App Nederland Historische mannen en vrouwen

Piet Heijn  

Info Contact Home

Piet Heijn werd geboren op 25 november 1577 in Rotterdam (Delfshaven). Hij was een Nederlands luitenant-admiraal en (WIC) West-Indische Compagnie-commandant. Hij is vooral bekend door de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628, maar vond zelf dat hij voor zijn eerdere wapenfeiten te weinig erkenning kreeg. In 1598 raakte hij - samen met zijn vader - in Spaanse gevangenschap. Piet Heijn werd ingezet als roeier op een galei op de vloot van Ambrosio Spinola, gelegen bij Sluis. Hij kwam pas vrij in 1602 bij een uitwisseling van gevangenen.

In 1603 raakte hij als schipper van de “Kleine Neptunus” opnieuw gevangen en werd opgesloten in het fort van Havana  (Cuba). Omdat in het vaderland zijn lot onbekend was, liet de koopman Jan Gerritszoon Meerman zijn schipper op de “Wassende Maen”, in 1605 op handelsreis naar Cuba, speciaal informatie inwinnen.

In 1607 was Piet Hein terug, maar het is niet overgeleverd hoe en wanneer. Aan het einde van dat jaar trad hij in dienst bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en vertrok als stuurman op de “Hollandia”. Het schip maakte deel uit van de vloot onder Pieter Willemsz Verhoeff naar de Banda-eilanden om greep te krijgen op de specerijenhandel. Aan boord van de schepen bevonden zich naast Jan Pietersz Coen als onderkoopman, ook Jacques Specx die op weg was naar Hirado (Japan) en ongeveer 750 soldaten. Het doel was Portugese schepen te weren voor Mozambique, de haven van Goa te blokkeren en opnieuw een poging te doen Malakka te veroveren, hetgeen Cornelis Matelieff de Jonge eerder niet was gelukt.

Rond juni 1609 kwam de “Hollandia” op Banda Neira aan en wilde schipper Verhoeff de vestiging van een fort afdwingen. De Bandanezen gaven echter de voorkeur aan vrije verkoop, waarbij zij de kopers van verschillende nationaliteit tegen elkaar konden uitspelen. De dorpshoofden lokten drie onwelkome onderhandelaars van de vloot in de val en vermoordden ze. Als vergelding werd op 15 juni 1609 de kampong Lebetakke op Banda door de Nederlanders geheel uitgemoord. De vloot verloor bij de acties op Banda circa 46 bemanningsleden, soldaten en schipper Verhoeff. Als gevolg daarvan werd een aantal zeelieden bevorderd en zo werd Heijn in 1610 schipper van de “Hollandia”. In 1611 keerde hij terug naar Holland met een kostbare lading kruidnagelen (waarde 100.000 guldens), die echter ging broeien en bij de Azoren overboord moest worden gezet om brand te voorkomen. In 1617 was Hein schipper op de “Neptunus”. Toen hij in 1618 met de “Neptunus” Venetië aandeed, werd hij met schip en bemanning geronseld door de Venetiaanse regering om te vechten in het conflict met het Koninkrijk Napels en Sicilië. Ook Johan Ernst van Nassau-Siegen, Melchior van den Kerckhove en Dirck Hartog waren in die tijd met een aantal schepen en 3000 man landtroepen, met instemming van de Staten Generaal, in Venetiaanse dienst. Deze republiek had ernstig te lijden onder Habsburgse, Spaanse en Uskokse aanvallen. Deze gedwongen dienst op de Adriatische Zee beviel kennelijk niet erg. In 1621 verliet Hein zijn schip (het zou pas in 1623 in Delfshaven terugkeren) en reisde over land naar huis.

 In november 1623 trad hij in dienst bij de pas opgerichte West-Indische Compagnie (WIC). Hij kreeg opdracht de stad Salvador da Bahia aan te vallen en kreeg kaapbrieven mee om schepen van vijandelijke mogendheden in beslag te nemen, ook wanneer het geen oorlogsschepen waren. Dat betekende dat hij van de Staten-Generaal der Nederlanden toestemming had om Spaanse en Portugese koopvaarders aan te vallen. Heijn voerde het bevel van in totaal drie expedities voor de WIC. Na het Twaalfjarig Bestand liep de oorlog erg slecht voor de Republiek en Brazilië bloeide als nooit tevoren. De Dertigjarige Oorlog sneed haar af van het Duitse achterland en Breda ging in 1625 verloren. De Habsburgers lieten een kapervloot opereren vanuit Lübeck ; en de teruglopende economie, zo vreesde men, stond op instorten. In reactie hierop werden er plannen bedacht om de vijand aan te tasten bij de bron, in Angola en Cacheu, om de aanvoer van slaven af te snijden. Een nieuw plan op 30 oktober behelsde eerst de aanval op het sterke Bahia, een beslissing waarbij de bewindhebbers Adriaen van der Goes uit Delft, Johannes de Laet uit Leiden, Albert C. Burgh, Kiliaen van Rensselaer en Samuel Blommaert een rol speelden.

Voor de eerste expeditie (1624-1625) werd hij op 2 november 1623 benoemd tot viceadmiraal, onder admiraal Jacob Willekens. Een vloot van 26 schepen bereikte op 8 mei 1624 de hoofdstad São Salvador da Bahia de Todos os Santos (Bahia) van de jonge Portugese kolonie Brazilië. De volgende dag al leidde Heijn persoonlijk de succesvolle bestorming door matrozen van het zeefort van de stad. De verdediging stortte ineen en de stad viel zonder slag of stoot in een dag in handen van een landingsmacht van soldaten.

Op 5 augustus 1624 vertrok Piet Heijn met zeven schepen uit São Salvador da Bahia - waar Willekens met de meeste andere schepen op 28 juli zeil naar Nederland had gezet - om vandaar uit São Paulo de Loanda (Luanda) in de Portugese kolonie Angola, destijds een belangrijke uitvoerhaven van slaven, te veroveren.  - Door het blokkeren van de slavenhandel hoopte men het hele plantagesysteem in Amerika lam te leggen. Zelf deed de WIC tot 1635 wel aan transport maar niet aan slavenhandel, die men eerst, na een onderzoek door een commissie, onethisch achtte. -  Omdat Heijn een andere vloot van drie schepen onder leiding van Filips van Zuylen miste, die ten noorden van de plaats was gelegen en die ervoor al een tevergeefse aanval op de stad had gedaan, besloot hij om dan zelf de stad maar aan te vallen op 30 oktober. De aanval mislukte echter, want vanwege de eerdere activiteiten van Van Zuylen was Luanda intussen enorm versterkt.

Op 21 november gaf Piet Heijn de blokkade op en probeerde vergeefs contact te leggen met het koninkrijk Congo, dat tevoren aangegeven had een bondgenootschap tegen Portugal te willen sluiten maar zich nu weer met de Portugezen verzoend bleek te hebben. Heijn zette op 2 februari 1625 weer zeil voor São Salvador da Bahia, waar hij op 18 april werd verrast door de aanwezigheid van de Portugese vloot van Don Fadrique de Toledo, die de stad aan het belegeren was. Heijn was veel te zwak om de stad te hulp te schieten en wist de Nederlandse hulpvloot van admiraal Boudewijn Hendrickszoon niet te vinden (die zou pas vijf weken later op 26 mei arriveren vanuit Nederland, niet op de hoogte van de herovering). Op 5 mei vernam Heijn dat de stad gevallen was en voer terug naar Nederland, waardoor ook de latere hulpvloot niet sterk genoeg zou zijn om São Salvador da Bahia te heroveren.

Voor de tweede expeditie (1626-1627) werd hij door de WIC op 28 maart 1626 benoemd tot admiraal en kapitein-generaal, met het militaire opperbe-vel van alle Nederlandse activiteiten in Amerika. Hij zou alleen ondergeschikt zijn aan Boudewijn Hendrickszoon, de Generaal ende Opperhooft van West- Indiën. In mei vertrok hij met een hulpvloot van negen schepen naar Cuba waar Hendrickszoon zich met de hoofdvloot bevond. Op 27 augustus vernam hij dat de laatste op 2 juli was overleden. Hij verplaatste zich naar de zuidpunt van Florida in de hoop dat alle Nederlandse vloten zich daar zouden verenigen om de Spaanse zilvervloot te onderscheppen. Op 9 september passeerde die inderdaad, maar Hein was nog niet versterkt zodat hij moest berichten: Het doet mij wee daer op gaan duinckend [denkend] soo schone occasy voorbij hebbe moeten gaen door het manckement van assestentie.

Hij zou ook nog deelnemen aan een succesvolle aanval op Rio de Janeiro samen met Willekens in 1626, maar na een dispuut over wie de leiding zou hebben, gingen de twee uit elkaar en voer Willekens terug naar Amsterdam.

Nog steeds geen contact gemaakt hebbende met de andere vloten vertrok Heijn hierop naar Brazilië, wat vanwege de heersende winden via een enorme omweg moest worden bereikt: de vloot voer eerst over de noord terug naar de Azoren, bereikte van daaruit in januari 1627 Sierra Leone en stak op 19 januari vanuit Afrika over naar de Braziliaanse kust die op 25 februari in zicht kwam. Met zijn negen schepen was hij te zwak om São Salvador da Bahia te hernemen maar hij viel een vloot van 26 Portugese schepen aan die op de rede lag en veroverde alle. Zijn eigen vlaggenschip, de Amsterdam, raakte echter vast op een zandbank en werd in de nacht vanuit de forten wrak geschoten zodat men het zelf maar in brand stak om te voorkomen dat het in handen van de vijand zou vallen. Heijn raakte in dit gevecht gewond door een musketschot in de linkerarm. Negen schepen werden prijsgenomen; de andere zeventien verbrand. Tot de buit behoorden 2564 kisten suiker en 1172 huiden. Twee slavenschepen die uit Angola aankwamen werden ook prijsgemaakt; de slaven werden vrijgelaten op het eiland Itaparica hoewel Hein ze tot zijn leedwezen niet tegen scheurbuik had kunnen behandelen omdat hij geen citrusvruchten had kunnen vinden. Hierop splitste Heijn zijn vloot om met verschillende smaldelen zuidelijker de verschillende Braziliaanse havens te teisteren. Zelf viel hij tussen 10 en 18 juni São Salvador da Bahia weer aan en organiseerde sloepenaanvallen tegen Portugese schepen die in kreken verborgen lagen. Opnieuw viel hem een rijke buit aan suiker in handen; één keer bleek een Portugees schip de terugweg afgesneden te hebben. Hein viel het aan en brandde het helemaal neer zodat de uitweg weer vrij was.

Op 25 augustus begon Heijn op de “Hollandia” en vergezeld door vijf andere schepen de terugtocht naar Nederland.

Hierop splitste Heijn zijn vloot om met verschillende smaldelen zuidelijker de verschillende Braziliaanse havens te teisteren. Zelf viel hij tussen 10 en 18 juni São Salvador da Bahia weer aan en organiseerde sloepenaanvallen tegen Portugese schepen die daar in kreken verborgen lagen. Opnieuw viel hem een rijke buit aan suiker in handen; één keer bleek een Portugees schip de terugweg afgesneden te hebben. Heijn viel het aan en brandde het helemaal af zodat de uitweg weer vrij was.

Op 25 augustus begon Heijn op de “Hollandia” en vergezeld door vijf andere schepen de terugtocht naar Nederland. Op 26 oktober verscheen hij onverwacht voor de Kamer van de WIC te Amsterdam om meteen verslag te doen. Opnieuw kreeg hij van de Staten-Generaal een gouden ereketting en opnieuw was er geen grote publieke belangstelling voor zijn verrichtingen.

 Voor zijn derde expeditie (1628-1629) behield Piet Heijn de titels van kapitein-generaal en admiraal. Zijn tweede man was echter de oudere luitenant-admiraal Hendrick Lonck, die dus anciënniteit had. In de 17e eeuw lag, ook in de burgerlijke Republiek, het rangonderscheid altijd uiterst gevoelig. Iedereen lette steeds goed op of hij overeenkomstig zijn positie - en dus niet "min-achtend" - werd behandeld om statusval te voorkomen. Om die gevoeligheden te ontzien, noemde Heijn zich op deze expeditie systematisch "generaal" en Lonck was dan de "admiraal". De WIC zond in 1628 maar liefst drie vloten naar Amerika. Dirck Symenszoon Uitgeest viel Brazilië aan met twaalf schepen; Pieter Adriaenszoon Ita ging met een even groot aantal vast voorop naar de Caraïben. Heijn vertrok met 31 schepen en 4000 man op 13 april met het uitdrukkelijke doel de Spaanse schatvloot te onderscheppen, die onder meer met zilver, indigo en cochenille beladen onderweg was naar Spanje. Zijn vlaggenschip was de “Amsterdam” met vijftig kanonnen; zijn vlaggenkapitein de latere viceadmiraal Witte de With. Viceadmiraal en derde man was Joost van Trappen Banckert van de Zeeuwse Kamer van de WIC, de vader van de latere luitenant-admiraal Adriaen Banckert. Hoewel met Heijn, De With en Banckert (de "gesel der Spanjaarden") drie van de grootste vechtjassen uit de Nederlandse maritieme geschiedenis op één vloot verenigd waren, had de expeditie meer door geluk dan dapperheid succes.

Omdat de plannen al in een vroeg stadium door de corruptie van de klerken waren uitgelekt, keek heel Europa gespannen toe of het Heijn zou lukken. De Spaanse Terra Firma-vloot uit Zuid-Amerika die het zilver uit Peru moest vervoeren, bleef in de havens liggen toen het duidelijk werd dat Heijn inderdaad in het gebied aanwezig was.

De Spaanse St-Jacobsvloot uit Mexico werd echter niet op tijd gewaarschuwd en voer uit naar Cuba, waar een storm een gedeelte naar de Nederlandse vloot dreef die in de buurt van Havana al een tijd te wachten lag en bijna op het punt stond terug te keren. Op 8 september (juliaanse kalender) vielen vijftien schepen vrijwel zonder gevecht in Heijns handen; tijdens de hele expeditie verloor hij slechts 150 man door ziekte en desertie.  

Deze overval, de Slag in de baai van Matanzas, leverde 11.509.524 guldens op (na aftrek van de kosten kennelijk zo'n zeven miljoen want de stadhouder had recht op 10% van de winst en kreeg volgens een latere opgaaf van Johan de Witt 700.000 guldens), een gigantisch bedrag voor die tijd: het equivalent in koopkracht van ruwweg een half miljard euro in huidig geld, terwijl de Nederlandse economie toen ongeveer twee orden van grootte kleiner was dan de huidige. Piet Heijn werd daarvoor beloond met zesduizend guldens en de bemanningsleden met elk 200 gulden, wat zelfs tot oproer leidde. De verovering leverde Piet Heijn de grote faam op in Nederland die tot de dag van vandaag voortduurt. {Met de opbrengst van dergelijke goud- en zilvertransporten bekostigde Spanje de strijd tegen de Nederlandse opstandelingen (Tachtigjarige Oorlog)}.

Toch waren er ook indirecte nadelen voor de Zeven Verenigde Nederlanden: als centrum van het ontluikende hoogkapitalisme waren ze kritisch afhankelijk van een onbelemmerde werking van de geldpomp die de zilvertransporten voor de wereldhandel waren. Het even vasthouden van het zilver veroorzaakte een dip in de wereldeconomie. Dat besefte toen echter niemand en het hele volk maakte zich op voor een heldenontvangst van Piet Heijn.  

Op 17 september1628 begon Piet Heijn aan de overtocht naar Nederland. Het adviesjacht “Ooievaar” van kapitein Salomon Willemszoon snelde vooruit en bereikte op 15 november Rotterdam. De volgende dag deed de kapitein kond aan Staten-Generaal en stadhouder; de overmaat van vreugde was zo groot dat zowel Staten als prins hem een gouden ketting toezegden voor het enkele feit dat hij de boodschapper was van zo'n goed nieuws. Men probeerde het nog geheim te houden maar op 17 november had drukker Jan van Hilten al de primeur.

Ondertussen was Piet Hein nog lang niet thuis. De Spaanse koning had al uit voorzorg een grote vloot bijeengebracht in Cádiz maar durfde die niet zo laat in het jaar de oceaan op te sturen. Hij zette al zijn hoop dus maar op zijn Duinkerker Kapers. Om de doorgang door Het Kanaal vrij te houden voer commandeur Johan Evertsen uit met een Zeeuws smaldeel. Geteisterd door stormen en scheurbuik bereikte Heijns vloot op 3 december 1629 Land's End waar Evertsen hem opwachtte met drie schepen en het kwade bericht dat hij zich door 27 Duinkerkse kapersschepen had moeten heenvechten.

Luitenant-admiraal Filips van Dorp was, hoewel al kruisend op volle zee, met tien schepen zonder slag te durven leveren teruggekeerd naar Vlissingen, wat deze nog zwaar aangerekend zou worden. Heijn besloot hierop de haven van Falmouth (Engeland) binnen te vallen; vijf afgedwaalde schepen kwamen na felle gevechten op eigen houtje behouden thuis.

De WIC wist te melden dat men van Karel I van Engeland nog een persoonlijke toezegging had gekregen dat Engeland het geldende assistentieverdrag normaal zou nakomen, maar Heijn had daar weinig vertrouwen in en lag met geladen kanons en brandende lonten in de haven. Toch wisten de Engelsen tot verbazing van alle gezanten, die het tegenovergestelde hadden voorspeld, de verleiding te weerstaan. Wel ontstond er een diplomatieke rel over de vraag of Heijn 277 pond en zes schelling invoerrechten moest betalen over een partij huiden die hij om schade te voorkomen aan land had laten zetten. De admiraal hield voet bij stuk, bleef wachten tot hij gelijk kreeg en stak pas op 3 januari 1629 in zee om op 9 januari het Goereese Gat  binnen te zeilen.

Bij zijn terugkeer werd Piet Heijn in Amsterdam, Haarlem en Leiden als een held binnengehaald. Er waren vele eremaaltijden en publieke huldigingen, die luister werd bijgezet door openbare feestelijkheden met vuurwerk.

Op 16 maart kwam het de Staten-Generaal ter ore dat er onoverbrugbare tegenstellingen waren ontstaan tussen Heijn en de Heren Negentien.  

In allerijl werd er een verzoeningscommissie benoemd die echter op 21 maart moest melden dat de onderhandelingen alsnog stuk waren gelopen op de exorbitante eisen die Heijn stelde aan zijn bevelhebberschap: hij wilde volledige vrijheid van handelen, 1500 guldens de maand en bewindhebber worden van de Admiraliteit van Amsterdam.

Op 26 maart 1629 werd van Lonck als zijn opvolger bij de WIC benoemd; maar dezelfde dag werd Hein beëdigd als luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland, dus in dienst van de Hollandse Staten. Frederick Hendrik had dit zo geregeld. Dit betekende ook dat hij bevelhebber was van de confederale vloot, als eerste niet-adellijke admiraal en opvolger van de plaatsvervangende bevelhebber, de edelman Van Dorp, die zelf admiraal Laurens Reael verving. Als zodanig diende hij meteen een tienpuntenplan in ter verbetering van het marinebestuur. Veel van zijn hervormingsvoorstellen werden echter door de vijf admiraliteiten afgewezen.

Heijn verhuisde nu naar Delft. Op 29 mei vertrok hij met een eskader uit Hellevoetsluis, met zijn schip de “Vliegende Groene Draeck”, tegen de Duinkerker Kapers. Die bleken zich echter nog niet op zee te bevinden.

Op 17 juni onderschepte hij echter drie Oostender kaperschepen. Zoals zijn gewoonte was schoof hij zijn schip tussen twee kaperschepen in, toevallig die van de admiraal (Jacob Besage) en viceadmiraal van de Oostendse vloot, om ze beiden tegelijkertijd de volle laag te geven. In dit geval liep het slecht af. Een achtpondskogel raakte hem na een half uur in de linkerschouder en hij was op slag dood. Dat het gevecht niet verloren ging, maar de Nederlandse vloot toch succes opleverde was te danken aan de vlaggenkapitein van het admiraalsschip, Maarten Harpertszoon Tromp. Deze zou later uitgroeien tot een belangrijk admiraal. Twee kaperschepen werden genomen en de bemanningen ervan werden op last van Tromp ter plekke opgehangen. Het derde kaperschip met het lijk van Jacob Besage, de Oostendse kaperskapitein die in dezelfde strijd sneuvelde, aan boord kwam zwaar gehavend terug naar Oostende.

Piet Heijn werd op 4 juli 1629 met grote eer begraven in de Oude Kerk in Delft. Pas in 1638 kwam na lang aandringen van de weduwe op staatskosten het beloofde marmeren praalgraf klaar, meestal toegeschreven aan Pieter de Keyser. Veel later, in 1870, is in Delfshaven een zandstenen beeld geplaatst, een werk van de Bossche beeldhouwer Joseph Graven. eijns opvolger was toch weer de algemeen als incompetent beschouwde Van Dorp.        

Piet Pieterszoon Heyn, 1629.

Een kopie naar een verloren gegaan origineel uit 1625 van Jan Daemen Cool (schilder).   


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Rembrandt van Rijn

TOP

Matanzas ligt aan de noordkust van Cuba, ten oosten van Havana. In deze haven/baai nam Piet Heyn de Spaanse zilvervloot van 15 schepen in beslag.

Auteur: Hanhil

De Zilvervloot. Piet Hein neemt de Spaanse zilvervloot in beslag.

(auteur en bron: onbekend)