App Nederland Historische mannen en vrouwen

Michiel de Ruyter  

Info Contact Home TOP

Mina Kruseman

Michiel de Ruyter officieel Michiel Adriaenszoon de Ruyter werd geboren op 24 maart 1607 te Vlissingen. Hij was een Nederlands admiraal. Michiel de Ruyter (bijgenaamd Bestevâer, ofwel grootvader) is één van de bekendste zeehelden in de Nederlandse geschiedenis. Hij wordt algemeen beschouwd als de grootste admiraal van zijn tijd. In de eerste drie Engels-Nederlandse Oorlogen speelde hij een belangrijke rol. Daarnaast nam hij deel aan diverse oorlogen in de Oostzee en tegen piraterij in de Middellandse Zee. De Ruyter was afwisselend in dienst van de staat en van reders, en was zelfs een tijdlang als zelfstandig ondernemer actief in de walvisvaart.

Michiel was de zoon van bierdrager Adriaen Michielszoon en Alida Jansdochter. De naam "Michiel Adriaensen Ruyter" zou hij pas rond 1636 aannemen. Zijn naam werd, zoals in de 17e eeuw gebruikelijk, ook door hemzelf op verschillende wijzen geschreven. Het verhaal dat hij op een lijnbaan werkte, is van De Ruyter zelf en daarom vermoedelijk authentiek. Hij werd daar wegens slecht gedrag weggestuurd en om dezelfde reden van school verwijderd. De jonge Michiel was volgens zijn eerste biograaf, Gerard Brandt (een vriend van de familie), een branie en vechtersbaas. De Ruyter leerde redelijk lezen en schrijven, zij het met vele Zeeuwse dialectismen.

Op elfjarige leeftijd, op 3 augustus 1618, ging hij als hoogbootsmansjongen voor het eerst naar zee. Hij werd op een latere reis door de Spanjaarden gevangengenomen, ontsnapte en liep met een paar kameraden terug naar Nederland. Jeugdboekenauteur John Brosens trof er in Spaanse archieven gegevens over aan en schreef er het boek Koers pal Noord over. Al op vijftienjarige leeftijd had hij zich opgewerkt tot schipper, de hoogste onderofficiersrang op een schip.

In 1622 kwam hij onder de hoede van een oom die "ruiter" was in het leger van Prins Maurits. Met zijn oom nam hij als busschieter (een woord dat zowel een musketier als een kanonnier kon aanduiden) deel aan de strijd rond het Beleg van Bergen op Zoom. Op 2 oktober 1622 deed hij mee aan het ontzet van deze stad waar de familie van zijn moeder vandaan kwam.

De traditie wil dat Michiel om deze oom, die hij graag mocht, te eren, later de naam "De Ruyter" aannam (de schrijfwijze stond niet vast, evenmin als het voorvoegsel "de"). In 1636 komt Michiel Adriaenszoon voor het eerst onder de naam 'Ruyter' in een document voor. De herkomst van die naam was in zijn tijd al een raadsel en hierover deden diverse verhalen de ronde. Eén daarvan was dat hij aan zijn naam kwam omdat zijn grootvader of zijn oom van moederszijde als ruiter had meegevochten in het leger. Maar volgens de historicus Van Loo komt de naam De Ruyter waarschijnlijk uit de kaapvaart en is zij ontleend aan het "ruiten" oftewel roven door zijn kaperschip. Het lijkt er op dat de bijnaam vooral door anderen is gegeven: pas in april 1637 ondertekende Michiel voor zover bekend voor het eerst met deze naam.  

In 1622 voer hij voor het eerst uit als hoogbootsmansmaat op een oorlogsschip. Het is onbekend hoe lang zijn eerste zeedienst bij de marine geduurd heeft. Tot 1631 was De Ruyter in Dublin handelsagent voor het Vlissingse koopmanshuis Lampsins. Uit die tijd stamt vermoedelijk het beroemde verhaal dat hij een aanval van de Duinkerker Kapers afsloeg door het dek van zijn boot met boter in te smeren.

In 1633 nam De Ruyter als stuurman dienst op een walvisvaarder van de Noordse Compagnie, met als bestemming Jan Mayen. In 1635 voer hij, nog steeds als stuurman, naar Spitsbergen. Later dat jaar gaat hij op de Graeuwen Heynst op kaapvaart in dienst van de Lampsins. Hij is verder actief op de route naar Zuid-Amerika.

De Ruyter had toen al een kapitaal opgebouwd van vele duizenden guldens en het poorterschap (burgerrecht) van Vlissingen verworven. Kapers wilden nog wel eens piraterij begaan en in dit jaar zouden de Engelsen wegens (althans beweerde) verdenking hiervan De Ruyters schip, terwijl hijzelf de stad Calais bezocht, met bemanning en al prijs hebben genomen en naar de marinebasis Sandwich in Engeland hebben gevoerd. Michiel zou zijn mannen achterna zijn gereisd om te protesteren. Sinds 1634 voerde Karel I van Engeland een pro-Spaanse politiek en kwamen dit soort vijandelijkheden steeds vaker voor.

Het is in een brief van Albert Joachimi over dit incident dat voor het eerst sprake is van een Michiel Trouhant alias Ruijter. Vermoedelijk betreft het hier de voornoemde kapitein Trouwhand uit Kortemark en heeft Joachimi ten onrechte verondersteld dat deze en De Ruyter één en dezelfde persoon waren.

Op 23 april 1637 zeilde De Ruyter uit als kapitein van een directieschip: een particuliere oorlogsbodem van de Vlissingse reders Lampsins. Het particulier initiatief moest de zwakke oorlogsvloot bijstaan in de strijd tegen de Duinkerker Kapers. Zeeland had geen officiële directiekamer en daarom is deze tocht als kaapvaart te omschrijven.

In 1640 werd hij kapitein op de koopvaarder ”Vlissinge”, opnieuw een schip van Lampsins, en maakte een aantal tochten naar West-Indië. In 1641 was hij onder admiraal Gijsels schout-bij-nacht en kapitein op De Haze, tijdens de Zeeslag bij Kaap Sint-Vincent om de Portugezen bij te staan in hun opstand tegen Spanje.

Van 1644 tot en met 1651 maakte De Ruyter met zijn schip de Salamander vele handelstochten op Marokko en West-Indië voor eigen rekening. In 1650 verbleef De Ruyter meer dan acht maanden in Santa Cruz (het huidige Agadir). De reden is niet bekend. Wel liet De Ruyter optekenen dat hij daar "met veel verdriet" was. Zijn reizen naar Marokko waren zeer profijtelijk. Hij verkocht wapens, peper, bijlen, zilveren kroezen, kistjes en hoeden aan Sidi Ali ben Mohammed, de leider van een opstandige zuidelijke provincie. Later verjoeg hij de Algerijnse zeerovers die met hun boten de haven van Salé blokkeerden. Hij werd vervolgens met de grootste eer in die stad ontvangen.

In 1652 brak de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uit. De Admiraliteit van Zeeland deed een beroep op zijn plichtsbesef en hij ging op 29 juli, zij het met tegenzin, weer in zeedienst. De provincie Zeeland rustte een particulier betaald hulp-eskader van directieschepen uit en De Ruyter werd commandant. Hij werd vicecommandeur (onderbevelhebber) onder Witte de With; tijdens diens afwezigheid voerde hij een eskader aan dat op 23 augustus 1652 in de Slag bij Plymouth admiraal Ayscue versloeg.

Dit was de eerste Nederlandse overwinning in deze oorlog en de onbekende De Ruyter was plotseling een zeeheld geworden. Op 1 december 1652 werd hij benoemd tot commandeur bij de Zeeuwse admiraliteit. Hij vocht als eskadercommandant mee in de Slag bij de Hoofden, de Slag bij de Singels, de Driedaagse Zeeslag en de Zeeslag bij Nieuwpoort. Bij de Slag bij Ter Heijde was hij de enige commandant die Tromps vlaggenschip de Brederode kon bereiken om met eigen ogen het lijk van Maarten Tromp te aanschouwen. Hij adviseerde Egbert Bartolomeusz Kortenaer het sneuvelen van de bevelhebber geheim te houden.

Na de oorlog wees hij een aanbod af om bevelhebber te worden, ondanks grote druk van Johan de Witt, maar bleef in dienst bij de marine: op 2 maart 1654 werd hij viceadmiraal bij de admiraliteit van Amsterdam. De Ruyter en zijn gezin verhuisden in 1655 naar die stad. Hetzelfde jaar maakte hij met “de Tijdverdrijf “ een expeditie naar de Middellandse Zee tegen Algiers. In 1656 viel hij de Zweden aan bij Danzig. In 1657 en 1658 voerde hij acties uit tegen Portugal. In 1659 commandeerde hij een hulpvloot die luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer Obdam moest bijstaan bij het heroveren van de Deense eilanden na diens overwinning in de Slag in de Sont. Hij bevrijdde Nyborg op Funen. Uit dankbaarheid werd hij door Frederik III van Denemarken in de adelstand verheven. Hij kreeg ook het recht handel te drijven op Noorwegen en richtte daartoe in 1660 de Noordse Compagnie op die tot 1664 actief bleef. De compagnie richtte zich op de walvisvaart, daarnaast op de handel in lever en kuit van kabeljauw.

Van 1661 tot 1663 was De Ruyter actief tegen de Barbarijse zeerovers en dwong hen een verdrag af. Die verbraken dat verdrag bijna onmiddellijk nadat hij uit het zicht verdwenen was, zodat hij er in 1664 opnieuw op uitgestuurd werd. Weer in de Middellandse Zee aangekomen, vernam hij al snel dat er dringender zaken waren. De Britten hadden de Nederlandse factorijen in West-Afrika veroverd. De vloot van De Ruyter werd er in het geheim op af gestuurd en hij heroverde de bezittingen voor Nederland. Daar ontmoette hij onverwacht een oude jeugdvriend uit Vlissingen: Jan Compagnie, die als kind tot slaaf gemaakt vanuit Afrika naar Zeeland vervoerd was en nu als zetbaas van de WIC aan de Goudkust bleek te werken. Om de Britten te straffen, verwoestte De Ruyter de Britse factorijen.

Het scheepsjournaal dat De Ruyter tijdens deze expeditie bijhield (en dat tot de interessantste reisbeschrijvingen van de zeventiende eeuw behoort), werd in 1961 uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging.

Vanuit Afrika stak de vloot de Atlantische Oceaan over om de Britse koloniën in Amerika te teisteren. De Ruyter zag af van een herovering van Nieuw-Nederland omdat zijn krachten daartoe ontoereikend waren, maar plunderde de kust en onderschepte een haringvloot. In 1665 werd St. John's, in wat nu Canada heet, voor korte tijd veroverd. Bij terugkeer in Delfzijl werd hij als een held ontvangen. Intussen hadden zich stormachtige ontwikkelingen voorgedaan in de Nederlandse republiek.

De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, die eigenlijk al een jaar in de koloniën was uitgebroken, was nu de openlijke fase ingegaan. In de Slag bij Lowestoft had de Nederlandse vloot een zeer zware nederlaag geleden, waarbij Jacob van Wassenaer Obdam, de opperbevelhebber van de marine, was gesneuveld. Er was een nieuwe bevelhebber voor de staatse vloot nodig. Cornelis Tromp had al een voorlopige benoeming op zak. Ingrijpen van raadpensionaris Johan de Witt leidde ertoe dat De Ruyter op 11 augustus werd aangesteld, want Tromp was hem te Oranjegezind. Tromp raakte hierdoor erg jaloers op De Ruyter en had grote moeite zich in de omstandigheden te schikken, hoewel hij kennelijk geen speciale antipathie tegen de man zelf voelde. De Ruyter kreeg zo een bijzonder lastige tweede man, eenzelfde situatie die zich had voorgedaan tussen Maarten Tromp en Witte de With: een die weliswaar zijn best deed te gehoorzamen, maar daar eigenlijk niet toe in staat was.

De Ruyter, die al eerder als informeel adviseur van zijn voorganger, Jacob van Wassenaer Obdam, invloed had gehad bij de modernisering van de vloot, zette na zijn aanstelling dat proces voort. Onder zijn leiding werd geoefend in het formatievaren (in navolging van de tactiek van de Engelse admiraal Robert Blake) en werd een systeem van seinvlaggen ingevoerd. Tot dan was een zeeoorlog vooral een ongecoördineerd gevecht van boot tegen boot geweest.

In augustus 1665 lukte het hem om met Deense steun de retourvloot uit Indië, die in de haven van het Noorse Bergen door de Engelsen geblokkeerd werd, te ontzetten in de Slag in de baai van Bergen.

In 1666 nam hij het vlaggenschip De Zeven Provinciën in gebruik, waarmee hij de overwinning bevocht in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni). In de Tweedaagse Zeeslag (4-5 augustus) leed hij een nederlaag en kwam het tot een verwijdering tussen hem en Tromp. Zijn verdiensten in de strijd tegen de Engelsen werden in het buitenland opgemerkt. Diezelfde maand werd hij door de Franse koning Lodewijk XIV toegelaten tot de ridderorde van de Heilige Michaël. Lodewijk kon de successen van de Hollanders tegen diens Engelse vijanden waarderen. Niemand kon bevroeden dat de Fransen nog gevaarlijker tegenstanders van de republiek zouden worden dan de Engelsen en dat De Ruyter gedood zou worden door een Franse kanonskogel. Door het inademen van brandend lontpluis (lont samengesteld uit dun pluis) tijdens een kleinere actie later dat jaar werd De Ruyter zeer ernstig ziek. Er werd voor zijn leven gevreesd, maar hij genas net voldoende om het bevel over de vloot op zich te nemen. Tromp was toen al geheel in ongenade gevallen. Een van De Ruyters bekendste wapenfeiten, hoewel hij daar mede door zijn ziekte slechts een gering aandeel in had, is in juni 1667 het opvaren van de Medway, een zijrivier van de Theems, bekend als de Tocht naar Chatham. Bij deze zeeslag werd voor het eerst gebruikgemaakt van het in opdracht van Johan de Witt door Cornelis de Witt net opgerichte Korps Mariniers. De Engelse vloot, evenals diverse forten, werd zware schade toegebracht en het Engelse vlaggenschip HMS Royal Charles werd meegenomen naar Holland. Na dit wapenfeit werd de Vrede van Breda (31 juli 1667) snel getekend.

Weinig bekend is dat het plan om de Medway op te varen afkomstig was van Johan de Witt. De Ruyter had aanvankelijk bezwaren wegens de onbekende plaatselijke ondieptes. De Witt stuurde zijn broer Cornelis de Witt mee als gecommitteerde van de Staten-Generaal om toezicht te houden. De feitelijke planning was van luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent.

Tussen 1667 en 1672 werd De Ruyter zeer tegen zijn zin door Johan de Witt thuisgehouden om te voorkomen dat hij zou sneuvelen. De Ruyter had toen al een aanzienlijk kapitaal vergaard van ongeveer 250.000 gulden. In november 1669 overleefde De Ruyter een moordaanslag. Een aanhanger van Tromp probeerde hem met een broodmes in de hal van zijn huis te doden.

De op religieus gebied tolerante De Ruyter werd als een medestander van Johan de Witt gezien. Beiden waren persoonlijk bevriend, al hield hij zich buiten de politiek. Dat maakte hem in veler ogen tot een tegenstrever van de Oranjes. Bij de dood van De Witt heeft hij flink gehuild.

Tijdens de Derde Nederlands-Engelse Oorlog voorkwam De Ruyter zowel in het rampjaar 1672 (Slag bij Solebay) als in 1673 (Eerste en Tweede Slag bij het Schooneveld en de Slag bij Kijkduin) dat de gecombineerde Franse en Engelse vloot ondanks hun grotere aantallen op de Zeeuwse of Hollandse kust kon landen. Hij maakte daarbij handig gebruik van de vele ondiepten voor de kust en van de richting waaruit de wind woei. Ter onderstreping van De Ruyters functie te midden van de vele luitenants-admiraal die de republiek toen kende (elke admiraliteit had er wel een), werd hij op 21 februari 1673 bevorderd tot luitenant-admiraal-generaal.

In 1674 deed De Ruyter een mislukte poging Martinique te veroveren op de Fransen, met wie de republiek sinds het rampjaar 1672 in de Hollandse Oorlog verwikkeld was. In 1676 werd hij uitgezonden om Spanje te helpen bij het neerslaan van een opstand in Messina, die door de Fransen juist gesteund werd. Sicilië en het Koninkrijk Napels waren in die tijd Spaans bezit. Hoewel De Ruyter vond dat zijn vloot te zwak was, ging hij toch;  volgens sommige historici ervan overtuigd dat hij niet meer zou terugkeren, met de woorden:

“De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al wierd mij bevoolen ’s Lands vlagh op een enkel schip te voeren, ik zou daarmee t’zee gaan en daar de Heeren Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven waagen”.

De Spaanse steun aan de Nederlandse bondgenoot was ver beneden verwachting en De Ruyter kon slecht overweg met de Spaanse bevelhebbers en de Spaanse autoriteiten.

In 1676 vocht hij op 8 januari bij de onbesliste Slag bij Stromboli om Napels te verdedigen tegen de Franse vloot onder bevel van admiraal Duquesne. Als dank liet markies De Los Velez, de Spaanse onderkoning van Napels, 26 Hongaarse predikanten vrij die bij hem te werk waren gesteld als galeislaven. Jaarlijks wordt dit in februari herdacht bij het graf van De Ruyter.

Op 22 april 1676 kwam het tot een tweede confrontatie met Duquesne, in de Slag bij Agosta. Ook dit was een tactisch onbesliste slag, waarbij aan beide zijden enkele honderden doden vielen, maar met een strategisch voordeel voor de Fransen. Bovendien werd De Ruyter door een kanonskogel geraakt aan zijn rechterbeen dat verbrijzeld werd, en aan zijn linkervoet, waarvan het voorste deel werd afgeschoten. Zijn been werd geamputeerd en in eerste instantie leek hij te herstellen. Na enige dagen trad er wondkoorts op omdat de wond geïnfecteerd was geraakt. Michiel de Ruyter overleed een week later (29 april 1676) in de baai van Syracuse aan de gevolgen daarvan, aan boord van 's lands schip van oorlog d'Eendraght.

Het lichaam werd gebalsemd en opgebaard in de kajuit van de admiraal naar Nederland teruggebracht. Als teken van respect liet de Franse koning Lodewijk XIV bij het langsvaren van de Eendraght saluutschoten afvuren. Op 18 maart 1677 werd de gesneuvelde admiraal begraven onder de plaats van het vroegere altaar in de Nederlands Hervormde Nieuwe Kerk in Amsterdam.

De bijnaam "Bestevâer" werd De Ruyter door zijn matrozen gegeven. De Ruyter wordt beschouwd als een streng maar rechtvaardig kapitein en een goed zeeman. Hij zorgde goed voor zijn bemanning en poogde zijn verplichtingen zo gewetensvol mogelijk na te komen. In het gevecht was De Ruyter juist erg voorzichtig en vermeed onnodige risico's.


        

Michiel Adriaenszoon de Ruyter, 1607–1676,

Lieutenant-Admiral-General of the United Provinces. Schilder: Ferdinand Bol (1616–1680). In National Maritime Museum.

+


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Cornelis de Witt en andere admiraals op weg om aan boord te gaan van het nieuwe Nederlandse vlaggenschip de Zeven Provinciën voor overleg met admiraal -generaal De Ruyter in June 1667.

Kunstenaar: E. Koster, 1857.

Kaart die het verloop van de aanval op Chatham in 1667 door de Nederlandse vloot onder leiding van Admiraal De Ruyter weergeeft.

Bron: Eigen werk: adaptation of File:RaidMedwayKarte.svg. Auteur: OSeveno, using work created by User:Memnon335bc

De Nederlandse vloot stak Engelse schepen in brand gedurende de aanval rond Chatham.

Schilder: Jan van Leyden, 1669. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Het opbrengen van het Engelse admiraalschip de 'Royal Charles' buitgemaakt tijdens de tocht naar Chatham, juni 1667 door de Nederlandse vloot.

Schilder: Jeronymus van Diest (II)  Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

+

+

+