App Nederland Geschiedenis NL

Koninkrijk Holland

 - Napoleon -

Lodewijk Napoleon Bonaparte , bijgenaamd de Lamme Koning en Lodewijk de Goede, was de jongere broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere Franse keizer Napoleon III. In 1806 werd hij op last van zijn broer Napoleon koning van Holland. Hij ging een eigen koers varen en kwam zelfs op voor de belangen van het Koninkrijk Holland. Dat leidde tot een conflict met zijn broer Napoleon. Als gevolg moest hij in 1810 aftreden, waarop het Koninkrijk Holland in zijn geheel werd geannexeerd door Frankrijk.

De koning van Holland maakte zich snel geliefd onder het volk o.a. door zijn betrokken optreden bij rampen, waarin hij werd nagevolgd door alle Nederlandse staatshoofden die na hem kwamen.

Napoleon besloot in 1806 een eind te maken aan het Bataafs Gemenebest, omdat hij een sterk gezag wenste in de strategisch gelegen Nederlanden. Hij plaatste daarom zijn jongere broer Lodewijk Napoleon op de troon: door een familielid tot vorst te benoemen kon Napoleon toch invloed uitoefenen. Door het overlijden van stadhouder Willem V op 9 april 1806 stond Napoleon niemand meer in de weg. De zoon van Willem V, erfprins Willem Frederik had, in tegenstelling tot zijn vader, afstand gedaan van zijn rechten in de Nederlanden. Na een georkestreerd, maar formeel verzoek uit Nederland op 5 juni 1806, werd Lodewijk Napoleon koning van Holland.

Lodewijk Napoleon maakte echter bezwaar tegen de plannen van zijn broer. Omdat hij al jaren kwakkelde met zijn gezondheid – reuma dwong hem regelmatig kuuroorden op te zoeken – was hij niet van plan naar Nederland af te reizen. Ook beviel het hem niet dat zijn broer hem als een ondergeschikte behandelde, die zonder inspraak de keizerlijke orders moest uitvoeren. Napoleon was echter onverbiddelijk, en uiteindelijk schikte Lodewijk zich in zijn lot.

Ook het Nederlandse verzet liep stuk. Op orders van de keizer reisde een Bataafse regeringsdelegatie naar Parijs af om over de machtswisseling te onderhandelen. Napoleon weigerde echter de afvaardiging te ontvangen, en tot hun grote vernedering moesten de delegatieleden Lodewijk uit naam van het Hollandse volk verzoeken vorst te worden. Een façade van legitimiteit kon niet verhullen dat de Nederlanders een vorst kregen opgedrongen. Op 5 juni 1806 vond de officiële ceremonie plaats. In het bijzijn van de Bataafse delegatie werd Lodewijk Napoleon in Parijs tot vorst van het Koninkrijk Holland benoemd. Louis was nu: "Zijne Majesteit Lodewijk Napoleon door de genade Gods en de constitutie des rijks Koning van Holland, connétable (plaatsvervangend bevelhebber) van Frankrijk".

Om de Nederlandse patriciërs (bestuurders) aan zijn troon te binden stelde de nieuwe koning op 12 december 1806 een ridderorde, de "Orde van de Unie" in (dit tegen de wens van zijn broer Napoleon). Nederland kende geen ridderorden maar de orde werd een onverwacht succes.

Het verzet tegen de komst van de nieuwe koning was meegevallen, maar de nieuwe vorst nam geen genoegen met die gelatenheid en poogde daadwerkelijk de sympathie van het volk te winnen en zijn gezag te rechtvaardigen. Reeds in zijn welkomsttoespraken haastte Lodewijk zich de Hollanders gerust te stellen. Hij mocht dan op Corsica zijn geboren, hij beloofde plechtig het belang van zijn Hollandse onderdanen in het oog te houden.

Lodewijk nam zijn taak zo serieus, dat hij taallessen nam bij de hoogleraar David Jacob van Lennep en bij de schrijver en hofdichter Willem Bilderdijk om het Nederlands onder de knie te krijgen. Maar zoals voor alle Franstaligen ging hem de Nederlandse accentuering niet gemakkelijk af. Zo zou hij zichzelf bij een toespraak in Amsterdam (door de Franse neusklank) konijn van Olland genoemd hebben. De historiciteit van deze gebeurtenis staat echter niet vast. Ook Deventer, dat hij op 4 mei 1809 bezocht, beweert dat de koning daar zichzelf konijn genoemd zou hebben. Daarnaast had Lodewijk het Nederlands verheven tot de officiële taal in het bestuur, en hoewel dit besluit vooral was bedoeld om Franse spionnen te dwarsbomen, kreeg hij met zijn taalinteresse wel enige sympathie bij het Nederlandse volk.

 



Koning Lodewijk sloot zich niet op in zijn Haagse paleis, maar ging regelmatig op tournee. Op zijn rondreizen deed hij ook de uithoeken van het koninkrijk aan, waar stadhouder Willem V zich zelden of nooit had vertoond. De tournee was niet slechts een slimme daad om sympathie te verwerven, want Lodewijk was ook daadwerkelijk gegrepen door de problemen die hij in deze afgelegen gebieden tegenkwam en pakte deze voortvarend aan. Zo woedde in Brabant de geheimzinnige zweetziekte, maar zonder angst zijn toch al wankele gezondheid te schaden, bezocht de koning de slachtoffers. Geschokt door het lijden liet hij meteen de benodigde geneesmiddelen komen, gaf voldoende geld voor de eerste noden, en liet een arts uit Boxmeer halen. Een paar weken later al was de epidemie bedwongen. Door als redder in nood op te treden, met altijd een oplossing binnen handbereik, kreeg hij al gauw nationaal respect.

Daarnaast was een deel van Brabant door overstromingen zwaar getroffen. Een ander belangrijk thema was de teruggave van katholieke kerken die in 1648 aan de protestanten waren toebedeeld en volgens de nieuwe grondwet van 1798 teruggegeven hadden moeten worden aan de katholieken. In 1809 ondernam hij van 13 april tot en met 17 mei 1809 een inspectiereis door de departementen Brabant en Zeeland. Tijdens deze reis werden de dorpen Tilburg, Oosterhout en Roosendaal tot stad verheven.’s Konings reis in 1809 had grote culturele, politieke, religieuze en sociale gevolgen voor Noord-Brabant. De reis voerde in het voorjaar van 1809 langs Grave, via Eindhoven, 's-Hertogenbosch, Heusden, Waalwijk, Oosterhout, Tilburg, Steenbergen naar Bergen op Zoom. Tijdens deze reis benadrukte hij dat het voormalige politiek achtergestelde Generaliteitsland in het seculiere Koninkrijk Holland een gelijkberechtigde plaats innam. Deze reis werd gehouden van 13 april tot en met 3 mei. Daarna volgde de reis tot en met 17 mei naar het departement Zeeland. Tijdens deze reis toonde de koning zich een echte "polderaar". Dit kwam tot uiting dat hij via draagvlak en overleg zaken wilde realiseren. Tevens vormde deze reis de langste reis die een vorst ooit in het Koninkrijk Holland heeft gemaakt. Gedurende de reis verleende de koning persoonlijk bijstand bij een choleraepidemie die in het dorp Aarle ( bij Helmond) was uitgebroken. Nergens in Nederland staat een monument ter herinnering aan de koning. Een uitzondering is Aarle waar pal voor de hervormde kerk een monument van Lodewijk Napoleon is geplaatst.

Rode draad tijdens Lodewijks bewind was het scheppen van nationale eenheid in een land waar het gewestelijk besef diep was geworteld. De koning verstevigde de greep van de centrale overheid op het lokale bestuur. In de ogen van Lodewijk moest het versplinterde Nederland een organische eenheid worden. Steden en gewesten voerden grotendeels een eigen beleid en trokken zich weinig aan van besluiten die in het verre Den Haag werden genomen.

Lodewijk verdeelde het land in tien departementen en stelde aan het hoofd van elk een landdrost, die naar voorbeeld van de Franse prefect op lokaal niveau het regeringsbeleid in het oog hield. Burgemeesters in de grote steden werden voortaan benoemd door de vorst.

Direct na zijn aankomst in Holland in juli 1806 pakte Lodewijk de codificatie (op schrift gesteld recht) aan, waarmee men weliswaar in 1798 begonnen was, maar die langzaam in het slop was geraakt. De codificatie moest een einde maken aan de grote diversiteit in wetgeving en rechtspraak in Nederland. Het oorspronkelijke ontwerp voor een eerste Nederlands strafrecht-wetboek, het Lijfstraffelijk Wetboek van 1804, werd voltooid en in 1809 als Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland vastgesteld. Hierin werd onder meer eigenrichting als afzonderlijk delict strafbaar gesteld. De koning kreeg van zijn broer, keizer Napoleon, de opdracht om in Nederland de Franse Code civil, het burgerlijk wetboek, in te voeren. Maar dat deed hij niet. Er kwam in 1809 een Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, dat weliswaar geïnspireerd was door het Franse voorbeeld, maar veel eigen vaderlandse wetgeving kende. Daarmee toonde Lodewijk Napoleon baas in eigen huis te willen zijn. Hij werd hierin van harte gesteund door de vaderlandse juristen. In 1809 verscheen ook nog het Wetboek van Koophandel, dat eveneens een eigen vaderlands wetboek was. Het sluitstuk vormde het Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging van 1809, waarin de rechterlijke organisatie en het procesrecht werden geregeld. De invoering van dit knappe stuk codificatie werd verhinderd door de inlijving bij Frankrijk in 1810. Toen werd de Franse wetgeving ingevoerd. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 is nog even een poging gedaan om de wetboeken van Lodewijk Napoleon als basis te laten dienen voor de nieuwe vaderlandse wetgeving. Maar de aansluiting van België en het feit dat de juristen de Franse wetgeving tijdens de inlijving hadden leren waarderen, verijdelden dat.

Religieuze minderheden kregen meer rechten. Joden en katholieken hadden tijdens de Bataafse Revolutie weliswaar dezelfde burgerrechten verkregen als hun protestantse volksgenoten, maar in de praktijk was de discriminatie allerminst verdwenen. Lodewijk verklaarde daarom in 1808 alle religies wettelijk gelijk, nam doelbewust Joden op in zijn ambtenarenapparaat en maakte zich kwaad om de achterstelling van katholieken, die nog altijd missen vierden in schuurkerken. Als compensatie gaf Lodewijk Napoleon met name in Brabant geld aan de hervormden om er zogenaamde Lodewijkskerkjes mee te bouwen. Door tussenkomst van de koning kregen de katholieken vaak hun kerkgebouw terug. Het was keizer Napoleon die in 1810 de St.Jan aan de katholieken terug gaf. Hij benoemde hier tevens de bisschop bij. In Breda bleef de OLV kerk in handen van de hervormden.

Verzet tegen de koninklijke inmenging in de eeuwenoude usances (gebruik, gewoonten) bleef uit. Lodewijk was verstandig genoeg om de lokale machtsbonzen – zowel de adel op het platteland als de stedelijke regentenklasse – in het zadel te houden, als ze maar beloofden zijn beleid uit te voeren. Daarnaast hoopten bestuurders dat een sterk centraal gezag het verval van de eens zo machtige Republiek kon keren. Weliswaar waren ze gebonden aan de stortvloed van ordonnanties (verordeningen) die hen vanuit Den Haag overspoelde, maar Lodewijk was tenminste een man die knopen doorhakte. Ook beseften ze dat Lodewijk onherroepelijk van de troon zou worden gestoten als zijn hervormingen faalden: ontevreden over zijn broer zou Napoleon het land meteen inlijven, zodat ook Nederland aan de dienstplicht moest geloven en elke cent uit de vrijwel lege schatkist moest omdraaien. Liever de koning dan de keizer, was de conclusie.

Lodewijk was een groot liefhebber van cultuur en wetenschappen en liet verschillende instituten oprichten die nu nog steeds bestaan, zoals het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum. Zelf bezocht hij graag het Teylers museum te Haarlem. Ook stimuleerde hij de vrije kunsten door diverse openbare kunsttentoonstellingen te organiseren.

Napoleon raakte intussen steeds ontevredener over het beleid van zijn broer. Hij verweet Lodewijk de Nederlandse belangen telkens te laten prevaleren boven de Franse. Alhoewel hij de meeste bevelen van zijn broer uitvoerde, zoals het sluiten van de havens voor Engelse schepen in 1808, nam Lodewijk het inderdaad steeds vaker op voor de Hollandse belangen.

                                   Het eind komt in zicht

Napoleon maakte zich om te beginnen boos over Lodewijks weigering de dienstplicht in te voeren. De keizer eiste telkens meer soldaten, maar zijn broer hield vol dat hij niet aan de wensen van Napoleon kon voldoen. Op een bevolking van twee miljoen mensen was het een onmogelijke opgave een militaire bijdrage van 40.000 soldaten te leveren. Ook weigerde hij tiërcering van de staatsschuld. Indien hij Napoleons wens opvolgde slechts een derde van de leningen af te lossen, zouden vele private schuldeisers in Nederland hun geld mislopen, wat de toch al wankele economie verder zou verzwakken.

Tevens verzette Lodewijk zich tegen Napoleons eis het Continentaal stelsel strikt na te leven. Om zijn aartsvijand Groot-Brittannië tot overgave te dwingen, had Napoleon alle handel met de Britten verboden. Lodewijk was buiten zichzelf van woede, omdat de blokkade de haperende economie van de zeevarende natie zonder twijfel de genadeslag zou toebrengen. Alhoewel het stelsel onvermijdelijk was en havens op slot gingen, trad hij niet bijzonder hard op tegen smokkelaars, die hun sluikhandel langs de kustlijn onverminderd voortzetten.

Toen een Brits leger in 1809 het Zeeuwse eiland Walcheren onder de voet liep en de strategische vesting Bath veroverde (zie Walcherenexpeditie), zodat de weg naar Antwerpen open lag, stortte Napoleon een nieuwe vloed aan kritiek uit over zijn broer. Hoewel Lodewijk de Britse opmars een tijdig halt toeriep en ziekten de Britse troepen decimeerden, waarop inderhaast verzamelde troepen de vesting wisten te hernemen, hield Napoleon vol dat zijn broer een knoeier was. Zijn weigering om de in Holland impopulaire dienstplicht in te voeren was haast op een succesvolle Britse invasie uitgelopen. Lodewijk werd vervangen als legeraanvoerder door Bernadotte.

In november 1809 vertrok Lodewijk op last van zijn broer naar Parijs, Krayenhoff de opdracht gevend Amsterdam te verdedigen. Na maandenlang geruzie met Napoleon moest hij op 16 maart een traktaat ondertekenen dat het Koninkrijk Holland bezuiden de rivieren inlijfde bij Frankrijk, en een blokkade van Engeland accepteren. Teleurgesteld keerde Lodewijk begin april 1810 terug naar Amsterdam, maar wel met een tweede kans. Ondertussen hadden Franse ‘waarnemingstroepen’ onder Oudinot niet alleen de kuststreek tussen de Maas en de Schelde (met de opdracht smokkel tegen te gaan) bezet, maar trokken via Utrecht naar Muiden en Weesp. Half mei verslechterde de zaak door een incident in Amsterdam. Napoleon eiste daarop dat de troepen feestelijk de stad zouden worden binnengehaald, maar Lodewijk weigerde daaraan te voldoen. Hij zond Valckenaer en Röell naar Parijs om te onderhandelen. Lodewijk suggereerde Amsterdam te verdedigen, maar Dumonceau en De Winter waren tegen dat plan. Toen begreep hij dat zijn zaak verloren was, en trad op 1 juli af ten gunste van zijn zoontje Napoleon Lodewijk (met een aantal ministers als regent). In de nacht van 2/3 juli vertrok Lodewijk uit Haarlem en vestigde zich in het Oostenrijkse Graz. Het koninkrijk Holland werd op 9 juli 1810 per decreet (van Rambouillet) ingelijfd bij het Franse keizerrijk.

Door twee nationale catastrofes kreeg Lodewijk onvoorzien de kans zich opnieuw als volkskoning te profileren. Op een kille wintermiddag in januari 1807 ontplofte een schip volgeladen met buskruit in het centrum van Leiden, de zogenaamde Leidse buskruitramp. De klap was tot in Den Haag te horen. Van het kruitschip werd alleen het anker teruggevonden, in een weide buiten de stad. Lodewijk spoedde zich nog dezelfde dag naar de plaats des onheils, waar hij diep getroffen was door de ravage. Honderden huizen waren van de aardbodem weggevaagd, een hele schoolklas was onder het puin bedolven en tussen de zwartgeblakerde ruïnes trof hij de verdwaasde slachtoffers aan.

De vorst trad doortastend op. Hij zette de koninklijke garde onmiddellijk aan het werk om het puin te ruimen, coördineerde de reddingswerkzaamheden, gaf bakkers in Delft opdracht brood te bakken voor de slachtoffers, ontbood zijn hofchirurg in Leiden en liet Paleis Huis ten Bosch als hospitaal voor de gewonden inrichten. Pas de volgende dag keerde hij terug naar Den Haag. Ook had Lodewijk oog voor de toekomst: hij verbood het vervoer van buskruit door dichtbevolkte plaatsen, richtte een rampenfonds op waarin hij 30.000 gulden stortte en stelde de stad Leiden de komende tien jaren vrij van belasting.














Het volk sloot de vorst meteen in de armen. Overal zong de naam Lodewijk de Goede rond, de Vader der Ongelukkigen. Hofdichter Willem Bilderdijk putte zich uit in lyrische loftuitingen, en een stortvloed aan etsen, gravures en schilderijen zag het licht, die zonder gêne de vorstelijke compassie verheerlijkten. Hij kweekte goodwill voor de monarchie.

Overstromingen in 1809 waren opnieuw aanleiding voor optreden. Hele dorpen werden verzwolgen toen de grote rivieren als gevolg van ijsdammen buiten hun oevers traden, de Betuwe veranderde in een gigantische binnenzee. Zonder een spoor van angst hielp Lodewijk echter eigenhandig mee de dijken met zandzakken te versterken. Hij coördineerde de hulpacties en bezocht afgelegen dorpen in het gebied om de getroffenen een hart onder de riem te steken. Wederom gaf Lodewijk prentenmakers opdracht zijn goede daden te verbeelden – op de beroemdste gravure spreekt de vorst op een smalle dijk enkele ontredderde dorpsbewoners moed in, het water klotsend om zijn voeten.

Het propagandaoffensief en zijn doortastende optreden hadden groot succes, want tijdens een reis door Noord-Holland vergaf de bevolking van Edam hem zijn Franse afkomst. Toen hij opmerkte te hopen dat de Hollanders eens zouden vergeten dat hij niet in hun land geboren was, zei een oude man: "Dat hebben we sinds Leiden al vergeten."

Toch hadden zijn onderdanen niet louter lof voor Lodewijk. Zijn hang naar luxe en monarchale uitstraling viel slecht bij de Hollanders, die tegen de kostbare verhuizingen van Lodewijk waren en tegen de opknapbeurten die hij zijn diverse paleizen gaf. Terwijl "Nederland" straatarm was, gaf de koning enorme bedragen uit aan een aldaar ongekende luxe. Zoveel als mogelijk werden dergelijke opdrachten echter wel binnen Nederland gegund.

Omdat hij het zeeklimaat van Den Haag slecht voor zijn gezondheid vond, besloot hij in 1807 naar Utrecht te verhuizen, waar hij veel geld spendeerde aan het bewoonbaar maken van een reeks panden aan en bij de Drift, die tot koninklijk paleis werden omgevormd. Hierbij decoreerde hij zijn paleizen hoofdzakelijk met gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis.

Lang woonde Lodewijk er niet, want reeds een half jaar later (1808) verhuisde hij weer, nu naar het Amsterdamse stadhuis op de Dam, dat hij omdoopte in Koninklijk Paleis. Het Waaggebouw liet hij afbreken omdat het zijn uitzicht bedierf. In het paleis liet hij een kapel inrichten. Een aantal zilveren voorwerpen liet hij bij zijn vertrek achter. Ze waren te zien in de schatkamer van de Kathedrale Basiliek Sint Bavo. In Amsterdam kon hij niet wennen en daarom bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn lommerrijke buitenplaats in Haarlem (Landhuis Welgelegen nu Paviljoen Welgelegen), en in Soestdijk of Amelisweerd.

Een buitenissige aankoop van de koning was een compleet circus. De koning wenste zich een eigen menagerie zoals ook stadhouder Willem V die had bezeten en had de hortus botanicus willen uitbreiden. De collectie dieren werd een jaar lang in de oranjerie of in een kazerne gehuisvest en is vervolgens verkocht. Zilveren bestekken en een tafel zoals de Franse koningen die hadden laten dekken waren uitingen van de pracht en praal waarmee Lodewijk Napoleon zich omringde. Nederland dankt aan hem het empire-meubilair in het Paleis op de Dam en het behoud van het Loo dat door Lodewijk Napoleon gerestaureerd werd.

Lodewijk Napoleon was zeer impulsief. Op een spotprent uit zijn tijd staat hij dan ook afgebeeld met een "ordre" in zijn rechterhand en een "contre-ordre" in de linker. Op zijn voorhoofd staat "désordre". Later werd hij wel Lodewijk de Goede genoemd, hoewel eerst slechts de Lamme Koning. Zijn broer, keizer Napoleon, werd in Oost-Nederland (Zwolle) door het volk toegeroepen met "Kiek de Lamme z'n Breur" wat klonk als "Vive l'Empereur" (leve de keizer).

Nationale eenheid

Paviljoen Welgelegen in Haarlem, tegenwoordig het provinciehuis van Noord-Holland, was de favoriete residentie van Lodewijk Napoleon. Aan de gevel bevindt zich een plaquette met een citaat uit de afscheidsproclamatie van Lodewijk Napoleon: Hollanders, Nimmer zal ik een goed en deugdzaam Volk vergeten, zooals gy zyt: Myne laatste gedachte, zoowel als myne laatste zugt, zullen voor uw geluk zyn.

Lodewijk had in 1804 twee kastelen in Saint-Leu-la-Forêt gekocht. Hij nam nu de titel graaf van Saint-Leu aan en vestigde zich te Töplitz. Enige zwakke pogingen zijn troon te herwinnen mislukten. Na de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden keerde Lodewijk nog eenmaal terug in Nederland. Het feit dat de Nederlanders hem daarbij op het balkon van zijn hotel toejuichten ontroerde hem zeer, al was het de vraag of de sympathisanten in de eerste plaats vóór Lodewijk of tégen het Huis van Oranje waren. De rest van zijn leven sleet hij in ballingschap te Florence. Hij stierf op 67-jarige leeftijd in Livorno en werd begraven in de kerk van Saint-Leu-la-Forêt in de crypte waar ook zijn zoons Napoleon Karel en Napoleon Lodewijk begraven zijn onder zijn monument van de beeldhouwer Louis Petitot.

De nadagen van Lodewijk

Corneli(u)s Rudolphus Theodorus baron Krayenhoff was een Nederlands natuurkundige, arts, generaal, waterbouwkundige, cartograaf en tegen wil en dank korte tijd Nederlands minister van Oorlog.

Krayenhoff was een autoriteit op het gebied van elektriciteit en bliksemafleiding. De toren van de Grote of Martinikerk in Doesburg kreeg in 1782 als eerste in Nederland een bliksemafleider.

In 1796 werd hij directeur van de Hollandse fortificaties en verhuisde naar Muiden. Vanaf 1798 was hij betrokken bij de nieuw te organiseren Rijkswaterstaat, nadat de soevereiniteit van de provincies was opgeheven. Krayenhof was inmiddels begonnen met wat zijn levenswerk zou worden: de driehoeksmeting, zodat Nederland gedetailleerd in kaart kon worden gebracht.

Krayenhoff hield zich bezig met het vaststellen van het Amsterdams Peil. Lodewijk Napoleon was zeer op hem gesteld en bood hem diverse functies aan. Krayenhoff was tien maanden Minister van Oorlog en organiseerde de verdediging van Amsterdam. De aanleiding was een dreigende invasie van Napoleon Bonaparte. Daarmee gaf Krayenhoff de eerste aanzet tot de Stelling van Amsterdam, toen de Posten van Krayenhoff, soms ook wel de Oude Stelling van Amsterdam genoemd. Toen Napoleon Bonaparte dit ter ore kwam, moest Krayenhof worden ontslagen.

TOP Info Contact Home

Lodewijk Napoleon Bonaparte, 1809.

Schilder: Charles Howard Hodges. In Rijksmuseum Amsterdam.

Het Rapenburg te Leiden, drie dagen na de ontploffing van het kruitschip op 12 januari 1807.

Schilder: Carel Lodewijk Hansen. In Rijksmuseum Amsterdam.

Wapen van het Koninkrijk Holland / Lodewijk Napoleon.

Foto: Vlaascho.

Houtgravure omtrent de bouw rond 1808 van het Paleis van Lodewijk Napoleon aan de Drift 25-31/ Wittevrouwenstraat 1-11 te Utrecht.

Bron: Prentenmagazijn voor de jeugd, nummer 74.

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, hoofdgebouw te Amsterdam in het Trippenhuis.

Baron C.R.T. Krayenhoff,1893 (Militaire Willems-Orde).

Auteur: P.H.K. van Schendel

Stadhuis op de Dam (links) in Amsterdam voor het het Koninlijk Paleis (1808) werd van Lodewijk Napoleon die de Waag (rechts) liet afbreken omdat het zijn uitzicht belemmerde.

Auteur: Aquatinta by R. Bowyer in London 1814.

Keizer Napoleon Bonaparte, tussen 1805 en 1815.

Schilder: atelier François Gérard. Auteur: P.H.K. van Schendel. In Rijksmuseum Amsterdam.


Grafmonument van o.a. Lodewijk Bonaparte in de kerk van Saint-Leu-la-Forêt,

beeldhouwer Louis Petitot.


Koning Willem I - Afscheiding België


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Franse keizerrijk 1811.


+

+

+

+

+

+

+