App Wereld Uitvindingen & Ontdekkingen

Spinnen, weven, naaien, breien

Garen spinnen is het ineendraaien van losse vezels tot draad. Weven is het vervlechten van horizontale en verticale groepen draden tot textiel ("al wat geweven is").

Het gebruik van kleding (kleren) is typisch menselijk. De behoefte komt voort uit: bescherming tegen weersinvloeden(bijv. koude, warmte, regen); praktisch voor het werk (bijv. jager, soldaat, brandweer, schilder, astronaut), ter onderscheiding van anderen (bijv. stam , groep, club, dienst, rang; om indruk te maken (bijv. status, bezit, macht, pronken). De eerste vorm van kleding was het gebruikmaken van het resultaat van de jacht op dieren (bijv. de huiden met vacht, en voor versiering: veren en tanden) en het verzamelen van planten (bijv. riet, boomschors, sap van vruchten als bessen voor lichaamsbeschildering, bloemen voor versiering). De ontdekking van de textiele kleding zette de deur open voor niet alleen functionele kleding, maar niet minder ook dan om er mee te kunnen pronken. Men had al leren vlechten, knopen en rijgen met riet, plantenvezels (zoals hennep en jute) en dunne reepjes leer (er zijn in 1988 in Rusland naalden gevonden gemaakt uit been en ivoor die uit ongeveer 30.000 voor Christus dateren). De ontdekking om van plantaardig materiaal (vlas=linnen en katoen) en dierlijke vacht als wol, een draad te kunnen maken en die vervolgens aaneen te vlechten (weven) tot een lap, maakte het mogelijk hier kleding van te maken in alle mogelijke vormen, maar ook voor de sier (kleden, tapijt) en beddengoed. Textiel betekent 'alles wat geweven is'. Het woord is afgeleid van het Latijnse woord "texere" dat weven betekent.

Spinnen is het ineendraaien van losse vezels tot draad. Van de vezels zijn een aantal daarvoor geschikt, zoals wol, vlas en katoen. De losse vezels van deze materialen zijn nog niet geschikt om mee te weven, te naaien, te breien of te haken. Ze moeten eerst tot bruikbare draden verwerkt worden. Als eerste handeling moeten de losse vezels voorbereid worden, het vuil moet eruit worden gehaald en de vezels moeten in één richting komen te liggen. De bewerking hiervoor wordt kaarden genoemd. Vroeger werd hiervoor wel de kaardenbol (plant) gebruikt. Een kaarde (ook: wolkam) is een kam waarmee wolwevers de vezels van de wol ontrafelen en evenwijdig leggen, zodat er een draad van kan worden gesponnen. Het bestaat uit een platte plank met een handvat. In de plank zijn kleine spijkers geslagen. In de industrie is het principe nog steeds hetzelfde, met naalden bezette kaardwalsen krassen de vezels in de goede richting. Het spinnen is erop gebaseerd dat door het in elkaar draaien van de losse vezels, er een langere en sterkere draad kan ontstaan. Dit kan gebeuren met verschillende hulpmiddelen. De allereenvoudigste manier is met de vingers, maar daarmee ontstaat een onregelmatige draad. Bovendien gaat het spinnen dan erg langzaam. De eenvoudigste manier van spinnen is met een steen. Dit proces werd waarschijnlijk al in de prehistorie gebruikt, waarbij eenvoudig een steen aan een draad werd gehangen. Door deze een zwiep te geven, bleef de steen draaien. Aan het losse uiteinde werd langzamerhand meer vezelmateriaal toegevoegd.

Een andere eenvoudige manier om te spinnen is met behulp van een spintol. Deze bestaat uit een rond stokje waaraan een plat rond schijfje is vastgemaakt waaraan een draad wordt bevestigd, waarbij de tol met het schijfje naar beneden hangt. In de ene hand wordt de draad met de te spinnen vezels over de hand vastgehouden, de andere hand zal steeds kleine plukjes van de vezels pakken en toevoegen aan de bestaande draad. Door de draaiende beweging van de tol zal de draad worden gevormd. Een hele vooruitgang was het gebruik van een spinnewiel. Hoewel er verschillende typen spinnewielen zijn, is de werking ervan hetzelfde. Bij de modernere typen zit het aandrijfwiel onder het spingedeelte. Die wordt ook wel een schippertje genoemd, omdat dit handig was op de schepen vanwege het feit dat het minder ruimte innam. Dit laat tegelijk zien dat mannen ook sponnen. De oudere typen spinnewielen, stonden op drie poten. Bij de nieuwere typen zijn deze poten vervangen door balkjes waarop het geheel rust. Verder heeft een spinnewiel een trapplank welke bevestigd is aan het aandrijfwiel, via een bepaalde overbrenging wordt het wiel door middel van een snaar aangedreven. Dit wiel zit verbonden met een klos, waarop een u-vormig gedeelte zit. Op dit u-vormige gedeelte zitten haakjes, dat de vlucht wordt genoemd, via welke de draad op de klos wordt gewikkeld. De vlucht op zijn beurt zit weer op een spil die uit de klos kan worden genomen om de volle klos door een lege te vervangen. In de tweede helft 18e eeuw namen de spinmachines het werk over.

De Mule Jenny (of Spinning Mule) was een spintoestel, uitgevonden rond 1779 in Engeland. Het toestel werd uitgevonden door Samuel Crompton, ten tijde van de Industriële revolutie, die niet lang daarvoor begonnen was in het Verenigd Koninkrijk. Voor de uitvinding van de Mule Jenny moest men zich behelpen met het Waterframe, uitgevonden door Richard Arkwright en de Spinning Jenny, uitgevonden door James Hargreaves. Het nadeel aan de Spinning Jenny, die al dateerde van 1764, was dat die enkel fijne breekbare draad kon spinnen, die enkel geschikt was voor de inslag. In 1769 volgde een verbetering met de uitvinding van de Waterframe, die werkte op waterkracht, maar die kon enkel grove, sterke draad spinnen, die geschikt was voor schering. In 1779 ten slotte, werd een combinatie van beide machine's ontwikkeld, de Mule Jenny, die zowel sterkere als fijnere draden kon spinnen, nodig voor het weven van puur katoenproducten. Men was niet meer afhankelijk van een linnen ketting(schering). Alles in een ontwikkeling naar een grotere garenproduktie om de veel grotere vraag naar weefsels bij te houden. Het duurde nog tot 1780 echter vooraleer spintoestellen aangedreven werden met stoomkracht.

Weven is het vlechten van horizontale en verticale groepen draden (garen, meervoud garens) tot textiel. Het is een zeer oude techniek waarop heel veel varianten bestaan. De garens kunnen van verschillend materiaal zijn, zoals: wol, vlas, katoen, zijde en kunststof. Het weven van deze garens op het weefraam kan op twee manieren gebeuren: voor het weven spant men een aantal draden in verticale richting op. De constructie waarop dit gebeurt heet scheren. De opgespannen draden heten schering. Soms moeten deze scheringdraden (of kettingdraden) gelijmd (gesterkt) worden om meer veerkracht en weerstand te hebben tegen breuk tijdens het weven. Vervolgens worden één voor één andere draden, op horizontale wijze tussen de schering door, in het weefgetouw ingelegd. Deze draden heten inslagdraden. Ze worden strak tegen elkaar aangedrukt. Tot het midden van de twintigste eeuw werden de inslagdraden met behulp van een 'schietspoel' in het weefsel geweven. Deze 'schietspoel' is een schuitvormig blokje waarin een spoel met draad, die tijdens het heen en weer bewegen wordt afgewikkeld. Bij modernere weefmachines worden de inslagdraden ingebracht met ofwel starre stangen (grijpers genoemd), met een klein metalen projectiel, of met luchtdruk en/of waterstraal (alleen voor kunsstof garens). Het soort weefgetouw en de gebruikte techniek om de inslagdraden in te weven worden meestal bepaald door het soort weefsel dat men wenst te weven. Voor tapijten en zware weefsels worden meestal grijpers gebruikt.



Mechaniseren weefgetouw

Reeds in 1678 ondernam de De Gennes een poging om het weefgetouw te mechaniseren, gevolgd door Vaucanson in 1745. Deze machines werkten nogal omslachtig en vonden nauwelijks toepassing. De ontwikkeling van de eerste bruikbare weefmachine is te danken aan Edmund Cartwright. De diverse handelingen die bij het weven verricht moesten worden werden bij zijn machine aangestuurd door een as waarop zich instelbare excentrieken (nokken die de heen- en weergaande bewegingen verzorgen) bevonden. Oorspronkelijk was deze machine gebouwd om met een slinger door handkracht bewogen te worden, maar dit was zeer zwaar werk en bovendien kwamen de voordelen van deze machine pas tot uiting bij een krachtbron met meer vermogen: waterkracht en later stoomkracht. Ook de arbeidsproductiviteit werd verhoogd, want doordat beveiligingsmechanismen waren ingebouwd die, bijvoorbeeld bij draadbreuk, de machine automatisch stopzetten, kon een enkele persoon al spoedig meerdere machines bedienen. De eerste, nauwelijks bruikbare, machine werd geconstrueerd in 1779, maar hij verbeterde zijn weefmachine voortdurend en in 1787 opende hij een eigen fabriek. Het bracht hem geen geluk. De wevers zagen in de machine een bedreiging voor hun bestaan en allerlei schuldeisers zorgden ervoor dat hij financieel geruïneerd werd. Hoewel Cartwright ten onder ging bleek de machine een groot succes. In 1800 waren er in Engeland al fabrieken met 200 door stoomkracht aangedreven weefgetouwen.

Naaien

Naaien is een oud ambacht, waarbij doek, leer, dierenhuiden, bont of andere materialen door middel van naald en draad worden gestikt. Waarschijnlijk werd het al uitgevoerd sinds ongeveer 30.000 v.Chr.; in vrijwel alle oude bekende culturen zijn aanwijzingen gevonden dat men het ambacht onder de knie had. Tegenwoordig wordt naaien hoofdzakelijk gedaan om kleding en huishoudmeubilair zoals gordijnen, stoffering en beddengoed te repareren.

Breien

Breien is een werkwijze om van één lange draad een elastisch weefsel te maken met behulp van 2 of meer naalden zonder ogen (breinaalden). Breien wordt in het Europa van na de 19e eeuw vooral gebezigd door vrouwen. Daarvoor werd er evenwel vooral door Europese mannen gebreid, zoals schaapherders tijdens het hoeden van hun kudden. Tot in de 20e eeuw was de breiende herder of visser nog een normaal verschijnsel. Voor het breien worden vooral wol en acryl of katoen gebruikt, maar in principe kan elk materiaal, dat tot garen gevormd kan worden, voor het breien worden gebruikt. Zo was in de zestiende eeuw het gebruik van zijde en gouddraad voor gebreide religieuze gewaden in zwang. De breikunst wordt al duizenden jaren beoefend. Er zijn gebreide sokken aangetroffen in Egyptische graven met een datering tussen de 3e en 6e eeuw na Christus. In 1589 werd de eerste breimachine uitgevonden door de Engelsman William Lee. Deze werd eeuwenlang gebruikt. In 1864 vond William Cotton uit Leicestershire de full-fashioned machine uit. Vanaf de 19e eeuw werden de breimachines mechanisch aangedreven.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

Foto van een Ierse vrouw aan een spinnenwiel, waarschijnlijk rond de laatste jaren van de 19e eeuw.

Bron: Library of Congress REPRODUCTION NUMBER: LLC-DIG-ppmsc-09892

Middeleeuws spinkruikje met 3 middeleeuwse spinstenen.

Auteur: Numisantica

Vikingvrouw laat het spinnen met een spintol zien.

Foto: Peter van der Sluijs

Kaardmachinelijn uit ca. 1958, voor het kaarden van wol en het maken van voorgaren.

Bron: Textiel Museum Tilburg. Auteur: Joop Anker

Reconstructie van een weefgetouw uit de urnenveldencultuur, 1100-800 v.Chr.

Foto: Wolfgang Sauber

Weefmachine in textielmuseum in Lowell (Massachusetts), USA.

Foto: švabo

Kaarde (kaardkam of wolkam).  Bron: Hand carding tool in Bradford Industrial Museum, Bradford, West Yorkshire, England.

Foto: Linda Spashett Storye_book