App Wereld Uitvindingen & Ontdekkingen

Geluidsdrager-/ speler, band fonautograaf, grammofoon, CD

In de negentiende eeuw ontstonden de eerste geluidsdragers. De technieken om geluid vast te leggen ondergingen in de eeuw daarop een enorme evolutie (evenals de afspelers).

De fonautograaf is een apparaat met een hoorn, met een haar als stift eraan, die de in de hoorn gesproken geluidstrillingen vastlegt op een met roet zwartgemaakt stuk papier, welk weer vastgemaakt is op een draaiende trommel. De machine is uitgevonden door de Fransman Édouard-Léon Scott de Martinville in 1857. Scott heeft zijn eigen opnames nooit gehoord aangezien hij niet de mogelijkheid had om die af te spelen. Een geluidsopname die hij op 9 april 1860 maakte van een vrouw die 'Au clair de la lune' zingt, is de oudste bewaarde opname van een menselijke stem. In 2008 zijn met moderne technieken de wetenschappers van het Lawrence Berkely National Laboratory er in geslaagd deze oude opname weer om te zetten in hoorbaar geluid. De fonograaf, voorloper van de grammofoon (plaat), werd gepatenteerd door Thomas Alva Edison op 19 februari 1878 en voorzag in de eerste mogelijkheid om geluid op te nemen en weer af te spelen. Bij de fonograaf wordt via een membraan (trilplaat) en een stalen naald de geluidstrillingen vastgelegd. Dat gebeurt doordat de scherpe punt van de naald een groef van wisselende diepte trekt in een metaallaag die om een ronddraaiende cilinder is aangebracht. Na de opname werd de naald naar het begin van de cilinder gebracht en in het geluidsspoor gezet. Door vervolgens de cilinder rond te draaien werd het opgenomen geluid via een hoorn (als versterker) afgespeeld. Als geluidsdrager gebruikte Edison aanvankelijk stannioolfolie (zeer dun gewalst tin), maar dat bleek te kwetsbaar. Daarom ging men over op het gebruik van een wasrol.

Het mengsel van paraffine en bijenwas bij de wasrol van de fonograaf, was na een paar keer afspelen versleten. In 1890 verkreeg Charles Tainter patent op zijn 'grafofoon': door het toepassen van het bestendigere carnaubawas op de wasrol. De was werd in de jaren steeds verder verbeterd, zodat ze uiteindelijk meer dan 100 keer konden worden afgespeeld. In 1902 lanceerde Edison Records een lijn van harde wasrollen onder de naam 'Edison Gold Moudled Records'. De vroege fonografen uit de periode 1880-1890 werden vaak verkocht met apparatuur om ook opnames te maken. De mogelijkheid om zowel wasrollen af te spelen als ook op te nemen, was een belangrijk voordeel boven de goedkopere platenspelers die tegen het eind van de negentiende eeuw op de markt kwamen, en alleen geluid konden afspelen wat al opgenomen was. Rond 1910 begon de wasrol de concurrentie te verliezen met de grammofoonplaat. Dit was vooral te wijten aan het feit dat grammofoonplaten goedkoper te produceren waren en makkelijker waren op te bergen, dan wasrollen. Ook was vaak de promotie en marketing (reclame) van grammofoonplaten beter. De voordelen van wasrollen, waaronder vaak de hogere geluidskwaliteit, langere houdbaarheid en vooral het feit dat er ook opnames gemaakt mee konden worden, waren niet genoeg om commercieel interessant te blijven. De enige toepassing waarin wasrollen dan ook nog lang belangrijk waren, was voor dictafoon-achtige toepassingen, tot rond de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw dit ook werd overgenomen door andere media.

Emile Berliner (1858-1929) vond de grammofoonplaat uit. De fonograafrol verving hij door een platte plaat met groeven in spiraalvorm, zodat de geluidsgolven niet meer verticaal maar horizontaal in het zogenoemde Berlinerschrift werden geregistreerd. Hij gebruikte bij de opname een glasplaat voorzien van een laagje roet. Hiervan werd een metalen kopie gemaakt, waarover de naald van de weergever loopt. Deze naaldweergever zit aan een arm met daaraan als versterker een grote hoorn voor de geluidsweergave. Tevens vond hij later geschikter materiaal voor de platen, namelijk een met was bedekte zinkplaat. Zo ontstond de grammofoonplaat. De oudste grammofoonplaten hadden een diameter van 30 cm (12") 25 cm (10") of 20 cm (8") en werden afgespeeld op een gestandaardiseerd toerental van 78 toeren. De meeste werden gemaakt van schellak. Door gebruik van betere materialen en elektronische versterking, kon in de jaren veertig de groef worden versmald, waardoor meer muziek op één plaatkant mogelijk werd. Aanvankelijk werd op een 12"-plaatkant maximaal vijf minuten muziek geperst, rond 1950 was acht minuten op één kant mogelijk. De 78-toerenplaat bleef tot het einde van de jaren vijftig in productie en in sommige landen, met name in Afrika, tot in de jaren zestig. De langspeelplaat(LP of album), werd officieel geïntroduceerd in 1948 en werd gemaakt van vinyl(kunststof). Door de lagere snelheid van "33 1/3" toeren en kleinere groefafstand kon er op een LP veel meer muziek worden geplaatst (20 tot 30 minuten per kant).

De bandrecorder was de voorloper van de cassetterecorder. Een bandrecorder bestaat uit twee grote spoelen met een magnetische band die met een constante snelheid langs een schrijf- en leeskop wordt geleid. Dat door middel van magnetisme geluid kan worden opgenomen op ijzerdraad, is reeds sinds 1898 bekend toen de Deen Valdemar Poulsen (1869-1942) de telegrafoon construeerde om telefoongesprekken op te nemen. De geluidskwaliteit was echter abominabel(zeer slecht). Enige verbetering werd bereikt door het in 1927 ontdekte principe van de voormagnetisatie van de geluidsdrager. Een echte doorbraak betekent het in 1935 door de Duitse firma AEG in Berlijn getoonde prototype van de Magnetophon, dat gebruikmaakt van een door de Duitse firma IG Farben (BASF) ontwikkelde acetaatband (een soort plastic) met magneetlaag om geluid vast te leggen: de eerste bruikbare bandrecorder, vooralsnog voor professionele doeleinden (het getoonde model gebruikte overigens nog een papierband). De Magnetophon betekende ook een enorme stap voorwaarts ten opzichte van de tot dan toe gebruikelijke praktijk van geluidsopnames op wasplaten, hoewel die techniek voorlopig tot Duitsland beperkt bleef. Inmiddels was de firma 'Ampex', zich niet bekommerend om patenten, bezig met de ontwikkeling van een recorder, op basis van de Magnetophons, met de '3M Company' voor het maken van geluidsband die gelijkwaardig aan de BASF-banden zou zijn. Dat is het begin van de "tape industry" in Amerika.

Intussen komt wereldwijd de productie van recorders voor thuisgebruik op gang. De consument kan kiezen uit een hele reeks modellen gemaakt door bekende fabrikanten, zoals die van radiotoestellen, als Philips en Grundig. De oorspronkelijke bandsnelheid van de Magnetophon, 76 cm/sec voor de hoogste kwaliteit, is hier niet nodig, de meeste recorders hebben snelheden van 4¾, 9½ en 19 cm/sec, gecombineerde opname-/weergavekoppen en één motor, die zowel het bandtransport als het snel heen- en terugspoelen moet verzorgen. De band kan in meerdere sporen worden beschreven; eerst in halfspoortechniek, rond 1960 ook in 4 spoor. Er komen stereoapparaten op de markt, er kunnen trucopnames worden gemaakt zoals duoplay (sound with sound) en multiplay (sound on sound) zodat één persoon met zichzelf een duo of een combo kan vormen. Maar er zijn ook recorders voor hen die nog hogere eisen stellen, zoals de Revox van de firma Studer, fabrikant van studiorecorders, die evenals de professionele modellen drie motoren bezitten en gescheiden opname- en weergavekoppen voor nabandcontrole en echo-opnamen. Halverwege de jaren 60 verschijnen de eerste Japanse bandrecorders in de winkels, waarvan de mechanisch zeer betrouwbare Akai wel de populairste is. Sony en Teac zijn goede tweede en derde. Een aantal recorders heeft, naast de hierboven genoemde bandsnelheden, de mogelijkheid tot het gebruik van de semi-professionele bandsnelheid van 38 cm/s. De jaren 60 en 70 zijn de hoogtijdagen van de bandrecorder, inmiddels meestal 'taperecorder' genoemd.


Cassetterecorder

In 1963 introduceert Philips de cassetterecorder. De kwaliteit van geluidsopnamen met cassetterecorders blijft door de lage snelheid van 4¾ cm/sec aanvankelijk ver achter bij die van bandrecorders, maar wordt door het ontwikkelen van speciale bandsoorten, zoals chroomdioxidebandjes en door ruisonderdrukking steeds beter en ten slotte gelijkwaardig aan die van de bandrecorder, die daardoor in de loop van de jaren '80 vrijwel geheel uit beeld verdwijnt bij de thuisgebruiker. Voor studio-opnames blijft de bandrecorder ook na de jaren '80 echter de aangewezen apparatuur. Ook tegenwoordig zijn nog vele professionele analoge taperecorders operationeel, ook al is de trend inmiddels digitaal en wordt tape veelal vervangen door andere (digitale) opslagmedia. Ondanks de komst van de muziekcassette bleef de bandrecorder in gebruik. Op dit moment zijn bij een groot aantal liefhebbers, met name radiomakers maar ook bij thuisgebruikers, nog steeds bandrecorders in gebruik. Deels is dat om praktische redenen (het mixen en synchroniseren van geluidsopnames is met analoge media eenvoudiger dan met digitale media) en deels is dat uit nostalgische overwegingen; het gebruik van een bandrecorder, brengt een zekere 'charme' met zich mee die niet aanwezig is bij digitale media. Door technische onvolkomenheden en slijtage van de geluidsdrager kunnen analoge (band)opnamen een specifieke klank hebben die door sommigen als 'warm' wordt omschreven. Bij digitale opnames kan die klank ook toegevoegd worden (bijv. om een 'nostalgische' sfeer te creëren).


Compact disc of CD

Een compact disc of cd is een optische schijf, die oorspronkelijk voor de opslag van muziek werd gebruikt (als vervanger van de grammofoonplaat en de muziekcassette), maar die sinds een paar jaar na de introductie ook voor opslag van andersoortige gegevens werd ingezet, zoals de cd-rom en cd-video. Het cd-systeem is gezamenlijk ontwikkeld door Philips en Sony. De eerste cd ter wereld werd gefabriceerd op 17 augustus 1982 door het Philipsonderdeel Polygram te Langenhagen. De introductie van de eerste spelers vond plaats in Japan in oktober 1982; de rest van wereld volgde in maart 1983. In 1986 werd de cd-rom (waarbij 'rom' staat voor 'read only memory') geïntroduceerd. De cd-rom, die data bevat, wordt vrijwel uitsluitend in computers gebruikt. In 1995 werd de cd-r (r=recordable) geïntroduceerd, een door een gebruiker zelf te beschrijven (ook wel het zogenaamde 'branden') schijf. Philips startte haar cd-lab op 9 maart 1979. Na een jaar hard werken en overleggen publiceerden Philips en Sony in 1980 de Compact Disc-standaard, dat alle details beschreef om een compact disc, -plaat en -speler, te fabriceren. De eerste cd ter wereld werd gefabriceerd op 17 augustus 1982 door het Philipsonderdeel Polygram te Langenhagen en was bedoeld voor de Japanse markt. De eerste cd bevatte het album The Visitors van ABBA. De cd is uitgegroeid tot een veelzijdige dataplaat. In 1985 werd de cd-rom uitgebracht, die het mogelijk maakte om zeer grote hoeveelheden computerdata te verspreiden. In 1987 introduceerde Philips de cd-video, een cd met geluid en beeld.


TOP Info Contact Home


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

+

+

+

+

+

+

+

+

Fonograaf. Bron: Museo Enrico Caruso.

Foto: Sailko

Vroege opwindbare Grammofoon. Made by the "Gramophone and Record Company" in Birmingham, England.

Bron: Birmingham Museums Trust

Elektrische platenspeler ook wel draaitafel genoemd (grammofoon).

Foto: Bygone

Machine voor het persen van vinyl grammofoonplaten.

Foto: David McClister. Bron: United Record Pressing

Cassetterecorder vroege jaren tachtig.

Foto: Nuscreen

Van links naar rechts: fonograaf, grammofoon met opwindmechanisme, bandrecorder, elektrische draaitafel.

Auteur: FredrikT

Wasrol met de (opstaande) wasrolhouder. In 1902 lanceerde Edison Records deze lijn van harde wasrollen onder de naam 'Edison Gold Moudled Records'. Een belangrijke verbetering, want deze kon wel honderd keer worden afgespeeld.

Foto: M. Dupres

 Thomas Edison en zijn historische fonograaf, ca. 1877.  

Bron: Thomas Edison and his early phonograph. Cropped from U.S.A. Library of Congress copy. Edited Version. Dust removed by Arad. Auteur: Levin C. Handy