreeg van hogerhand het bevel te vertrekken onder het valse voorwendsel van een bericht over plunderende boeren. Tichelaar was uit een raam gaan hangen en schreeuwde het aanwezige volk toe dat nu hij was vrijgelaten dit het overtuigende bewijs was dat hij het gelijk aan zijn zijde had gekregen dat niet hij, maar Cornelis de Witt de prins had willen vermoorden. Hij riep de aanwezige mensenmassa op wraak te nemen op de broers, mede omdat de straf die De Witt was opgelegd veel te laag zou zijn voor het plegen van hoogverraad.

Aan het einde van de middag drongen opgehitste, dronken en woedende schutters de gevangenis binnen en sleurden de broers naar buiten. Cornelis bezweek onder de slagen van geweerkolven. Johan werd door notaris Van Soenen met een piek in zijn gezicht gestoken. Daarna schoot luitenant ter zee Maerten van Valen hem van achteren met een pistool in zijn hoofd. De lijken werden geheel ontkleed, op het Groene Zoodje aan de wipgalg ondersteboven opgehangen, opengereten en gecastreerd. Tenen, vingers, oren, neuzen, lippen en tongen werden afgesneden. De ingewanden werden uit de lichamen gehaald en volgens de ooggetuige en dichter-industrieel Joachim Oudaan deels door de omstanders opgegeten of aan honden te eten gegeven. Hendrick Verhoeff ging er prat op dat hij de harten uit de lichamen had gesneden, iets dat hij de magistraat - de ochtend van de moord - beloofd had te doen. Ze zijn nog jaren tentoongesteld geweest.                       


TOP

Kenau Simonsdochter Hasselaer

+

+

Cornelis de Witt, burgemeester van Dordrecht, ruwaard van Putten.

Schilder: Jan de Baen. Bron: Dordrechts Museum.

De moord op de broeders Cornelis en Johan de Witt in Den Haag, Nederland. Hier zijn de lichamen opgehangen op het Groene Zoodje, terwijl lijkenpikkers stukken uit/af de lichamen snijden.

Bron: http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/RIJK03:DAGPREN_RP-P-OB-77-155

Standbeeld van Johan en Cornelis de Witt in Dordrecht centrum.

Foto: G.Lantinghttp://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/RIJK03:DAGPREN_RP-P-OB-77-155

+

+

+

Johan de Witt , 1670.

Kunstenaar: naar Caspar Netscher. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

De gebroeders De Witt in de gevangenis.

Schilder: Simon Opzoomer. Bron:  Museum Boijmans Van Beuningen

20 augustus 1672, de moord op de gebroeders De Witt Het schilderij laat als in een stripverhaal zien hoe Johan de Witt, gekleed in deftig zwart pak, en Cornelis de Witt, in Japanse mantel, aan hun einde kwamen.

Schilder: Pieter Frits. Bron: Haags Historisch Museum.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.