App Wereld Uitvindingen & Ontdekkingen

Fotografie, cinematografie, (film)

Fotografie is het met behulp van licht en andere vormen van straling vervaardigen en vastleggen van afbeeldingen van voorwerpen en verschijnselen.

Fotografie is het met behulp van licht en andere vormen van straling (röntgen) vervaardigen en vastleggen van afbeeldingen van voorwerpen en verschijnselen. Het woord is afgeleid van het Grieks en betekent letterlijk schrijven met licht (phootos=licht, grafein=schrijven). In vergelijking met andere uitdrukkingsvormen als pictogrammen, diagrammen en kaarten, maar ook tekst zorgt de fotografie voor de zuiverste benadering (maar niet per definitie: beste benadering) van de werkelijkheid, als de digitale of analoge nabewerking en manipulatie uitblijft. Daarmee dragen foto's maximaal bij aan een juiste communicatie van het overbrengen van een bepaalde gedachte over (een deel van) de werkelijkheid. Iemand die (beroepsmatig) fotografie verricht noemt men een fotograaf. Voor het maken van een foto maakt men gebruik van een camera. Een afdruk van een voorwerp dat direct op lichtgevoelig materiaal gelegd is en vervolgens belicht, is een fotogram.

Een 'camera obscura' (donkere kamer) is een verduisterde ruimte waarbij in een van de wanden een klein gaatje is aangebracht, later ook wel een lens. Het hierdoor invallende licht werpt een afbeelding van de buitenwereld op de tegenoverliggende wand. Net zoals bij afbeelding door een lens het geval is, wordt de buitenwereld op zijn kop afgebeeld. Als de achterwand van de camera obscura doorzichtig wordt gemaakt (bijvoorbeeld met matglas) is de afbeelding van buitenaf te zien. Een bijzonder aspect van de camera obscura is dat de opnamen een oneindige scherptediepte hebben (zonder lensgebruik). Voordat de lichtgevoelige plaat was ontdekt (ca. 1800) was de camera obscura een kermisattractie. Men kon immers de wereld buiten ongezien bespieden. Met spiegels werd er voor gezorgd dat de afbeelding weer rechtop kwam te staan. Kunstschilders gebruikten de camera obscura als hulpmiddel om de werkelijkheid nauwkeurig over te kunnen nemen (projecteren) op hun doek. In de Victoriaanse tijd werden er camera obscura's gebouwd ter grootte van een huis, waar men tegen betaling een blik kon komen werpen op de omgeving. De camera obscura werd beschreven in een manuscript van Leonardo da Vinci (1452-1519). Het originele manuscript bestaat niet meer, maar er is een vertaling uit 1797 bekend. Ook in de Griekse oudheid gaf Aristoteles (384 v.Chr. - 322 v.Chr.) er al beschrijvingen van. Girolamo Cardano (1501-1576) stelde voor de kleine opening in de wand van de camera obscura te vervangen door een lens, op deze manier werd, na scherpstelling, een helderder beeld verkregen.

Joseph Nicéphore Niépce (1765–1833) is algemeen bekend als de maker van de eerste permanente foto, waarmee de fotografie een feit was. Niépce wordt beschouwd als een van de uitvinders van de fotografie. Hij begon in 1793 te experimenteren met processen om optische foto’s te verkrijgen. Deze waren gericht op het ontwikkelen van een procedé om met behulp van een camera een etsplaat te kunnen maken. Bij zijn eerste pogingen in 1816 lukte het al om foto’s te maken, maar deze waren nog niet gefixeerd (houdbaar gemaakt) en verbleekten al heel snel door de inwerking van omgevingslicht. Bekend is dat hij in 1822 zijn eerste foto (lichtdruk van een tekening) produceert dankzij een stof die hij ontdekt, een bitumenpreparaat (Syrisch asfalt), die oplosbaar is in zijn zelf bedacht terpentijnmengsel met olie en lavendel, behalve de lang belichte delen. Zo ontstond ook in 1826 de allereerste (algemeen erkend) nog overgebleven permanente en houdbare buitenfoto, gemaakt op een tinnen plaat. De belichtingstijd van de foto is acht uur en is genomen vanuit het venster van zijn bureau: 'View from the Window at Le Gras'. Niépce noemde zijn proces "heliografie", hetgeen zoveel betekende als "lichtdruk". Vanwege deze lange belichtingstijd werd het proces gebruikt voor het fotograferen van gebouwen en stilstaande onderwerpen en kon niet worden toegepast voor het fotograferen van personen. Tot zijn vindingen behoren het irisdiafragma en een methode om foto's houdbaar te maken. Ook was hij de eerste die een camera van een balg voorzag om het scherpstellen te vergemakkelijken.

Nadat de Parijse opticien Chevalier, die lenzen kon slijpen, hem in 1826 in contact bracht met Louis Jacques Mandé Daguerre (1787-1851), volgde in 1829 een samenwerkingsverband, waarbij onder andere het fotografisch proces nog aanmerkelijk werd verbeterd. In 1834 begon William Henry Fox Talbot (1800-1872) te experimenteren. Hij ontwikkelde een methode om papier lichtgevoelig te maken door het te dompelen in een zwakke zoutoplossing en daarna in een zilvernitraat oplossing. In 1837 vond Daguerre de daguerreotypie uit, een methode waarbij op grote schaal foto's konden worden ontwikkeld. Het procedé waarbij een gepolijste, met kwikdampen geprepareerde plaat werd gebruikt leverde positieve, gespiegelde beelden die niet gereproduceerd konden worden. De beelden waren wel zeer gedetailleerd. William Talbot geldt als de uitvinder van het negatiefproces in de fotografie, dat meerdere afdrukken van een negatief van een afbeelding mogelijk maakte (negatief-positiefprocedé). Tot dan was elke foto een uniek exemplaar. In 1841 patenteerde hij na lang experimenteren de calotypie, ook wel 'talbotypie' geheten, een chemisch proces om een negatief af te drukken op papier.

De lichtgevoeligheid van zilvernitraat was reeds in 1727 ontdekt door Johann Heinrich Schulze maar was tot dan toe niet meer dan een curiositeit en kermisattractie. Thomas Wedgwood en Sir Humphrey Davy slaagden er in 1802 al in onder invloed van licht een beeld te vangen op voorbewerkt papier. Alleen lukte het hen niet dit beeld te fixeren (houdbaar maken).



Glasplaten

Omstreeks 1850 verving men de papieren drager door glas. Deze glasplaten moesten terwijl ze nat waren worden belicht en meteen worden afgewerkt. In 1861 maakte James Maxwell met drie kleurfilters de eerste echte kleurenfoto. In 1871 vond de Engelse arts Richard Maddox een droge glasplaatmethode uit. Dit is in feite de oervorm van de huidige fotografische films. In 1891 vond Gabriel Lippmann de methode van het reproduceren van fotografische kleuren uit, gebaseerd op het fenomeen interferentie, later bekend als het Lippmannproces: het enige fotografische proces dat direct kleur vastlegt (geen negatief en dus niet reprocudeerbaar), zonder gebruik te maken van kleurstoffen of kleurfilters. In 1908 won hij hiervoor de Nobelprijs voor natuurkunde. Een recente ontwikkeling is de digitale fotografie (1981). Hierbij vervangt men de traditionele camera, geladen met film (waarvan de chemische eigenschappen veranderen door de belichting) door een camera met drie lichtgevoelige elektronische sensoren (CCD's), één voor rood (R), één voor groen (G) en één voor blauw (B) licht. Het bewaren van de foto's gebeurt in het geheugen van de camera, waarna de afbeelding kan worden opgeslagen op een geheugenkaart, diskette, harde schijf, imagetank, een (beschrijfbare) cd of een andere gegevensdrager. De kwaliteit van een digitale opname hangt onder meer af van de gebruikte resolutie. Hoe hoger de resolutie, hoe meer detail kan worden vastgelegd. De resolutie van een digitale camera wordt meestal uitgedrukt in het aantal pixels (=fotodioden) op de sensor (bijv. 8 megapixel).

Film

Een film of rolprent is een verhaal dat wordt uitgebeeld in een serie snel opeenvolgende stilstaande beelden. De snelheid waarmee de beelden worden geprojecteerd is zodanig dat deze beelden mede door de nawerking van elk beeld op het netvlies van ons oog, een vloeiende en continue beweging lijken te vormen. De bijbehorende kunstvorm ofwel de vaardigheid in het filmen wordt cinematografie genoemd. Als men redeneert volgens deze definitie kan men eigenlijk stellen dat Eadweard Muybridge aan de grondslag lag van de filmkunst. Toen hij in 1877 met meerdere in een rij opgestelde fotocamera’s de bewegingen van een paard registreerde, was de basis van de cinematografie gelegd. Met behulp van de in 1889 uitgekomen transparante negatieffilmband vonden Thomas Edison en William Dickson een nieuw toestel uit. Hun uitvinding, de kinetoscoop, ook wel kijkkast, bevat een ononderbroken filmstrook met afzonderlijke beelden. Als deze beelden kort belicht werden, kreeg de toeschouwer de indruk dat hij bewegende beelden zag. Toch zijn het de gebroeders Lumière (Louis en Auguste) die de filmkunst aan het grote publiek voorstelden. Antoine Lumière - hun vader – zag op een demonstratie van de kinetoscoop in Parijs meteen het nut ervan in. Louis en Auguste merkten op dat er toch nog twee grote belemmering aan de kinetoscoop waren: er kon maximum maar één persoon gebruik van maken, en het toestel was veel te groot en zwaar om veel mee uit te halen. Begin februari 1895 hadden de broers al hun eigen versie van de kinetoscoop klaar, namelijk de cinematograaf.

De verschillen lagen hem erin dat de cinematograaf de twee grote minpunten van de kinetoscoop wegwerkte. Het toestel woog slechts vijf kilogram en kon ook gemakkelijk met de hand bediend worden. Ook konden er nu groepen mensen kijken. Doordat de cinematograaf bestond uit een projector, kon alles worden afgebeeld op een muur. Nadat de ontwikkeling van de cinematograaf voltooid was, concentreerden ze zich op de meer commercieel georiënteerde ontwikkelingen van de filmkunst. In de eerste maanden van 1896 werden er in Londen, Brussel en New York theaters geopend met als uitsluitende functie het draaien van films. Oorspronkelijk was er vooral belangstelling voor de film vanuit Franse hoek. Maar het duurde niet lang voordat de Verenigde Staten – meer bepaald Hollywood – de leidinggevende functie overnam. Veel heeft Hollywood te danken aan regisseur D.W. Griffith, die vanaf 1908 talloze films begon te produceren. Laten we niet vergeten dat er van geluidsfilm toen nog geen sprake was en ook het gebruik van kleur was een zeldzaamheid. Na de opkomst van de slapstick, de intrede van de gesynchroniseerde – wat betekent dat beeld en klank gelijk lopen – geluidsfilm en het gebruik van de kleurenfilm, kwam de cinematografie in een onafgebroken stroomversnelling. In 1927 kwam de eerste film met geluid uit: dit was The Jazz Singer. Al rond 1902 werden films ingekleurd, maar de eerste echte kleurenfilm is uitgebracht door het wachttoren genootschap van Jehovah's getuigen. Daarna kwam Walt Disney's korte tekenfilm 'Flowers and Trees' uit 1932.



  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP Info Contact Home

+

+

De eerste permanente foto ter wereld gemaakt met het zicht vanuit een dakraam, gemaakt met een lichtgevoelige bitumen door  Nicéphore Niépce in 1826 or 1827, in Saint-Loup-de-Varennes.

Bron: Rebecca A. Moss,Director of Visual Resources and Digital Content Lab College of Liberal Arts Office of Information Technology University of Minnesota

Daguerreotypie van de Boulevard du Temple in het 3e arrondissement van Parijs. De eerste fotografische afbeelding met een mens erop (Daguerre, 1838). De afbeelding toont een drukke weg, maar omdat de belichtingstijd ruim 10 minuten bedroeg werd het verkeer niet vastgelegd. Alleen linksonder zijn een schoenpoetser en zijn klant zichtbaar, doordat ze lang genoeg stilstonden om te worden geregistreerd.

Bron: Louis Daguerre - Scanned from The Photography Book, Phaidon Press, London, 1997.

De kinetoscoop van Edison, ca. 1894.

Bron: newspaper or publicity illustration showing cutaway image