App Wereld Uitvindingen & Ontdekkingen

Kunstlicht, kaars, olie, gas, stroom

Kunstlicht is licht dat niet van zon, maan of sterren afkomstig is. Een lamp is een voorwerp om kunstmatig licht te creëren.

Een olielamp is een soort kruikje van aardewerk (gebakken klei) met een daarin vloeibare brandstof en een pit (is een katoenen 'touwtje' dat de vloeibare brandstof opzuigt om te laten branden), gebruikt voor verlichting of om een vlammetje te bewaren (als aansteekvlam). De brandstof bestond uit dierlijk of plantaardig vet of minerale olie. Als men het tegenwoordig over een olielamp heeft, wordt vaak de antieke aardewerken of metalen vorm bedoeld: de soort die men met z'n mouw zou kunnen opwrijven in de hoop een goede geest op te roepen zoals in het verhaal van Aladin. Het schoonmaken en oppoetsen van de olielamp, "de lamp opwrijven", was vroeger een alledaags huishoudelijk karweitje. In het oude Griekenland en Rome werden olielampen gevoed met olijfolie (persing uit olijven, de vruchten van de olijfboom), in het oude India met ghee (gesmolten botervet), en in het oude Perzië met aardolie (dat daar als vanzelf uit de bodem omhoog kwam). Het gebruik van olielampen was tot ver in de 19e eeuw wijdverbreid in de landen rond de Middellandse Zee. De lampen werden toen in grote aantallen geproduceerd, meestal van messing of brons, in een vorm die weinig verschilde van die van tweeduizend jaar eerder. In kleine plaatsen en landelijke gebieden werden ze zelfs tot in de 20e eeuw gebruikt. Het licht dat door een olielamp afgegeven wordt is helderder dan dat van een kaars, maar zwakker dan dat van een petroleumlamp (petroleum: aardolieproduct ookwel kerosine).

Een late, maar belangrijke ontwikkeling in de techniek van de olielamp is de Argandse lamp geweest die rond 1783 werd geïntroduceerd en een zeer volledige verbranding met hoge lichtopbrengst en weinig roet mogelijk maakte. De Zwitserse schei- en werktuigkundige Aimé Argand was de ontwikkeling van de lamp in 1781 begonnen en kreeg er in 1784 in Engeland een patent voor toegewezen. Oorspronkelijk bestond de lamp uit twee in elkaar geschoven koperen buizen met daartussen een buisvormig gevlochten, holle lampenkous (pit) die in verbinding staat met een aparte olietank. Via de binnenste buis komt ook lucht bij de pit zodat de lampenolie (zuivere vorm van petroleum) met een ringvormige vlam brandt die inwendig en uitwendig een goede luchttoevoer heeft, waardoor een vrijwel volledige verbranding mogelijk is. Voor een betere geleiding van de luchtstroom - en dus een gelijkmatige, rustige vlam - plaatste Argand daar aanvankelijk nog een schoorsteentje van blik boven, maar verving deze al snel (1784) door een glazen versie - het lampenglas. Later kwamen er ook modellen die op vergelijkbare manier een aantal holle pitten concentrisch in elkaar plaatsten voor een hogere, geconcentreerde lichtopbrengst. Dit soort Argand-lampen maakten indertijd onder andere een grote sprong voorwaarts mogelijk bij de techniek van lampen voor vuurtorens en theaters. Aan het einde van de 19e eeuw werd de petroleumlamp door de gloeilamp verdrongen.

Ook vuur werd gebruikt voor verlichting, voor zover men daar behoefte aan had (grotten). In de graftombe van Toetanchamon (14e eeuw voor Chr.) zijn kandelaars (of toortshouders) aangetroffen. Er zijn aanwijzingen dat al veel eerder kaarsen voor verlichting werden gebruikt. De Etruriërs, een ontwikkeld volk in Midden-Italië (nu Toscane), enkele eeuwen voor Christus, gebruikten als verlichting een touw gedrenkt in pek, olijfolie of dierlijk vet. In de Romeinse tijd verschijnt de kaars definitief ten tonele. Vet of was (bijenwas) diende als brandstof.

Een belangrijke tijd voor de kaars was de middeleeuwen. De kaars was toen de voornaamste bron van kunstverlichting. Kaarsenmakers waren verenigd in het Kaarsenmakersgilde. De gewone kaars werd gemaakt van vet (talg: vet van schapen en runderen), de kerkkaars van bijenwas. De vetkaarsen brandden lang niet zo mooi als de waskaarsen. Een vetkaars was zacht, walmde, gaf roet, droop altijd wat en gaf geen aangename geur. De pit was gemaakt van getwijnde (ineengedraaide losse vezels) katoendraden, waarvan het verkoolde uiteinde van tijd tot tijd afgeknipt (gesnoten) moest worden. De kaarsen brandden regelmatig genoeg, om als een klok gebruikt te worden. Er waren 12-uurskaarsen en 24-uurskaarsen verkrijgbaar met horizontale ringen die de uren aangaven. Eind 18e eeuw komt de visserij op de potvis met een alternatief voor vet en was. Kaarsen konden worden bereid uit een vettige stof uit de kop van de potvis, spermaceti of walschot genoemd. De kaarsenfabricage maakt in de 19e eeuw een grote ontwikkeling door, die begon met de ontdekking van stearine. Stearine, een mengsel van stearinezuur en palmitinezuur werd in 1823 ontdekt door de Fransman Eugène Chevreul. De stearinekaars brandde met een heldere vlam, zonder walm; ze droop niet en werd niet slap als ze warm werd. Enige jaren later werd door raffinage van aardolie een witte stof, paraffine, afgescheiden. Deze ging naast stearine een plaats in de kaarsenindustrie innemen. Paraffine blijkt namelijk een hogere lichtintensiteit te hebben dan stearine, maar paraffine wordt eerder zacht.


Gaslicht is verlichting op basis van aardgas of gas dat op basis van bruinkoolteer, petroleum of paraffine werd gemaakt in gasfabrieken. Deze wijze van verlichten werd gedurende de negentiende eeuw steeds algemener en verdrong de verlichting met behulp van olielampen, totdat het gaslicht op haar beurt in de loop van de twintigste eeuw werd verdrongen door elektrisch licht. Aan de ontwikkeling van het gaslicht werd aan het eind van de 18e eeuw gewerkt door Jan Pieter Minckeleers, Philippe Lebon en William Murdoch (1754–1839). Zo werd de samenstelling van het gas verbeterd door invoering van het lichtgas of stadsgas en later werd de efficiëntie nog verder verbeterd door de invoering van het zogenaamde vetgas. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het gloeikousje uitgevonden. Dit kousje dat samengesteld is uit vezels begon door de ontbranding van het gas fel te gloeien en verspreidde zo nog meer licht. Gasverlichting werd binnenshuis toegepast, maar ook straatverlichting gebeurde met gas. De eerste stad met gaslicht was Londen, sinds 1805. In februari 1816 was in Amsterdam voor het eerst gaslicht te zien in het oudeliedenhuis Amstelhof. Daar was de grote zaal feestelijk verlicht ter gelegenheid van het huwelijk van de prins van Oranje met grootvorstin Anna Paulowna. Koning Willem I zelf ontstak de eerste lamp. Ook spoorrijtuigen werden met gas verlicht. In Nederland werd treingaslicht tussen 1870 en 1890 ingevoerd. In 1957 werden de laatste wagons van elektrisch licht voorzien en konden de Nederlandse Spoorwegen hun gasfabriek sluiten.

Een lantaarnopsteker is een man die de vroeger nog op gas of olie werkende straatlantaarns aanstak, meestal met behulp van een lange stok. In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnopsteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken. De lantaarnopsteker had in veel dorpen ook de rol van bewaker, omdat hij 's avonds door de dorpen of steden heen liep. Doordat steeds meer plaatsen van gaslicht overgingen op het elektriciteitsnet is het beroep lantaarnopsteker geleidelijk uitgestorven. Lantaarnopsteker was een typisch "avondberoep" Zo was de lantaarnopsteker van het Limburgse Lutterade zo rond 1900-1920 overdag barbier (kapper) en tegen de avond ging hij vergezeld door zijn geit de straat op om de negen lantaarns die het dorp telde aan te steken. De laatste lantaarnopsteker van Nederland ging in Haarlem in 1957 met pensioen.

Gloeilamp

Een gloeilamp is een glazen voorwerp waarin licht geproduceerd wordt. Als de lamp op elektriciteit wordt aangesloten gaat door de gloeidraad een stroom lopen, waardoor deze heet wordt en licht gaat uitstralen. De uitvinding van de gloeilamp wordt vaak toegeschreven aan Thomas Edison. Hij was echter slechts één van de velen die bijdroegen aan de ontwikkeling van een praktisch middel om met elektriciteit licht te verkrijgen. De reeds bestaande koolstofbooglamp was niet praktisch genoeg. In 1801 experimenteerde Humphry Davy al met een gloeiende platinadraad, die echter onmiddellijk verbrandde. In 1854 slaagde Heinrich Göbel erin de eerste echte gloeilamp te maken met verkoolde bamboevezel als gloeidraad. Zijn lamp brandde 400 uur. Edison vroeg 25 jaar later octrooi aan op een zelfde soort lamp. Göbel betwistte het patent voor de rechtbank en kreeg in 1893 zijn gelijk. Hij overleed echter in hetzelfde jaar. Het was de Amerikaan William David Coolidge die een doorbraak bewerkstelligde door in 1910 gloeidraden te maken van getrokken wolfraam, het metaal met het hoogste smeltpunt, een grotere lichtopbrengst en langere levensduur. De gloeidraad wordt tegen verbranden beschermd door een glazen ballon waarin geen of zeer weinig zuurstof aanwezig is. Naast de gloeilamp is de TL-buis een belangrijke lichtbron geworden; hetzelfde principe daarvan wordt toegepast in de spaarlamp. De nieuwste ontwikkeling is de ledlamp (meerdere leds bij elkaar vormen een lamp). De ledlamp verbruikt ca. 90% minder energie dan een gewone gloeilamp en ongeveer 50% minder dan een spaarlamp.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Kaarslicht.

Foto: 4028mdk09

Romeinse olielamp met afbeelding van de godin Diana op jacht, 2e-3e eeuw na Chr.. Het lampje van gebakken aardewerk werd gevuld met olie, in het onderste gat werd de pit gestoken, in het midden werden een of twee gaten gemaakt voor ontluchting.

Bron: Staatliche Antikensammlungen, Munchen, Duitsland. Foto: Carole Raddato

Oude Argandse bureaulamp.

Foto: Torsten Scherning at German Wikipedia

Stormlamp.

Foto: Bige1977 at English Wikipedia

Verschillende typen led.

Foto: Afrank99

De langst brandende gloeilamp ter wereld hangt in een brandweerkazerne in Livermore (Verenigde Staten). Hij brandt sinds 1901 met een kleine onderbreking toen hij naar de nieuwe centrale is verhuisd en brandt op een eigen stroomvoorziening van 120 volt. Gloeilamp die al sinds 1901 brandt zonder stuk te gaan.

Bron:  Centennial Light, Fire Station #6, Livermore, CaliforniaFilm: im Januar 2005 --Plenz

Gaslamp in Dublin. Ierland.

Fotobron: jaqian from Dublin, Ireland

Een lantaarnopsteker (gaslicht) in Wrocław, Polen.

Foto: Ostrów Tumski