Gouden Eeuw - VOC

- Rembrandt - Spinoza -

De samenleving in Nederland werd veel minder door het feodalisme gekenmerkt dan in andere landen en hierdoor was de arbeidsmarkt veel vrijer. Een andere factor die ervoor zorgde dat de economie zo goed liep, was het feit dat er in de Republiek een uitgebreide markt bestond voor het lenen en uitlenen van geld. Hierdoor konden mensen, bedrijven of de staat, die graag investeringen of uitgaven wilden doen, gebruikmaken van het gespaarde geld van iemand anders. Deze financiële markt vergemakkelijkte dan ook het doen van investeringen in potentieel winstgevende bedrijven of staatsorganisaties (zoals de VOC).

Fluitschip

Een derde reden voor de economische voorspoed was de technologische voorsprong die de Republiek tijdens de Gouden Eeuw op veel andere landen had. Doordat de Republiek een relatief diverse, open en tolerante samenleving kende, was het gemakkelijker om ideeën en uitvindingen te ontwikkelen. Op bijna ieder terrein liep de Republiek voor op het buitenland. Een bekend voorbeeld van zo'n 'noviteit' is het fluitschip, dat de Nederlandse zeevaarders een groot voordeel gaf ten opzichte van veel andere zeevarende landen.

Een laatste belangrijke oorzaak voor de economische voorspoed was de spilfunctie die Amsterdam kreeg in de wereldhandel. In Amsterdam begon er langzamerhand een stapelmarkt te ontstaan, waarbij bijna alle informatie, goederen en diensten op een relatief kleine plek aanwezig waren.

Gedurende een groot deel van de zeventiende eeuw domineerden Nederlanders, traditioneel kundige zeevaarders en kaartenmakers, de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden. Nederland heeft deze dominante positie binnen de wereldhandel ongeveer anderhalve eeuw weten te handhaven.

Op economisch gebied was er de omvang en doelmatigheid van scheepvaart en handel, en de hoge ontwikkeling van industrie en financiële instellingen. Bezoekers prezen de ordelijkheid en reinheid van de mooie steden, de verdraagzaamheid op godsdienstig en intellectueel gebied, de wees-, armen- en ziekenhuizen, de gevangenissen en de geringe criminaliteit. Opmerkelijk was in hun ogen de inperking van de macht van de kerken, het gezag dat een staat geregeerd door burgers uitoefende over het leger, de overvloed aan wetenschappelijke collecties, bibliotheken en uitgevers, en ook de prestaties op het gebied van kunst, wetenschap en filosofie.




Buitenlanders waren doorgaans geschokt door de veelheid aan kerken, de overmatige vrijheid die vrouwen, personeel en joden genoten, de burgerlijkheid en het ontbreken van hiërarchie. Het kostte buitenlandse bezoekers moeite om dienstmeisjes als zodanig aan hun kleding te herkennen. Edelen vonden het choquerend dat mensen van mindere stand het woord tot hen richtten. De Verenigde Provinciën werden veelal beschouwd als een broeinest van wanorde.

De Republiek was de leidende technologische macht: trekschuit, straatverlichting, nieuwe sluizen, scheepsbouwmethoden, weefgetouwen, houtzaagmolens, andere windmolens trokken bezoekers zoals Tsaar Peter de Grote aan.

Streven naar "vrijheid" was een motief voor de Opstand geweest. Nergens was er zo'n "vrije en veilige staat", schreef Romeyn de Hooghe, schilder en propagandist van Willem III in 1703. Dit neemt niet weg dat vooruitstrevende denkers als Hugo de Groot, Episcopius, Spinoza, Descartes en anderen op de grenzen van deze vrijheid stuitten. Toch roemden ze de relatief grote vrijheid. Descartes schreef dat er geen ander land was "où l'on puisse jouir d'une liberté si entière" (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten).

Hoewel cultuur ook in de Republiek in de eerste plaats een zaak was van de welgestelden, kon een relatief groot deel van de bevolking er deel aan nemen. Velen konden zich de aanschaf van een schilderij permitteren. Velen hadden een bijbel en psalmboeken in hun bezit. Daarnaast waren er allerlei vormen van goedkoop drukwerk, zoals pamfletten.

De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe culturele ontwikkelingen, en dan overwegend in de westelijke provincies: eerst en vooral in Holland, in mindere mate in Zeeland en Utrecht. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs.

Centra van cultureel-literaire activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden, en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze.





Kunstvormen


In de 17e eeuw verplaatste het centrum van literaire activiteit zich van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden. Dit was deels het gevolg van het feit dat veel kunstenaars en intellectuelen tijdens de Tachtigjarige Oorlog, en vooral na de val van Antwerpen in 1585 de Spaanse overheersers ontvluchtten.

Verhaallijnen werden ontleend aan de bijbel en de vaderlandse geschiedenis. Het bekendste stuk uit deze tijd is de Gijsbrecht van Aemstel, in 1637 geschreven door Joost van den Vondel. Het stuk is gesitueerd in het Amsterdam van rond 1300, en verhaalt van de rampen die de stad in haar bestaan bedreigden na de dood van Floris V. De Gijsbrecht werd eeuwenlang jaarlijks op nieuwjaarsdag in Amsterdam opgevoerd, een traditie die tot 1968 stand hield (foto links)

Meer dan andere kunstvormen zou de literatuur door de barok beïnvloed worden. Naarmate de 17e eeuw vorderde nam het niveau van de literaire productie af. Schrijvers begonnen hun voorgangers te imiteren. Ook werden literaire stijlen steeds meer geformaliseerd.

De vermaardste literatoren van de 17e eeuw waren Gerbrand Adriaenszoon Bredero, Jacob Cats, Pieter Corneliszoon Hooft en Joost van den Vondel.

Ook de architectuur beleefde hoogtijdagen in de Gouden Eeuw. De bloeiende economie had tot gevolg dat de steden sterk in omvang toenamen. Er werden nieuwe stadhuizen en pakhuizen gebouwd. Veel steden lieten ook een nieuwe waag bouwen. Kooplieden die een fortuin vergaard hadden, gaven opdracht tot de bouw van een nieuw pand, met rijk geornamenteerde gevel, langs een van de vele nieuwe grachten, die voor transport- en verdedigingsdoeleinden waren gegraven. Ook werden nieuwe landhuizen gebouwd, maar niet in grote aantallen.

Vooral tussen 1647 en 1672 werd op grote schaal gebouwd. Na enkele decennia van soberheid verrezen nu de meest monumentale bouwwerken, met uitbundige ornamenten. Dit gebeurde niet alleen in Amsterdam, maar ook in 's-Gravenhage, Leiden en Haarlem. Juist in deze decennia werden veel nieuwe grachten aangelegd. De invloed van de Nederlandse kunsten op de Europese cultuur bereikte een hoogtepunt.In het begin van de 17e eeuw overheersten nog de stijl van de late gotiek, gecombineerd met renaissancemotieven.

Na enkele decennia nam de invloed van het Franse classicisme sterk toe: de nadruk werd gelegd op verticale elementen, het gebruik van ornamentatie nam af, natuursteen kreeg de voorkeur boven baksteen. In de laatste decennia van de 17e eeuw werd deze soberheid meer en meer benadrukt. Rond 1670 was de ingang van een huis het meest opvallende kenmerk van een gevel geworden, met zuilen aan weerszijden en mogelijk een balkon erboven, maar geen verdere decoratie.

De meest vermaarde Nederlandse architecten van de 17e eeuw waren Jacob van Campen, Lieven de Key en Hendrick de Keyser.

Schilderijen die werkelijke historische gebeurtenissen afbeelden, maar ook voorstellingen van Bijbelse, mythologische, literaire en allegorische voorstellingen waren in. Minder dan in omringende landen, waar de adellijke of geestelijke opdrachtgevers vaak aanstuurden op het inboezemen van ontzag bij de kijker, schilderde men in Nederland grote, dramatische, historische of Bijbelse voorstellingen. In plaats daarvan legden schilders, voornamelijk in de noordelijke Nederlanden, zich toe op het beroeren van de kijker door hem of haar deelgenoot te maken van een tafereel van diepgaande intimiteit.

Zo zijn Rembrandt en Rubens representatieve voorbeelden van de grote verschillen in stijl tussen schilders uit de Republiek, de noordelijke provincies, enerzijds en Vlaanderen, de zuidelijke provincies, anderzijds.

Veel belangrijke Nederlandse schilders zijn geïnspireerd en beïnvloed, althans in hun beginjaren, door Italiaanse voorbeelden. Kopieën van Italiaanse meesterwerken circuleerden hier. Deze suggereerden bepaalde compositorische schema's. Ook de behandeling van licht en donker (chiaroscuro), waar de Nederlanders zelf absoluut meesters in zouden worden, was voor een deel terug te voeren op Italiaanse voorgangers zoals Caravaggio. Ook trok men zelf naar Italië om de voorbeelden met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Als een speciale schakel fungeerden de Utrechtse caravaggisten zoals Hendrick ter Brugghen, Dirck van Baburen en Gerard van Honthorst.

Geschilderde portretten waren in de 17e eeuw in de Nederlanden zeer gewild. Rijke handelaren en patriciërs lieten zich graag afbeelden. Ook werden veel opdrachten geplaatst door de vooraanstaande leden van een schutterij of bestuursorgaan.

 


Schuttersstukken


Vooral in de eerste helft van de eeuw waren portretten erg formeel, en strak van opbouw. Vaak zat een groep rond een tafel, en was ieders blik naar de toeschouwer gericht. Kledij werd zeer minutieus afgebeeld. Dit gold ook voor meubels en eventuele andere objecten, om zo de maatschappelijke positie van de geportretteerde te onderstrepen. Later in de eeuw werden groepstaferelen levendiger en de kleuren helderder.

Wetenschappers poseerden vaak gezeten tussen hun instrumentarium en studieobjecten. Artsen werden meermalen afgebeeld tijdens een 'anatomische les': gegroepeerd rond een lijk, terwijl een van hen college gaf. De beroemdste hiervan is de Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp (1632, Mauritshuis, Den Haag).

Bestuursraden zagen zich graag afgebeeld rond een tafel, ernstig kijkend. De sobere donkere kledij benadrukte enerzijds hun gestrengheid en nederigheid, maar maakte door zorgvuldig gepenseelde verfijning en snit toch duidelijk dat zij niet tot de minsten behoorden. Families lieten zich graag vereeuwigen in hun luxueuze huizen.

Vooral in Amsterdam en Haarlem werden veel schuttersstukken vervaardigd. De opdrachtgevers poseerden als machtige, joyeuze, zwierige mannen van de wereld. Ook hier eerst weer veel gezelschappen die rond een tafel gezeten waren. Later werd de mise en scène dynamischer. Het bekendste schuttersstuk is De Schutterscompagnie van kapitein Frans Banning Cocq, beter bekend als De Nachtwacht (1642, Rijksmuseum, Amsterdam). In Amsterdam zouden de meeste schuttersstukken uiteindelijk in het bezit van de gemeente komen. Veel daarvan zijn nu onderdeel van de vaste collectie van het Amsterdam Museum. De Haarlemse schuttersstukken bevinden zich bijna allemaal in het Frans Hals Museum. Maar liefst 18 van de 20 bewaard gebleven Haarlemse schuttersportretten zijn daar te bewonderen. Vijf daarvan zijn vervaardigd door Frans Hals: kolossale doeken, die samen 68 individuele portretten tonen, geschilderd in de fameuze, in de loop der tijd steeds lossere en virtuozere schilderstijl die Hals' handelsmerk was.

Bij veel groepsportretten betaalde iedereen die afgebeeld wilde worden de schilder apart, die dan de plaats van de persoon op het schilderij liet afhangen van de bijdrage: met een royale betaling kon met zich van een plaats op de voorgrond verzekeren, en werd men in vol ornaat van hoofd tot voeten uitgebeeld; had men bescheiden bijgedragen, dan figureerde men al gauw op de achtergrond, het hoofd nog net zichtbaar tussen omstanders.



Ook het schilderen van landschappen was een geliefde bezigheid in de 17e eeuw. In het begin van de Gouden Eeuw werd veel geschilderd in de stijl van 16e-eeuwse voorgangers uit de Zuidelijke Nederlanden, in het bijzonder in Antwerpen. Deze Vlamingen en Brabanders hadden weinig belang gehecht aan realisme. Doeken werden vaak in het atelier vervaardigd en waren deels aan de fantasie ontsproten. Dit zou nu spoedig veranderen: men ging nu schilderen wat men zelf waargenomen had, vaak aan de hand van schetsen die op locatie gemaakt waren. De horizon werd nu vaak laag gehouden, waardoor er meer ruimte kwam voor de karakteristieke Hollandse wolkenluchten die men indrukwekkend vond, met hun geheel eigen licht. Duinformaties behoorden tot de favoriete onderwerpen, maar ook rivierlandschappen met brede uiterwaarden, waar koeien op graasden, een silhouet van een stad op de achtergrond.

Ook winterlandschappen maakte men graag. Natuurlijk was ook de zee een onuitputtelijke bron van inspiratie. Tenslotte leefden veel Nederlanders van de vruchten van de zee of van overzeese handel, was de zee regelmatig een geduchte tegenstander, waaraan toch allengs meer land ontfutseld werd, maar ook dikwijls een, nochtans grillige, bondgenoot als Hollandse zeehelden hun triomfen vierden. Grote doeken verhaalden van beroemde zeeslagen, van een Hollandse marine op de toppen van haar kunnen.

Ook architectuur fascineerde de Nederlanders, in het bijzonder van kerken. Schilders legden interieur of exterieur van een gebouw zo nauwgezet mogelijk vast. Naarmate de eeuw vorderde werden nieuwe inzichten in de werking van het perspectief enthousiast toegepast.

Vooral stillevens boden een schilder (en een enkele schilderes) de gelegenheid om zijn/haar kundigheid te etaleren in het overtuigend en zeer gedetailleerd en met realistische lichteffecten afbeelden van texturen en oppervlakken. Allerlei soorten drank en etenswaar, uitgestald op een tafel, zilveren bestek, fijn tafellinnen dat in plooien afhing, dit alles vormde een uitdaging voor fijnschilders. Vooral schilders uit Leiden blonken in dit genre uit. Stillevens werden ook vaak in opdracht gemaakt. Rijke mensen wilden op zo'n stilleven graag hun waardevolle bezittingen terugzien, zodat ze hiermee pronken konden. Er werd veel gebruikgemaakt van symboliek in de stillevens. In stillevens letten de kunstenaars ook goed op de goede stofuitdrukking. Ze wilden het zo realistisch mogelijk laten lijken. Tot de vermaardste Nederlandse schilders uit de 17e eeuw behoren Ferdinand Bol, Albert Cuyp, Gerrit Dou, Carel Fabritius, Govert Flinck, Jan van Goyen, Frans Hals, Pieter de Hooch, Pieter Pieterszoon Lastman, Jan Lievens, Nicolaes Maes, Gabriël Metsu, Adriaen van Ostade, Paulus Potter, Rembrandt Harmenszoon van Rijn, Pieter Jansz. Saenredam, Jan Steen en Johannes Vermeer.



In de 17e eeuw maakte men graag muziek in de huiselijke kring. Bekende instrumenten waren: de luit, het klavecimbel, de viola da gamba en de traverso. Er werden veel liederenboeken uitgegeven. Muzikale invloeden uit Engeland, Frankrijk en Italië voerden de boventoon in de Nederlandse muziek. Vanaf het midden van de eeuw werden meer en meer lyrische drama's, balletten en opera's opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg, die in 1638 geopend was. De afkeer die calvinisten hadden van frivoliteit belemmerde de vrije ontwikkeling van muziek, en orgelmuziek werd uitgesloten van diensten in de gereformeerde kerken. Als gevolg daarvan zou de talentrijke organist-componist Jan Pieterszoon Sweelinck meer invloed uitoefenen in Duitsland dan onder zijn eigen landgenoten. Andere vermaarde Nederlandse componisten uit de 17e eeuw waren Constantijn Huygens en Jacob van Eyck.

De intellectuele ruimdenkendheid en verdraagzaamheid trok denkers aan uit heel Europa. Vooral de gerenommeerde universiteit van Leiden werd voor hen een ontmoetingsplaats. Opvallend aan de wetenschapsbeoefening ten tijde van de Gouden Eeuw is haar veelal praktische karakter.

Het intellectueel debat liep in de Republiek voor op dat in de omringende landen. Zo leefde en werkte de Franse wis- en natuurkundige en filosoof René Descartes in Nederland van 1628 tot 1649, onder meer in Leiden en in Utrecht. Descartes publiceerde in de Republiek zijn belangrijkste werken.

Christiaan Huygens was een beroemd wiskundige, natuurkundige en sterrenkundige. Hij vond het slingeruurwerk uit, waarmee de tijd nauwkeuriger kon worden gemeten. Aan de hand van zijn astronomische waarnemingen verklaarde hij de ringen van Saturnus. Hij bedacht de golftheorie van het licht en droeg veel bij aan mechanica.

In 1609 werd in Middelburg de zogenaamde Hollandse kijker (een eerste verrekijker) door Zacharias Jansen of Hans Lippershey gebouwd. Deze ontdekking baarde groot opzien en werd in eerste instantie gedacht als oorlogswapen. Al snel vond zij ook echter ook toepassing in de astronomie. Galileo Galilei ontdekte reeds een jaar later, in 1610, met zijn telescoop, een verbeterde versie van het Zeeuwse apparaat, vier van de manen van Jupiter. Ook werden twee soorten microscopen in Nederland uitgevonden: de samengestelde microscoop door Zacharias Jansen en een afwijkend type met kraallens door Antoni van Leeuwenhoek. Met zijn systematische waarnemingen van micro-organismen legde van Leeuwenhoek de basis voor de celbiologie. Jan Swammerdam verbeterde de microscoop en ontdekte onder meer de rode bloedcellen.


Belangrijke Nederlandse waterbouwkundige ingenieurs waren Simon Stevin, die tevens wiskundige was en het decimale stelsel voor breuken ontwierp, dat het mogelijk maakte met gebroken getallen veel sneller te rekenen. Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650) voerde diverse grote inpolderingsprojecten uit, zoals van de Beemster, ter bestrijding van overstromingen en om land te winnen.

Ook weer als gevolg van het tolerante klimaat maakten uitgeverijen (onder meer Elsevier) een grote bloeiperiode mee. Veel boeken over religie, filosofie en wetenschap die in andere landen controversieel werden gevonden werden daarom in Nederland gedrukt en heimelijk naar het buitenland uitgevoerd. Aldus werden de Lage Landen in de 17e eeuw allengs meer de uitgever van Europa. Toch heerste er voor Nederlandstalige publicaties een streng regiem ten aanzien van afwijkingen van de officiële gereformeerde leer, en hanteerden overheden, zoals Johan de Witt, de censuur.

Ook buiten Europa ging het de Republiek voor de wind. De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de Nederlandse West-Indische Compagnie verkregen niet alleen het monopolie op de specerijenhandel, ook beheersten hun schepen de wereldzeeën. Dit was zeer tegen de zin van Engeland, dat na-ijverig was op het economisch succes van de Republiek. Hoewel zij allebei tegen de Spanjaarden gevochten hadden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, stonden de twee landen lijnrecht tegenover elkaar toen de Republiek een groot koloniaal rijk veroverde. Dit leidde tot de Engelse oorlogen.

Korte tijd leek de Republiek zeer succesvol in Brazilië. De Nederlanders waren erin geslaagd de kust tussen de monding van de Amazone en de São Francisco (een rivier ten zuiden van Recife) op de Portugezen te veroveren. Onder gouverneur-generaal Johan Maurits van Nassau-Siegen (1637-1644) was de lucratieve suikerhandel grotendeels in Nederlandse handen.

Curaçao werd veroverd in 1634. In 1648 waren ook Aruba en Bonaire in Nederlandse handen. Een veelbelovende kolonie in Noord-Amerika was Nieuw-Amsterdam.


Ook de prominente rol die Nederland later zou spelen in de slavenhandel was het gevolg van een reeks veroveringen op de Portugezen. Handelsroutes van slaven liepen in de zeventiende eeuw grotendeels via Elmina in Ghana (Goudkust) naar Brazilië en de Caribische eilanden. Elmina werd in 1637 veroverd, Axim in 1642. In 1641 werd onder aanvoering van Pieter Cornelisz. Jol ook Angola veroverd.

De politieke structuur van de Republiek kreeg haar beslag tussen 1572 en 1609. In de beginjaren van de nieuwe staat was het aanvankelijk onduidelijk en een punt van discussie of voor een republikeins dan wel voor een monarchistisch staatsbestel gekozen zou worden. De Staten van Holland waren in meerderheid voorstander van een staat zonder vorst. Gezien de dominante positie van Holland is het niet verwonderlijk dat de voorstanders van een republiek aan het langste eind trokken. Binnen de context van Europa als geheel was het een opmerkelijke en ook revolutionaire keuze.

Johan van Oldenbarnevelt heeft in hoge mate een stempel gedrukt op het politiek bestel zoals dat tijdens de eerste decennia na de moord op Willem van Oranje vorm kreeg. Hij was ontegenzeggelijk de politieke leider; de fundamentele beslissingen wat betreft het buitenlands beleid werden door hem genomen. Steeds stond voor Van Oldenbarnevelt het belang van Holland voorop. Onwillige provincies werden vroeg of laat tot de orde geroepen. In financieel opzicht waren alle gewesten van Holland afhankelijk.

Ondanks het feit dat pas de Vrede van Utrecht in 1713 definitief afbreuk deed aan de rol van grote mogendheid , die de Republiek gedurende de gehele zeventiende eeuw had gespeeld, was de economische neergang al vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw zichtbaar. Dat wil zeggen: nadat de Nederlandse economie tussen 1647 en 1672 haar hoogtepunt had bereikt, verloren de Nederlanders nu gaandeweg terrein. Zij bleven de wereldeconomie, de handel in het bijzonder, echter beheersen tot ~1720.

De overzeese specerijenhandel en de aanleiding tot en de oprichting van de VOC

Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië.

Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de financiering van de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders.

Vereenigde Oostindische Compagnie - VOC- in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie, afgekort tot VOC (1602 - 1798/1799), was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen. In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde.

De VOC werd in 1602 opgericht. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten met oosterse potentaten en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken. De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat.

Binnen de Aziatische factorijen en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen.

De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen toenmalige guldens. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf, machtssymbool van het "oude regime", in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799.

Een Fluitschip of Fluit (Fluytschip, Fluyt) is een Hollands lang scheepstype met drie masten, een platte bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. Het fluitschip ontstond in Noord-Nederland aan het einde van de 16e eeuw uit experimenten met het verlengen van bestaande schepen. Kenmerkend waren een rond, versierd achterschip en een invallend bovenboord, dat het schip zijn peervorm gaf. Voor die vorm was een belangrijke economische reden: aan de Sont werd tol geheven. De hoogte van de Sonttol hing af van de breedte van het dek. Door het smalle dek boven het brede ruim kon een maximale lading tegen een minimale tol worden vervoerd. Deze manier om tol te berekenen bleef tot 1669 in gebruik. Schepen die daarna werden gebouwd kregen een breder dek. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.  In de Gouden Eeuw bestond tot tachtig procent van de zeeschepen uit fluiten.

De Sont (Deens: Øresund, Zweeds: Öresund) is een van de drie zeestraten die het Kattegat (en daarmee de Noordzee) verbindt met de Oostzee, en scheidt het Deense eiland Seeland van het Zweedse Skåne. De doorgang is op zijn nauwst 4,5 kilometer. Het is een van de drukst bevaren waterwegen in de wereld. Alle buitenlandse schepen die de Sonttol passeerden moesten in Helsingør tol betalen aan de Deense kroon. Indien een schip weigerde te betalen, werd het vuur geopend vanuit Kasteel Kronborg, dat in 1420 speciaal voor dat doel was gebouwd.

De West-Indische Compagnie -WIC- werd op 3 juni 1621 opgericht naar het voorbeeld van de VOC. Officieel: Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC). In de 17e en 18e eeuw bezat de WIC het staatsmonopolie op de handel en scheepvaart op West-Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika, alsmede op alle eilanden tussen Newfoundland en Straat Magelhaan. Het meest belangrijk was de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. De achterliggende doelstelling en strategie waren de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in Afrika en Zuid-Amerika. De WIC kreeg van de Staten-Generaal der Nederlanden de opdracht de oorlog met Spanje uit te breiden naar zee, zodat de aandacht van Spanje werd afgeleid van de Republiek.

Anders dan de VOC had de WIC niet het recht om militairen in te zetten. Daarvoor was toestemming van de Staten-Generaal der Nederlanden nodig. De kaapvaart werd een van de belangrijke doelstellingen van de WIC. Het bewapenen van de handelsschepen met kanonnen en soldaten om zich te verdedigen tegenover Spaanse schepen was daarbij van groot belang. Op bijna alle schepen in 1623 gingen 40 à 50 soldaten mee, voor een niet nader genoemde bestemming, mogelijk ter assistentie bij kapen van vijandelijke schepen.

De verovering van de Zilvervloot in 1628 door Piet Hein spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. "Over de verdeling van de opbrengst ontstond uiteraard grote ruzie, iedereen was ontevreden over zijn aandeel.

Toen de WIC in 1674 door grote financiële problemen haar schulden niet meer kon aflossen, werd het bedrijf ontbonden. Maar vanwege grote vraag naar handel met het westen (voornamelijk handel in slaven), en het feit dat er nog veel koloniën aanwezig waren werd er besloten de Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie (ook wel Nieuwe West-Indische compagnie genoemd) op te richten in 1675. Deze had hetzelfde handelsgebied als de eerste. Alle schepen, vestingen e.d. werden door het nieuwe bedrijf overgenomen.


Cultuur

Kunstschilders

Landschappen - stillevens

Muziek - wetenschap

Staat zonder vorst- republiek

Willem Bartjens (Amsterdam, 1569 - 1638) was een schoolmeester die bekend is geworden door zijn rekenboek "De Cijfferinghe van Mr. Willem Bartjens".

In 1591 opende Bartjens een Franse school in de Amsterdamse Pijlsteeg, waar hij het gebruikelijke onderwijs gaf in rekenen, lezen, godsdienst, Frans en vaderlandse geschiedenis. In 1604 publiceerde hij zijn rekenboek. Gedurende twee eeuwen verscheen een groot aantal drukken, herdrukken en roofdrukken. De tweede, zogenaamd vernieuwde druk verscheen in 1633; de laatste druk in 1839. Van de eerste druk is uiteindelijk een exemplaar teruggevonden in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. In 2004, precies vier eeuwen na de eerste publicatie, is dit exemplaar in facsimile heruitgebracht.

Bartjens leefde lange tijd in Zwolle en woonde daar in de Praubstraat (Fraterhuis). Hij gaf les aan de Franse school in Zwolle. Als eerbetoon aan de schoolmeester is er in Zwolle jaarlijks een Groot Zwolsch Bartjens Rekendictee.

Bartjens leeft in de Nederlandse taal nog altijd voort in de uitdrukking: "Volgens Bartjens...". Dit geeft aan dat een berekening of een zin kloppend of logisch is, verwijzend naar het door hem geschreven rekenboek.

Willem Jansz. Blaeu was een Nederlandse cartograaf en globemaker. Hij legde zich toe op het maken en verkopen van globes, in diameter variërend van 10 tot 68 cm en astronomische & nautische instrumenten. Informatie die van belang was voor het maken van de later uit te geven (zee)kaarten werd aangeleverd door zeelieden als Frederik Houtman en Pieter Keyser. Eenmaal in goeden doen -in 1605- verhuisde hij naar het Damrak in Amsterdam. Het was daar dat hij begon met het het zelf maken van landkaarten, één van de eerste (1604) was de kaart: Inferioris Germaniae Provinciarum Nova Descriptio. In 1605 bracht hij zijn eerste wereldkaart uit, Nova universi terrarum orbis mappa. 1631 was het jaar waarin de eerste atlas uitgegeven werd, met zo'n 60 kaarten en begeleidende teksten. In 1633 werd hij aangesteld als kaartenmaker van de VOC en als examinator van de VOC-stuurlieden.

Rond het jaar 800 was het gebied, dat nu de gemeente Beemster vormt, bedekt met veen. Beemster is afgeleid van Bamestra, de naam van een riviertje in het gebied. Ontginning van het veen door de mens in combinatie met stormvloeden leidde ertoe dat dit riviertje in de periode 1150-1250 uitgroeide tot een binnenzee, een meer dat in open verbinding stond met de Zuiderzee.

In 1607 werd door de Staten van Holland en West-Friesland aan enkele burgemeesters (van onder andere Amsterdam) en een aantal aanzienlijke kooplieden, waaronder Jacob Poppen en Dirck van Os, toestemming verleend om de Beemster droog te maken, hetgeen geschiedde onder leiding van Jan Adriaanszoon Leeghwater. Hij gebruikte hiervoor uiteindelijk 43 poldermolens, na een eerste inschatting van 30 molens. Uiteindelijk zijn er 50 molens nodig geweest om de droogmakerij te bemalen.

In 1610, toen dit bijna gereed was, liep het meer weer vol als gevolg van een breuk in de Zuiderzeedijken. Men besloot toen om de ringdijk zo hoog te maken dat hij een meter boven het omringende land uitstak. Op 19 mei 1612 was de polder droog en was de huidige droogmakerij De Beemster een feit. Het land werd ingedeeld in rechthoekige kavels volgens een geometrisch patroon. De kavels werden verdeeld onder de investeerders. De kwaliteit van de landbouwgrond was dusdanig hoog dat het project destijds als een economisch succes gold, -de 'durf'investeerders van toen hadden hun geld er in 1 jaar uit- dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de daarna -daardoor- met enthousiasme aangevangen droogmakerijen zoals de Schermer / Schermeer of de Heerhugowaard.

Driehonderd jaar lang werd de polder drooggehouden met 50 poldermolens, begin twintigste eeuw werden zij vervangen door gemalen en de molens zijn allemaal verdwenen.

Molenbouwer Jan Adriaenszoon Leeghwater verbeterde in de 17e eeuw de techniek van de poldermolen. Hierdoor en dankzij de toepassing van molengangen, konden vanaf de 17e eeuw ook grotere meren worden drooggelegd. Het eerste grote project was de Beemster, die in 1612 met enige tientallen molens werd drooggemalen. Wegens succes werd deze formule bij meer polders toegepast. In Noord-Holland bij de Schermer zijn nog steeds enkele molengangen aan te treffen. Ook in Zuid-Holland zijn nog enkele molengangen te vinden: Aarlanderveen, Zevenhuizen, Leidschendam en het wereldberoemde Kinderdijk.

De Gouden Eeuw is een periode in de Nederlandse geschiedenis die goeddeels samenvalt met de zeventiende eeuw. De noordelijke Nederlanden, die samen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden, maakten een bloeiperiode door op gebied van handel, wetenschap en kunsten. Ook wat betreft haar politieke en militaire macht (vooral ter zee) nam de Republiek in de wereld een vooraanstaande positie in. De bloeitijd van de noordelijke Nederlanden was een belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de westerse beschaving.

Sommigen houden als beginpunt van de Gouden Eeuw 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen voor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van het bestand (1621) groeide de economie vrijwel ongehinderd. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die goeddeels samenviel met de tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog, was in sommige sectoren sprake van stagnatie, in andere van groei. Na 1648 trok de economie weer aan; vooral voor de nijverheid waren dit zeer voorspoedige jaren. Na het rampjaar 1672 begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen.

De economie heeft een erg belangrijke rol gespeeld in de opkomst van de Republiek in de zeventiende eeuw. In de Gouden Eeuw groeide de Republiek uit tot het centrum van de wereldhandel. Na zich in enkele decennia te hebben vrijgevochten van het Spaanse gezag ontwikkelde het land zich tot een internationale grootmacht. Zowel in Azië en Afrika als in Amerika beschikte de Republiek over een aantal zeer winstgevende koloniën. Maar het fundament van de rijkdom werd gelegd met de handel in Europa: de graanhandel op het Oostzeegebied of moedernegotie. In de Europese- en wereldeconomie ging Amsterdam een zeer belangrijke rol spelen. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur, wetenschappen en armenzorg.

De moedernegotie ("moeder aller handel") was de handel met de landen rond de Oostzee die door kooplieden uit Amsterdam vanaf de Late Middeleeuwen werd gedreven. Deze handel vormde de voornaamste bron van de welvaart in Amsterdam, waardoor de stad zich kon ontwikkelen van een weinig belangrijke plaats tot het economische centrum van Holland en de stapelplaats van Europa. De lucratieve Oostzeehandel legde de basis voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse republiek. Na de Spaanse overheersing heeft Nederland een nieuwe, republikeinse staatsvorm gekozen.




Rembrandt Harmenszoon van Rijn was een Nederlands kunstschilder. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hollandse meesters van de 17e eeuw. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen, met als bekendste werk De Nachtwacht (1642). Zijn werk behoort tot de barok en is zichtbaar beïnvloed door het caravaggisme, alhoewel hij nooit in Italië is geweest. Zijn opmerkelijke beheersing van het spel met licht en donker, waarbij hij vaak scherpe contrasten (clair-obscur) neerzette om zo de toeschouwer de voorstelling binnen te voeren, leidde tot levendige scènes vol dramatiek.


Rembrandt beschouwde zichzelf vooral als een historie- en portretschilder. Hij was een zelfverzekerde man die in alle levensfasen door iedereen bewonderde zelfportretten maakte. Zijn honderd geschilderde en twintig geëtste zelfportretten geven een opmerkelijk scherp beeld van zijn uiterlijk en zijn gevoelens. Hij beeldde zichzelf af als de apostel Paulus en zette zichzelf in zijn zelfportret uit 1658 neer als een koning uit het Oosten.

Behalve zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, en zijn zoon Titus van Rijn zijn ook zijn huishoudsters, vriendinnen Geertje Dircx en Hendrickje Stoffels nadrukkelijk in zijn schilderijen aanwezig; zij hebben gefungeerd als model voor bijbelse, mythologische of historische figuren.

Johannes Vermeer is een van de beroemdste Nederlandse kunstschilders uit de Gouden Eeuw. Hij werd in de 19e eeuw de Sfinx van Delft genoemd omdat er zo weinig details over zijn leven bekend waren. Vermeer had bovendien een voorkeur voor tijdloze, ingetogen momenten. Hij blijft raadselachtig vanwege de onnavolgbare kleurstelling en het verbijsterende lichtgehalte. Vermeers schilderijen, meestal genrestukken en een paar historiestukken, allegorieën en stadsgezichten, onderscheiden zich door een subtiel kleurgebruik en een ideale compositie. Hij gebruikte soms dure pigmenten en had een grote voorkeur voor ultramarijn en loodtingeel. Net als zijn vader en veel collega's handelde Vermeer in schilderijen, maar hij beschouwde zichzelf vooral als schilder en niet als kunsthandelaar. In het rampjaar stortte niet alleen de kunstmarkt in; scholen en winkels waren gesloten vanwege de Hollandse oorlog. Vermeer die voor zijn inkomsten afhankelijk was van de verkoop van schilderijen, verkocht weinig werken. Hij verviel in somberheid en in december 1675 stortte Vermeer in. Het is niet duidelijk wat er precies aan de hand was, maar hij overleed anderhalve dag later.

Vermoedelijk maakte Vermeer in totaal zo'n vijfenveertig schilderijen, waarvan er vijfendertig bewaard zijn gebleven. Dit betekent dat hij maar twee à drie doeken per jaar schilderde. Vermoedelijk maakte Vermeer in totaal zo'n vijfenveertig schilderijen, waarvan er vijfendertig bewaard zijn gebleven. Dit betekent dat hij maar twee à drie doeken per jaar schilderde. Vermeers werk wordt als zeer goed beschouwd, en geeft een beeld van wat de stedelijke elite bezighield na het midden van de 17e eeuw.

De Tweede WIC heeft zich vooral beziggehouden met de slavenhandel, al is het niet zo dat slavenhandel ook economisch gezien op de eerste plaats kwam. In geld uitgedrukt nam de goudhandel een veel belangrijker plaats in. Ruim 75% van de omzet werd door dit edelmetaal in beslag genomen, gevolgd door de slavenhandel, welke slechts een waarde van 13% vertegenwoordigde. Toch vormde de slavenvaart, waarin de bewindhebbers een zeer groot deel van het bedrijfskapitaal hadden geïnvesteerd, de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In de periode 1674-1740 heeft de compagnie 383 schepen uitgereed. Van alle slavenreizen die zijn gemaakt, werden er 235 met eigen vaartuigen, 134 met gehuurde schepen en 14 met in beslag genomen smokkelschepen uitgevoerd. De eigenlijke organisatie van de slavenreizen berustte bij de verschillende kamers, die daarvoor speciale commissies in het leven hadden geroepen. Zo telde de ‘’commissie tot de saaken van de slavenhandel’’ in de kamer Amsterdam vijf leden, waarmee zij de grootste commissie van deze kamer was. De reis begon in een van de vele Nederlandse havens. Van daar voeren de Hollanders langs de Afrikaanse kust en stopten in een van de Nederlandse forten aan de Goudkust. De belangrijksten waren Elmina en Accra.

Aan de slaven werden nauwkeurige eisen gesteld. Voor leverbare slaven werden gehouden: degene die niet blind, lam nog gebroken sijn, ende ook dewelke geen besmettelijke siekte hebben. Verder werd bepaald welke leeftijd de slaven mochten hebben en wat hun marktwaarde was. Volwaardige slaven waren vijftien tot en met zesendertig jaar oud, slaven ouder dan zesendertig kwamen niet in aanmerking voor transport, slaven van zes tot vijftien jaar telden als drie voor de prijs van twee en van twee tot zes jaar twee voor de prijs van één. Voor een slaaf moest volgens het contract tweehonderd gulden worden betaald. Planters van suikerplantages kregen korting. De rekening moest voor een derde voldaan worden in suiker. De betaling diende te gebeuren veertien dagen na de ontvangst van de gekochte slaven, waarbij het deel suiker belangrijker was dan het geld, dat eventueel later voldaan mocht worden. De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en 120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden men de standaard van vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf. Deze grote slavenschepen werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de terugreis naar de Republiek. De slaven werden voor 200 gulden (ongeveer een jaarloon voor een arbeider) verkocht aan tussenhandelaren en deze brachten ze onder andere naar Suriname, Berbice, Essequibo of Sint Maarten, waar ze aan plantage-eigenaren verkocht werden.

De WIC nam suiker mee terug naar Nederland, waarna ze weer naar West-Afrika gingen, daarom ook wel de driehoeksvaart genoemd. In 1792 werd de tweede WIC als gevolg van teruglopende inkomsten opgeheven. De compagnie had sinds het vrijgeven van de slavenhandel enkel als bestuursapparaat gefungeerd. Rond 1800 werd er zonder succes geprobeerd een Derde WIC op te richten, maar de aanplant van suikerbieten zou op den duur het plantagesysteem en de slavenhandel op een succesvolle manier ondermijnen.


Jan Havickszoon Steen was een Hollands kunstschilder uit de 17e eeuw, de tijd van de Noord-Nederlandse barokke schilderkunst. Humor, gewone mensen en uitbundig kleurgebruik kenmerken zijn werk. In 1648 werd Jan Steen opgenomen in het in dat jaar opgerichte schildersgilde St. Lucas in Leiden en werkte samen met Gabriël Metsu. In 1649 trok Jan Steen in bij landschapsschilder Jan van Goyen in Den Haag en trouwde diens dochter Margriet. Beide schilders werkten vijf jaar samen. In 1654 werd hij lid van de plaatselijke schutterij. Steen verhuisde naar alle waarschijnlijkheid naar Delft, waar hij de herberg De Slange zonder veel succes runde. De plaatselijke economie raakte in het slop na een ontploffing waarbij veel huizen werden verwoest en die bekendstaat als de Delftse donderslag.

Het dagelijks leven was Jan Steens belangrijkste onderwerp. Veel van de taferelen waren levendig, zelfs chaotisch en wellustig. Dergelijke taferelen waren zo kenmerkend dat een huishouden van Jan Steen een veelgebruikt Nederlands gezegde is geworden.

Subtiele hints en vele symbolen in zijn schilderijen maken aannemelijk dat Jan Steen de kijker niet zozeer wilde uitnodigen om het getoonde na te bootsen, als wel wilde vermanen. Veel van Steens schilderijen refereren aan oude Nederlands spreekwoorden of literatuur. Familie van de schilder fungeerde vaak als model.

Jan Steen schilderde een aantal zelfportretten. Deze doeken geven geen blijk van al te veel ijdelheid. Op de taferelen zie je geregeld een klein hondje opduiken, het betreft hier een oud Nederlands hondenras: het kooikerhondje.

Steen heeft zich met veel thema's ingelaten: hij schilderde historische, mythologische en religieuze scènes, portretten, stillevens en natuurtaferelen. Zijn afbeeldingen van kinderen worden geroemd, evenals zijn beheersing van licht en aandacht voor detail, met name in textiel. Jan Steen maakte zo'n 400 schilderijen.

Ook de tijdgenoten van Jan Steen waardeerden zijn werk, met als gevolg dat hij redelijk goed betaald kreeg. Hij had geen studenten, maar zijn werk zou een bron van inspiratie worden voor veel collega's.

Christiaan Huygens was een vooraanstaande Nederlandse wis-, natuur- en sterrenkundige, uitvinder en schrijver van vroege sciencefiction. Hij was een van de leidende figuren van de zeventiende-eeuwse wetenschap.

In de wiskunde was hij een pionier van de kansrekening en een wegbereider van de differentiaal- en integraalrekening, hoewel zijn methoden strikt meetkundig bleven. Aan de natuurkunde droeg hij op vele gebieden bij: hij formuleerde als eerste correcte wetten voor de elastische botsing, en uitdrukkingen voor de periode van de mathematische slinger en de middelpuntvliedende kracht in de mechanica. Tevens verklaarde hij in zijn Traité de la lumière (1690) als eerste licht als een golfverschijnsel met het Principe van Huygens-Fresnel, dat vanaf de negentiende eeuw de algemeen aanvaarde optische theorie werd en nu deel uitmaakt van het begrip van de dualiteit van golven en deeltjes. Onderzoek naar de dubbele breking van licht in IJslands kristal bracht Huygens tot het opstellen van een theorie voor gepolariseerd licht. Verder verklaarde hij geluidsverschijnselen met interferentie. Omdat Huygens als eerste wiskundige formules gebruikte in de natuurkunde, wordt hij gezien als de eerste theoretische natuurkundige.

In de sterrenkunde droeg Huygens bij door de telescoop verder te ontwikkelen en het tot dan toe onbegrepen uiterlijk van Saturnus te verklaren als een planeet met ringen. Hij ontdekte de maan Titan bij deze planeet. Als uitvinder heeft Huygens onder meer het slingeruurwerk, het principe van de stoommachine en een buskruitmotor op zijn naam staan. Vanwege zijn speculaties over buitenaards leven wordt Huygens wel gezien als vroege sciencefictionauteur.

Antoni van Leeuwenhoek was een Nederlandse handelsman, landmeter, wijnroeier, glasblazer en microbioloog. Van Leeuwenhoek is vooral bekend door zijn zelf gefabriceerde microscoop en zijn pionierswerk voor de celbiologie en de microbiologie. Vanaf 1674 deed hij vele ontdekkingen die bekend werden door zijn correspondentie met de Royal Society in Londen.

Op jonge leeftijd ontwikkelde hij een brede belangstelling voor sterrenkunde, wiskunde, natuurkunde en scheikunde.

Aan het begin van de 17e eeuw kende de Republiek in Middelburg twee vermaarde lenzenmakers. Hans Lippershey en Sacharias Jansen, die worden verbonden met de uitvinding van microscoop en telescoop.

De Nederlander Jan Swammerdam (1637-1680) en de Engelsman Robert Hooke (1635-1703) gebruikten reeds een samengestelde microscoop met oculair en objectief, maar de vergrotende kracht van deze apparaten vielen in het niet bij de sterke lenzen die Van Leeuwenhoek zou maken. Zo vergrootte Hookes samengestelde microscoop slechts 30x terwijl het vergrotend vermogen van de enkelvoudige microscoop van Van Leeuwenhoek kon oplopen tot 480x (Het Universiteitsmuseum in Utrecht bezit nog een door Van Leeuwenhoek gefabriceerd exemplaar met een vergroting van 270x).

Hij was ook een verbazingwekkende vakman die zichzelf glas leerde blazen, slijpen en polijsten. In tegenstelling tot de samengestelde microscoop van Hooke klemde Van Leeuwenhoek vrijwel altijd één lens tussen twee metalen plaatjes. Het te bestuderen onderwerp werd met schroeven vastgeklemd en in een positie geplaatst zodat het scherp kon worden waargenomen.


Spinoza

Baruch Spinoza was een Nederlands filosoof, wiskundige, politiek denker en lenzenslijper. Onder de natuurfilosofen is hij een radicaal die elke vorm van Openbaring of profetie ontkende en geen andere verklaring accepteerde dan die gebaseerd op de rede. Hij stelde dat de Bijbelse profeten gewone mensen waren met een uitzonderlijke verbeeldingskracht die niet namens God spraken.

Spinoza ontwikkelde een filosofie waarin theologie geen rol speelde en ongeacht welke religie toepasbaar is. Hij stelde dat God en natuur hetzelfde zijn en dat inzicht in de natuur ook de kennis van het goddelijke verhoogt.

Zijn boeken waren tweehonderd jaar lang verboden in Europa, omdat zijn historische Bijbelkritiek zou leiden tot atheïsme en fatalisme. Als politiek denker vond hij dat de macht van de staat nooit aan een enkeling toevertrouwd mocht worden, omdat daar misbruik van gemaakt zou worden. Vanwege zijn grondige kennis van het Hebreeuwse idioom is Spinoza van belang geweest voor de Bijbelwetenschap.

Spinoza was een volgeling en criticus van René Descartes en een tijdgenoot van Nicolas Malebranche en Gottfried Wilhelm Leibniz, eveneens rationalisten van de vroege moderne filosofie.

Spinoza noemde zichzelf met de voornaam Bento, dat gezegende betekent. De brieven die bewaard zijn gebleven, alle na 1660, ondertekende hij steevast met Benedictus. Zijn levensmotto was Caute (behoedzaam). Tijdgenoten omschreven Spinoza als een zachtmoedig, rustig en bescheiden mens.

Spinoza heeft grote invloed gehad op de politieke filosofie en het denken over de tolerantie. In het Theologisch-Politiek Traktaat pleitte Spinoza voor volledige vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid, dit in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten. Spinoza was, tezamen met John Locke, de eerste die op principiële gronden de tolerantie verdedigde.

Zijn levenswerk is de Ethica ordine geometrico demonstrata. Het werd na zijn dood uitgegeven in zijn sterfjaar 1677. Hoewel ethiek het hoofdonderwerp is, begint het werk met een uitgebreide uiteenzetting van Spinoza's metafysica. In navolging van Descartes ging Spinoza uit van het idee dat de wiskunde een voorbeeld voor de filosofie is. Het gehele werk volgt de 'geometrische' methode, in navolging van Euclides' Elementen: definities, axioma's, stellingen, bewijzen en gevolgtrekkingen.

Een buitenplaats, hofstede of landhuis is een (zomer)verblijf voor rijke stedelingen. Deze investeerden vanaf het einde van de zestiende eeuw hun spaargeld in landhuizen en landbezit. Dit deed men om 's zomers de stank, de pest en de drukte in de steden te vermijden. Om het kavel rendabel te maken werd er een boerderij gebouwd, die werd verpacht. De boerderij (hofstede) was aanvankelijk voorzien van een aparte herenkamer, een luxe kamer, die door de landheer en zijn familie ’s zomers kon worden gebruikt voor hun verpozing.

Omdat de eigenaren steeds rijker werden in het midden van de 17e eeuw, werd er in de loop der jaren een apart buitenhuis, naast de boerderij op het landgoed gebouwd. Uiteindelijk ontwikkelde deze trend zich vanaf het einde van de 17e eeuw in de bouw van luxueuze buitenplaatsen met barokke, symmetrische siertuinen.

Buitenplaatsen liggen meestal in landschappelijk aantrekkelijke gebieden die tegelijkertijd ook goed vanuit de stad bereikbaar waren,

zoals aan de Vecht, de Amstel, in het Kennemerland, het Gooi, aan de Vliet en aan de duinrand bij Wassenaar en Den Haag.

Ook in polders als de Watergraafsmeer en de Beemster waren veel buitenplaatsen te vinden, evenals op het eiland Walcheren.


Eise Jelteszn Eisinga was een Nederlands amateur-astronoom, patriot en vertegenwoordiger van De Verlichting in Nederland. Hij bouwde zelf, tussen 1774 en 1781, een planetarium in zijn woning in Franeker, dat momenteel het oudste, nog werkende mechanische planetarium ter wereld is. Het totale bouwwerk is nu een museum.

Een op de zolder aangebracht uurwerk regelt de omlooptijden van de toen bekende planeten.

Een planetarium is een schaalmodel van het zonnestelsel. Aanvankelijk was zo'n schaalmodel geheel mechanisch zoals bij Eise Eisinga.

Onderwijs

In vrijwel alle steden en grotere plaatsen in de Gouden Eeuw bestonden particuliere lagere scholen voor vijf- tot ongeveer tienjarigen en daarop was enige kwaliteitscontrole door de overheden in grotere steden. Hier leerden kinderen (tegen betaling) in ongeveer twee jaar lezen en rekenen, en eventueel na nog een jaar of twee schrijven. Uitgangspunt in de Republiek was dat ieder mens de Bijbel moest kunnen lezen. Daarnaast was het voor de handel uiteraard van wezenlijk belang dat men kon rekenen, schrijven, boekhouden en één of meerdere talen beheerste. Maar er was wel een verschil tussen stad en platteland. De bovengenoemde controle vond voornamelijk plaats in de steden. De school bestond doorgaans uit één lokaal. Kinderen met ongeveer dezelfde capaciteiten zaten bij elkaar aan één tafel. Er werd zelfstandig gewerkt en als het af was kregen ze nieuw werk van de schoolmeester. De kwaliteit was sterk afhankelijk van wat ouders konden betalen. In dorpen was de kwaliteit doorgaans minder. Er werd een beetje gerekend, wat gelezen en geschreven en de jongere kinderen kregen hulp van de oudere en natuurlijk was ook hier de nodige aandacht voor de godsdienst.

De Universiteit van Leiden was in 1575 de eerste van de Noordelijke Nederlanden. Deze protestante staatsuniversiteit onderwees aanvankelijk alleen protestante theologie (de nieuwe Republiek had een sterke behoefte aan goed opgeleide geestelijken), welsprekendheid, oude geschiedenis, Latijn en Grieks en wiskunde. Omdat Leiden één van de eerste protestante universiteiten was, trok hij uit heel Noord-Europa (waar veel oorlogen heersten) protestante studenten. De Leidse Universiteit kende drie hoofdfaculteiten, Theologie, Rechten en Medicijnen. Daarnaast was er vooral onderricht in filosofie en kennis van de klassieke Romeinse en Griekse geschiedenis. Verder werd er onderricht gegeven in de zeven vrije kunsten (grammatica van Latijn en Grieks, dialectica, retorica, aritmetica, geometria, musica, astronomia). Deze vakken werden op vrijwel elke universiteit in die tijd gegeven. Nieuw in Leiden was echter de schermschool. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Simon Stevin stelde het lesprogramma op voor de "Duytsche Mathematique" - een ingenieursschool met wiskunde en toegepaste natuurkunde in het Nederlands voor landmeetkunde en vestingbouw, het enige vak in de volkstaal. Net als de schermles hadden deze vakken vooral een militaire betekenis. Ze kwamen tegemoet aan prins Maurits' behoefte aan kennis van beschietingstechnieken en vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. In de loop van de 17de eeuw volgde de oprichting van de protestantse universiteiten van Franeker (1585), Groningen (1614), Amsterdam (1632), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648).







TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Voor- en achterzijde VOC duit, 1735.

Auteur: SvdMolen

Nederlandse fluitschepen, 1648.

Graveur: Wenceslaus Hollar.

Verenigde Nederlanden: Oudste op 't internet te vinden kaart van Willem Blaeu, 1604.

In Koninklijke Bibliotheek Belgie Gemonteerde screenshots

Utrecht, stad, 1652.

"Blaeu's Toonneel der Steden" (Dutch city maps, Edited by Willem and Joan Blaeu).

In University of Groningen

 "De Cyfferinghe van Willem Bartiens" te Amsterdam 1604.

(c) met speciale toestemming “Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen, cat.nr . G 10429”.

Attentie: (c) deswege dient voor hergebruik toestemming te worden gevraagd aan genoemde copyright houder.

 De schouwburg van Van Campen was de eerste stadsschouwburg van Amsterdam, ging open in 1637 en verbouwd in 1665: Ingang Schouwburg van Amsterdam in 1772 (dus voor de grote brand) waar voor de eerste maal de Gijsbrecht van Aemstel werd opgevoerd op 3 januari 1638.

(c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

 Waaggebouw in Hoorn, 1670.

Auteur:  Marcelmulder68 Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Nederland

Lichtrood ingekleurd de Beemster (bij bordje E22) ingepolderd in 1612 olv Jan Adriaansz Leeghwater.

Het melkmeisje, ca. 1660.

Schilder: Johannes Vermeer. In Rijksmuseum Amsterdam

(Molengang) Molendriegang (poldermolens) in Leidschendam.

Auteur:  Quistnix at nl.wikipedia Later versions were uploaded by Rasbak at nl.wikipedia.

Rembrandt, zelfportret met zwarte baret en gouden ketting, 1654.

In Museum Schloss Wilhelmshöhe, Gemäldegalerie Alte Meisteringepolderd in 1612 olv Jan Adriaansz Leeghwater.

Rembrandt, zelfportret, 1669.

In Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis olv Jan Adriaansz Leeghwater.

Als straf voor poging tot weglopen: Een Afrikaanse slaaf levend opgehangen aan een haak door zijn ribben aan een galg, 1796.

 Illustration von William Blake für Captain John Stedman, 1796.

Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC ).

Het gelukkige huisgezin, 1668.

Schilder: Jan Steen. In Rijksmuseum Amsterdam.

Nachtwacht, Rembrandt: Het korporaalschap van kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch, 1642.

In Rijksmuseum Amsterdam

Christiaan Huygens, 1671.

Schilder: Caspar Netscher. In Museum Boerhaave, Leiden.

Van Leeuwenhoek microscoop,


In Museum Boerhaave, Leiden.

Christiaan Huygens, 1671.

Schilder: Caspar Netscher. In Museum Boerhaave, Leiden.

Planetarium van Eise Eisinga, Franeker, Friesland, museum.

Foto: Bouwe Brouwer  Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported


Baruch Spinoza, 1665.

Schilder: onbekend.

 In Gemäldesammlung der Herzog August Bibliothek, Wolfenbüttel, Duitsland.


Raderwerk v/h uurwerk op de zolder boven het planetarium van Eise Eisinga, dat voor de aandrijving daarvan zorgt.

 Foto: Vera de Kok Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported

Goudestein in Maarssen, aan de Vecht, sinds 1961 in gebruik als gemeentehuis. In 1608 kocht de Amsterdamse koopman Jan Jacobsz Huydecoper de hofstede De Gouden Hoeff. Zijn zoon, Johan Huydecoper van Maarsseveen, die bewindvoerder van de VOC, schepen en meerdere malen burgemeester van Amsterdam was, liet op de plaats van De Gouden Hoeff in 1628 het buitenhuis Goudestein bouwen.

VOC logo.

Bewerkt door Golradir: Variation of Image:VOC-Amsterdam.svg, which is based on Image:Voc logo.gif.

Slingerklokontwerp van Christiaan Huygens. Ontwerp van een slingerklok door Huygens uit zijn boek Horologium (1658), gebouwd door Salomon Coster te Den Haag.

De aandrijving geschiedt met twee gewichten. De slinger kan ver uithalen.

Grachtengordel

App Nederland Geschiedenis NL


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Waterbouwkunde - uitgeverijen