App Wereld Uitvindingen & Ontdekkingen

Pottenbakken, draaischijf, keramiek, aardewerk

Keramiek is een verzamelnaam voor aardewerk (potten, schalen, drinkbekers en kruiken, bedoeld als vaatwerk en tegels), porselein, steengoed en terracotta, gebakken uit klei: het pottenbakken.

De ontdekking om van klei een komvormig voorwerp te maken, dat na droging in de zon, geschikt is om daar water mee te kunnen opscheppen waardoor men makkelijker water kon drinken, inplaats van het te moeten oplikken of opslurpen uit een plas, meer of rivier, zal zeker al uit de vroegste tijden van de mensheid stammen. Ook kan men zich voorstellen dat men daar al boombast voor gebruikte en de schil van harde vruchten (kokosnoot). Nadeel is dat gedroogde klei weer zacht wordt als het nat wordt en dan kleioplossing afgeeft. De doorbraak ontstond toen men, waarschijnlijk bij toeval, het pottenbakken ontdekte. Door een voorwerp van klei gedurende enige tijd te verhitten ontstaat een materiaal dat we aardewerk noemen, en dat niet opnieuw zacht kan worden of klei kan afgeven, als het nat wordt. Door de hoge temperatuur bij het bakken zijn de kleideeltjes aan elkaar geklit of gesinterd. Bij gebruik van mindere soort klei kan men niet met hoge temperaturen bakken en blijft het werkstuk poreus. Deze moet dan met een glazuurlaag worden bedekt om waterdicht te worden. Voor glazuur, een glassoort, gebruikt men lood- of tinglazuur. Deze smelt bij niet te hoge temperatuur. Keramiek (pottenbakkerskunst) wordt gemaakt door het verhitten van klei variërend in zuiverheid en baktemperatuur. Steengoed is keramiek waarbij een waterafstotende en glazuurachtige laag wordt bereikt door zout of soda aan het bakproces (>1200°C) toe te voegen.

De ontwikkelingen in het neolithicum (jonge steentijd 11.000 v.Chr. - 3000 v.Chr.) over de uitvinding van het pottenbakken en de uitvinding van het pottenbakkerswiel verlopen per regio anders. In het midden-Oosten duurde het erg lang na de aanvang van het neolithicum voordat het pottenbakken werd uitgevonden (ca. 6.200 v. Chr.). In Limburg begon ca. 5.500 v. Chr. het neolithicum met de Bandkeramische cultuur, mensen die tegelijkertijd huizen gingen bouwen, aan landbouw en aan veeteelt deden en ook al konden pottenbakken. De bandkeramische cultuur, in België ook wel Omalien genoemd, is de Nederlandse benaming voor de culturele stroming van een bevolkingsgroep waarmee in Centraal-Europa en Nederland het neolithicum begon. In Zuid-Limburg begon het op de hogere, vruchtbare lössgronden (ookwel Limburgse klei). De naam van deze cultuur verwijst direct naar het versierde aardewerk dat deze volkeren nalieten in het bodemarchief. Tegenwoordig ziet men het als minder waarschijnlijk dat deze boeren van elders naar Centraal-Europa en Nederland zijn geïmmigreerd. Waarschijnlijker is, dat deze mensen er al woonden en de kunst van landbouw, veeteelt en pottenbakken hebben afgekeken van waarschijnlijk de Starcevo-Köröscultuur (Oost-Europa en de Balkan van tussen 6200 en 5600 v.Chr.). Deze cultuur behoort tot de oudste landbouwculturen in Midden- en West-Europa. Typerend zijn de aaneengesloten bandversieringen die in de buitenwanden van het aardewerk gekrast zijn. Men bakte destijds het aardewerk hoofdzakelijk in het open vuur.

Aardewerk heeft gedurende vele duizenden jaren een belangrijke rol gespeeld in de menselijke geschiedenis. Omdat het materiaal slecht verweert zijn overblijfselen van aardewerken voorwerpen een belangrijke bron van informatie. De stijl en de technologie van het aardewerk veranderden in de loop der jaren, waardoor aardewerken scherven en voorwerpen ook goed gebruikt kunnen worden voor het dateren van een bepaalde vindplaats of laag. Er zijn dan ook allerlei culturen naar aardewerkvormen genoemd, zoals de bandkeramischecultuur, klokbekercultuur en de urnenveldencultuur. Ook de afbeeldingen die op het aardewerk aangebracht werden geven soms inzicht in de cultuur, we kennen bijvoorbeeld de Suzannakruik die een bijbels verhaal vertelde, de baardmankruik en de uilenbeker in de vorm van een uil. Dit soort voorwerpen was gedurende een bepaalde tijd populair. Luxe aardewerken goederen vertellen een verhaal omtrent de welstand van de bezitter. Hiernaast is het van belang dat er bepaalde plaatsen waren waar aardewerk in grote hoeveelheden werd geproduceerd. Het van een dergelijke plaats afkomstig aardewerk had specifieke kenmerken. Dit alles geeft ons inzicht omtrent de toen gebruikte handelsroutes. Aardewerk wordt gebakken van klei, tussen 800 en 1250°C, waarbij nog geen sintering (smelting) of verglazing optreedt en waardoor een zeer hard materiaal kan ontstaan. Terracotta (Italiaans: terra cotta, 'aarde gebakken' = gebakken klei) is poreus, ongeglazuurd aardewerk van roodbakkende klei. Bekend is het Terracottaleger in China.

De Swifterbantcultuur (5300 - 3400 v.Chr.), is een cultuur van jagers-verzamelaars die is ontstaan aan het begin van het neolithicum. Het is een typerend complex van culturele uitingen, gekenmerkt door keramiek met een typisch spitse vorm. De cultuur is genoemd naar het dorp Swifterbant in de Flevopolder, waar de eerste vondsten zijn gedaan. De 'trechterbekercultuur' is een cultuur van landbouwers in het neolithicum van ca. 4350 tot 2800/2700 v.Chr. De naam trechterbekercultuur is een verzamelnaam. Er was een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen in de Nieuwe Steentijd of het neolithicum, wonend in het gebied vanaf zuidelijk Scandinavië en noordelijk Europa (vanaf Nederland tot aan de huidige Oekraïne). De Nederlandse tak maakte deel uit van de Westgroep. Deze groep liet de hunebedden achter in zijn leefgebied, het huidige Drenthe en het aangrenzende Nedersaksen. In de hunebedden zijn trechtervormige keramische bekers gevonden. De touwbekercultuur (genoemd naar de touwbeker; een met touwindrukken of een visgraatrand versierde keramieken aardewerkvaas) is net zoals de trechterbekercultuur waaruit hij ontstaan is een verzamelnaam voor een aantal op elkaar lijkende neolithische culturen, verspreid over grote delen van Europa. De variant die in Nederland bestond heet standvoetbekercultuur. De touwbekercultuur markeert de overgang van het neolithicum (steentijd) naar de bronstijd (vanaf ca. 3000 v.Chr.).

Terra sigillata (reliëf aardewerk) is, sinds het begin van de 19e eeuw, de gebruikelijke benaming voor een fraai soort gebruiksvoorwerpen uit aardewerk, dat in de Romeinse keizertijd algemeen in omloop was. Kenmerkend voor het vaatwerk (gebruiksaardewerk) in terra sigillata is de rode of roodbruine kleur en een glanzend oppervlak dat ofwel vlak en onversierd is, ofwel (meestal) versierd met decoratieve en/of beeldende reliëfs. Het werd vervaardigd uit fijne leemsoorten met behulp van een pottenbakkersdraaischijf. Voor de versiering van het buitenoppervlak werd in de regel gebruik gemaakt van een (gebakken) gietvorm waarin vóór het bakproces de reliëfs in negatief waren aangebracht door middel van stempels en dergelijke. De terra sigillata behoorde bijna drie eeuwen lang tot het algemeen gangbare aardewerk in grote delen van het Romeinse Rijk, maar toch vooral in het westelijke deel ervan. De productie (nijverheid) zowel als de afzet (handel) vormden belangrijke takken van het economische leven. Van ongeveer 25 vóór tot 30 na Christus waren de belangrijkste fabricage-centra de Italiaanse steden Arretium en Puteoli. De verschillen en overeenkomsten inzake de fabricage en de decoratie van terra sigillata, en vooral ook de op het vaatwerk aangebrachte pottenbakkersmerken maken het de archeologen vrij makkelijk bij de vaststelling van de maker en in welke tijd. Daardoor kan de terra sigillata een belangrijke bijdrage leveren aan de datering van de grondlagen waarin het wordt aangetroffen.


Aardewerk

In de Griekse oudheid speelde aardewerk in het dagelijks leven een grote rol. Het werd gebruikt om allerhande artikelen in op te slaan en te bewaren, bijvoorbeeld wijn, olijfolie en water. Vaak werd het aardewerk versierd. Zo is er roodfigurig aardewerk, waarbij de figuren rood zijn en de achtergrond zwart, en zwartfigurig, waarbij dat net andersom is. De roodfigurige techniek is moderner. Zwartfigurig (zesde eeuw v.Chr.): zwarte silhouetten op oranjerode achtergrond. Details werden na het bakken met een harde stift ingekrast en bijgekleurd met witte en paarsrode "hogingen". De motieven zijn mythologische scènes, en taferelen uit het dagelijkse leven. Roodfigurig (ca. 530 v.Chr. tot het einde van de 5e eeuw v.Chr.): alles zwart behalve de silhouetten van de figuren, die worden uitgespaard waardoor deze de rode bakkleur krijgen van het aardewerk. De details worden na het bakken met een fijn penseel ingevuld: dit laat een grotere precisie toe dan bij de zwartfigurige stijl. De motieven zijn dezelfde als bij de zwartfigurige stijl. 'Attisch vaatwerk' met witte achtergrond (ontstaat gelijktijdig met de roodfigurige stijl): techniek van de motieven is niet in silhouetten, maar in "échte" schilderkunst over de dodencultus. Het gebakken vaatwerk wordt met een wit krijtlaagje bedekt waarna de voorstellingen op de krijtlaag worden geschilderd met delicate (fijne) pastelkleuren. Deze methode maakte het vaatwerk ongeschikt voor dagelijks gebruik; het werd dan ook enkel aangewend voor de dodencultus.

Porselein

Porselein is een bijzondere vorm van keramiek (pottenbakkerskunst). Porselein is hard, doorschijnend, klinkt helder en verkleurt nauwelijks (ook niet als het enkele eeuwen in een scheepswrak heeft gelegen). Om porselein te maken voegt men aan de zo wit mogelijke klei, meestal kaolien genoemd, zilverzand (kwarts) toe om de massa bij verhitting glasachtig te laten worden. Veldspaat (graniet) wordt toegevoegd om de baktemperatuur te verlagen. Vervolgens wordt het water uit de massa geperst. In de 18e eeuw moest soms de helft van de Europese productie worden weggegooid: het werden misbaksels door een te lage of te hoge baktemperatuur. Veel porseleinfabrieken hadden dan ook een kort bestaan. De bakermat van het porselein ligt in het oude Chinese keizerrijk, waar het tussen de 7e en de 9e eeuw n.Chr. ten tijde van de Tang-dynastie werd ontwikkeld om het dure groene jade en het witte jaspis te imiteren. Soms wordt de ontwikkeling van porselein 500 jaar eerder gelegd, ten tijde van de Han-dynastie, maar dat is kennelijk een kwestie van definitie. Nadat de Chinezen kennis hadden gemaakt met het Perzische keramiek, werd uit dat land kobalt ingevoerd om het zo beroemde blauw-witte porselein te fabriceren. In de 14e eeuw werd het schilderen van een decor steeds belangrijker, dan de tot dan toe meestal sombere glazuur. Dat was een revolutionaire ontwikkeling en het porselein kreeg veel meer aandacht. Met behulp van een tweetal Engelsen is in 1759 de eerste Hollandse porseleinfabriek opgezet in Weesp. De fabriek ging al in 1771 failliet.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Info Contact Home

Kneden van klei.

Foto: Soyer Isabelle at nl.wikipedia CC-BY-2.0-BE

Pottenbakkersdraaischijf.

Foto: Oliver Kurmis

Verzameling aardewerk van de Trechterbekercultuur,

Drents Museum.

Aardewerk uit verschillende periodes in het Nationaal Museum (Praag) 1. Touwbekercultuur 2800 - 2400 v.Chr. 2. Klokbekercultuur 2400 - 2200 v.Chr. 3. Klokbekercultuur 2400 - 2200 v.Chr. 4. Grote Volksverhuizing 5e eeuw na Chr..

Foto: Kozuch

Chinees porseleinen kopjes en schotels 1735-1795.

Foto en Bron:  Hallwyl Museum / Jens Mohr / CC BY-SA

Typische bandkeramiek.

Bron: Collection University of Jena, Bereich für Ur- und Frühgeschichte an der Friedrich-Schiller-Universität Jena. Auteur: Roman Grabolle

 Bandkeramische cultuur, 5200 v.Chr..

Foto: Anagoria. Bron: Steinheim an der Murr, Ludwigsburg region, shown at the Landesmuseum Württemberg, Stuttgart, Germany.

 Romeinse terra sigillata (Latijn voor gestempeld -relief- aardewerk) .

Foto: Bullenwächter. Bron: Taken at Archäologisches Landesmusuem Konstanz, Germany

 Heracles en Geryon op een Attische zwartfigurige amfora met een dikke laag vernis, ca. 540 v.Chr., Grieks.

Foto: Bibi Saint-Pol. Bron: Staatliche Antikensammlungen

 Euphronios Krater, roodfigurig, Grieks.

Foto: Tim Pendemon