App Wereld Muziek (klassieke muziek)

Muzieknotatie (muziekschrift)

Muzieknotatie (muziekschrift) is een systeem van tekens dat gebruikt wordt om muziek op papier vast te leggen, zodat zij later gelezen en ten gehore gebracht kan worden. Het resultaat heet bladmuziek. Met vastleggen wordt bedoeld het op uniforme wijze noteren van duur, toonhoogte en uitvoeringspraktijk van de muziek. De 11e eeuwse Italiaanse monnik Guido van Arezzo wordt beschouwd als de grondlegger van de hedendaagse muzieknotatie, al onderging die in de loop der tijden wel een evolutie, zoals bij het Gregoriaans. Een voor een enkel instrument/muzikant bedoelde notatie heet partij. Alle partijen samen vormen de partituur, die vooral gebruikt wordt door een dirigent. Het ontstaan van muzieknotatie is een typisch westerse ontwikkeling. De meeste andere culturen hebben wel muziek, maar de overdracht vindt meestal van het oor van de leraar naar de leerling plaats. In West-Europa ontstond er echter tijdens het Karolingische Rijk behoefte aan een betere vastlegging van muziek. Deze behoefte was deels religieus, deels politiek. De Frankische koningen wilden graag wat meer eenheid in hun rijk aanbrengen en hun wens was nauw verbonden met de wens van de Paus om geheel Europa Katholiek te willen maken. Men wilde graag dat op dezelfde dag in heel Europa in alle kerken precies dezelfde gezangen te horen waren. Muziek wordt hedendaags doorgaans genoteerd op regels met vijf lijnen, de notenbalk.

De Grieken hadden al pogingen gedaan om muziek te noteren, maar deze kunst was grotendeels vergeten, hoewel men al wel de noten van een bepaalde toonladder aangaf met de letters A-B-C-D-E-F-G. Deze gaven echter geen informatie over de grootte van de toonafstand tussen twee tonen en dus ook niet over welke modus of toonladder het ging. Het begin van de West-Europese ontwikkeling is het "neumenschrift". Dit was een stelsel tekentjes dat aangaf hoe een bepaalde gezongen lettergreep onderverdeeld werd, of een noot lang was, of hij de klemtoon had en ook, tot op zekere hoogte, of een melodie omhoog of omlaag ging. Een latere ontwikkeling was de toevoeging van een lijn aan het neumenschrift. De neumen werden dan boven of onder die lijn geschreven, hetgeen al iets meer informatie over de melodie gaf. Later werden er drie of vier lijnen getrokken, en daaruit is de huidige notenbalk met zijn vijf lijnen ontstaan. Met het ontstaan van meerstemmige muziek ontstond er behoefte aan een betere vastlegging van de onderlinge toonhoogtes. Men ontwikkelde daarom muzieksleutels. Er waren drie sleutels: 1. een lage (F-sleutel of Bas-sleutel), 2. een middensleutel (C-sleutel of Tenor-sleutel) en 3. een hoge sleutel (G-sleutel of Viool-sleutel). Deze sleutels konden aanvankelijk op ieder van de vijf lijnen geschreven worden en om het gebruik van hulplijntjes te beperken wisselde de positie van de sleutel ook vaak. Vanaf de Barok tot in de Klassieke tijd, werd de positie van de sleutel uiteindelijk gestandaardiseerd tot een G-sleutel op de tweede lijn en een F-sleutel op de vierde lijn.

De C-sleutel op de derde lijn wordt nog gebruikt voor muziek voor altviool, alttrombone en (soms) voor de zangstemmen alt; de C sleutel op de vierde lijn wordt nog gebruikt voor tenortrombone, soms voor de cello (wanneer deze in een hogere ligging moet spelen), fagot (om dezelfde reden) en (soms) voor de tenor. Pas in de 11e eeuw ontstond er een notatie om het verschil tussen hele- en halve-toonafstanden vast te leggen (anders dan als vast deel van de gebruikte modus of toonsoort). Deze uitvinding is te danken aan Guido van Arezzo. Hij voerde het hexachord in met de Guidonische lettergrepen: ut – re – mi - fa – sol – la. Deze lettergrepen komen van de beginlettergrepen van een hymne waarvan de eerste noot van iedere regel steeds een toon hoger begint. Het slimme van het hexachord is dat er maar op één plaats een halve-toonafstand in voorkomt, nl. tussen mi en fa. Halve-toonafstanden konden dus nu aangeduid worden door de onderste toon mi te noemen of de bovenste fa. Het werd al gauw duidelijk dat de toon B, afhankelijk van de toonreeks waarin hij voorkwam ofwel als mi, ofwel als fa fungeerde. Men noemde de eerste een vierkante b (b quadratum), de laatste een ronde b (b rotundum). Vanuit deze twee tekens hebben zich de huidige kruisen (en herstellingstekens) en mollen ontwikkeld. Hoewel oorspronkelijk deze tekentjes alleen gebruikt werden om aan te geven of een B nu mi of fa was, begon men ze al snel ook voor andere tonen te gebruiken.

In de tijd van de 'Ars Antiqua' (voor 1300) experimenteerde men al met aanduidingen van de lengteduur van een noot en had men al aanduidingen van bepaalde metrische verhoudingen (een steeds weerkerende nadruk op de zoveelste tel). Men kende in die tijd al een onderverdeling in tijdsduur van maxima - longa - brevis. Overigens pasten er drie, dan wel twee breves in een longa. Hetzelfde gold voor de verhouding maxima - longa. In die tijd was mogelijk de longa de meestgebruikte teleenheid, maar dat zou niet zo blijven. Er werd namelijk een langzaam proces van inflatie van notenwaarden in gang gezet, dat tot op de huidige dag voortduurt. Met de komst van de 'Ars Nova' (na 1300) barstte het experimenteren met nieuwe ideeën en notaties pas goed los. Er was al lang een onderverdeling van de brevis in twee of drie semibreves (onze 'hele noot'). Zo ontstonden er vier hoofd -tijdsaanduidingen, waarbij de tempus de verhouding brevis-semibrevis beschreef, en de prolatio die tussen semibrevis en minima. De verhouding van de brevis tot de longa werd overigens aangeduid met het begrip modus. Een perfect tempus werd aangeduid door een cirkel, een imperfecte door een halve cirkel. Deze laatste bestaat nog in ons notatiesysteem als C. De grote prolaties werden aangeduid door een punt in het midden van de cirkel. In later tijden, toen de notenwaardeninflatie weer verder was doorgezet, werden deze tekens ook nog eens voorzien van een verticale streep. Dit duidde aan dat alles twee keer zo snel ging. Later verscheen aan deze streep nog een vlag, een dubbele vlag, enz.

In de 14e eeuw was er een ware explosie van diverse tijdsaanduidingen. Er werden nog kortere notenwaarden ingevoerd, zoals de minima (onze halve noot) en men begon kleur te gebruiken. Er werden zwarte noten naast witte (open) noten ingevoerd en er waren zelfs rode noten. Men gaf hier bijvoorbeeld mee aan, dat op de tijdsduur van twee noten nu drie noten gedacht moesten worden. Vooral in de tijd van de Ars Subtilior (na Ars Nova) leidde dit tot een zodanig ingewikkelde notatie, dat het notatie-lezen op zich al als een kunstvorm gezien werd. De verschillende stemmen van de polyfone muziek werden meestal niet onder elkaar geschreven, maar apart naast elkaar. Met de komst van de boekdrukkunst veranderde dat en verscheen koormuziek met vier of meer balken onder elkaar samengepakt. Het notatiesysteem werd in het algemeen een stuk eenvoudiger, hoewel er nog steeds ligaturen gebruikt werden die hun oorsprong nog in het neumensysteem hadden. Inmiddels was de hele noot de teleenheid geworden of zelfs de halve noot, en was er een kwartnoot en soms zelfs een achtste noot verschenen. Onderverdelingen gingen nu voornamelijk met factoren twee. In de vroege barok wordt muziek steeds meer met maatstrepen geschreven (oorspronkelijk een metrische betekenis). De noot vlak na de streep heeft een grote nadruk. In later tijden, zeker in de 20e eeuw is deze betekenis hoe langer hoe meer vervaagd. Vandaag is de maatstreep niet veel meer dan een grafisch hulpmiddel om aan te geven welke noten tegelijkertijd gespeeld of gezongen worden.



Meer tekens erbij

Er beginnen in deze tijd ook wat tekens bij te komen. In de Franse Barok zijn dat bijvoorbeeld aanduidingen van trillers, mordenten enz. Er is ook een fermata, hoewel weinig gebruikt. Ook ziet men een enkele keer tekens als f forte) en p (piano) om aan te geven dat een herhaald motief de tweede keer zachter moet worden gespeeld dan de eerste keer. In de oudere Barok komen nog steeds C-sleutels voor, vooral in koormuziek, maar in moderne uitgaven worden zij vaak omgezet in moderne notatie. Er waren al wel wat tempo-aanduidingen zoals Allegro, maar deze hebben niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis die ze nu hebben. Allegro betekende gewoon vrolijk en niet een bepaald getal op een metronoom. Met de Romantiek beginnen componisten in steeds grotere details voor te schrijven hoe hun muziek precies gespeeld moest worden. Er ontstonden allerlei bijtekens, soms geschreven zoals rallentando of sforzando. Ook aanduidingen van langdurige crescendi en decrescendi worden populair. In de 20e eeuw kwam daar een reactie op. Deze hele eeuw was een tijd van experimenteren, volgens sommigen ten koste van de schoonheid en het plezier van de toehoorder. Er ontstonden veel nieuwe notaties, onder andere grafische notaties waarin maar zeer summier een suggestie gegeven wordt aan de musicus wat hem precies te doen staat, en diverse vormen van 'vrije' notatie (zonder toonhoogten, maatstrepen en/of duur). Kenmerkend van de latere 20e eeuw is ook, dat veel van de oude notatiesysteem weer in omloop gekomen zijn door de drang naar 'authentieke' beoefening van oudere muzieksoorten.

Verklaring notatie

De verticale plaats van de nootbolletjes bepaalt - met sleutel en voortekens - de toonhoogte. De basis voor de nootwaarde is de hele noot. De lengte van noten wordt dan alsvolgt aangegeven: een open ovaal (bolletje). De helft daarvan, de halve noot, krijgt een stok. De kwartnoot krijgt een stok en een gesloten bolletje. De achtste noot krijgt een vlaggetje aan de stok, de zestiende noot twee vlaggetjes, enz. Door een of meerdere verlengingspunten wordt de nootduur steeds met de helft van de genoteerde duur verlengd. Door een groeperingsteken met een cijfer erbij kan de duur zodanig veranderd worden dat er ook afwijkende nootwaarden mogelijk worden. Hiermee worden triool, kwintool enz. genoteerd. Analoog aan de notatie van de duur van de noot bestaat er een systeem om de duur van de rust (stilte) aan te duiden. Muzieknotatie beschrijft niet alleen de toonhoogte en duur maar ook de plaats van de noot in de melodielijn en in het metrum. De maatsoort geeft het aantal tellen in de maat weer, en wordt vooraan (of telkens als de maatsoort wijzigt) in ieder muziekstuk geschreven met twee getallen; het bovenste cijfer geeft het aantal tellen, het onderste de duur van die tellen. Op de notenbalk wordt met maatstrepen aangegeven wanneer de maat vol is(volgens de maatsoort). De snelheid (tempo) waarmee een muziekstuk moet worden gespeeld wordt strikt genomen niet door de notatie aangeduid, maar door een doorgaans Italiaanse muziekterm zoals allegro, moderato, ... tenzij men het cijfer van de metronoom-aanduiding op de partituur schrijft.

Info Contact Home

+

+

+

+

Toonhoogte

Toonhoogte is de ervaren hoogte van een toon. Vaak is er een directe relatie met het waargenomen spectrum van het geluid. In dat geval wordt de toonhoogte weergegeven door het aantal trillingen per seconde, de frequentie uitgedrukt in Hertz van de grondtoon van de waargenomen toon. Hoewel het woord hoogte suggereert dat het om een visueel concept gaat, is de term in historische zin afgeleid van het Oudgriekse woord voor de hoogte van de spanning van een snaar. In muzieknotatie wordt de hoogte van een toon aangegeven door de plaats van de betrokken noot op de notenbalk; hoe hoger de toon hoe hoger de noot op de balk genoteerd wordt (slechts afhankelijk van de muzieksleutel). De toonhoogte van de a', de kamertoon (a-eengestreept), is (tegenwoordig) gestandaardiseerd op 440 Hertz, al zal deze in de muziekpraktijk daar vaak van afwijken. De frequenties van de tonen hangen af van de gebruikte stemming, zoals aangegeven in de tabel (illustratie. Een piano is gebruikelijk gestemd in de gelijkzwevende temperatuur, een viool in de reine stemming (natuurlijk). In de genoemde tabel staan de toonhoogtes van de tonen van de piano in de gelijkzwevende temperatuur, uitgaande van de kamertoon a' van 440 Hz.

Zoals hierboven uitgelegd is, worden noten ook wel als tonen aangeduid. Als gevolg daarvan worden de toonnamen ook aan de noten toegekend. Bij deze naamgeving zijn ruwweg twee systemen te onderscheiden, namelijk met letters (A, B, C) of met Guidonische lettergrepen (do, re, mi). Er is nog enige verwarring tussen Nederlands en Engels enerzijds en Duits en Scandinavische talen anderzijds, want onze B heet daar H en onze Bes heet daar B. In het Nederlands kan men een toon met een halve toonafstand verhogen door achter de letter -is te zetten. A wordt dan Aïs, B wordt Bis etc. Dubbel verhogen kan ook door achter een letter -isis (giesies) te zetten (G wordt Gisis, D wordt Disis). Een halve toon verlagen kan men doen door -es achter de letter te zetten. B wordt Bes, D wordt Des, maar A wordt As en E wordt es. Dubbel verlagen kan ook, door achter de letter -eses (esses) te zetten (beses, deses).


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

De hele noot heeft een omrande witte (open) bal en geen stok of vlag

De halve noot heeft een omrande witte (open) bal en een stok.

De kwartnoot heeft een gesloten bal en een stok zonder vlag.

De achtste noot heeft een vlag.

De zestiende heeft twee vlaggen, de tweeëndertigste drie vlaggen, etc.

Als meer noten van een achtste of korter achtereen worden geschreven worden de vlaggen soms vervangen door een waardestreep. Hierbij geldt in het algemeen dat de eerste noot in een door een waardestrepen verbonden groep het accent krijgt (beklemtoond is).

Vier aan elkaar geschreven (met een waardestreep verbonden) achtste noten.

Een muzieknoot bestaande uit een vlag (1), stok (2) en kop (3)

: de g-sleutel of solsleutel

:  de f-sleutel of fa-sleutel

:de c-sleutel, do-sleutel of ut-  sleutel

Een muzieknoot is een teken om de tonen in de muziek naar hun tijdsvolgorde en -duur te noteren.

De vorm bepaalt de relatieve duur van de toon. De hoogte daarvan wordt bepaald door de plaats van de nootkop op de notenbalk, de sleutel, voortekening en alteraties, in combinatie met de stemming. Opbouw: de diverse onderdelen waaruit een noot kan bestaan zijn: 1. Bal (ook bolletje of kop genoemd), 2. Stok (ook staart genoemd): een verticaal streepje dat aan de bal verbonden wordt), 3. Vlag, deze wordt aan de stok verbonden. Soorten: 1. de brevis en hele noot hebben geen stok en geen vlag, 2. de brevis, de hele noot en de halve noot hebben een omrande witte (open) bal, 3. de kwartnoot heeft een gesloten bal en een stok zonder vlag. Deze noot wordt beschouwd als de standaardvorm, 4. de achtste noot heeft een vlag, de zestiende heeft twee vlaggen, de tweeëndertigste drie vlaggen. Als meer noten van een achtste of korter achtereen worden geschreven, worden de vlaggen soms vervangen door een waardestreep. Hierbij geldt in het algemeen dat de eerste noot in een door een waardestrepen verbonden groep het accent krijgt (beklemtoond is). In zangmuziek geldt een aparte regel: men onderscheidt syllabische waarbij iedere lettergreep één toon heeft, en melismatische waarbij een lettergreep uit meerdere tonen kan bestaan. In melismatische zang wordt meestal met waardestrepen per lettergreep genoteerd, in syllabische krijgt elke lettergreep een vlag. Uitzonderingen: voor educatieve doeleinden of in sommige moderne notatiewijzen komen uitzonderingen voor.

Stokken omhoog worden aan de rechterzijde van de bal geplaatst, en stokken omlaag aan de linkerzijde. Vlaggen worden altijd aan de rechterzijde van de stok geplaatst. Er zijn vuistregels die de richting van de stok bepalen (de optimale leesbaarheid staat voorop): noten die onder de middelste lijn van de notenbalk genoteerd staan hebben de stok omhoog. Noten erboven hebben de stok omlaag. Bij noten op de middelste lijn kan de stok zowel omlaag als omhoog wijzen. Uitzonderingen: 1. in meerstemmige muziek worden doorgaans de bovenstemstokken omhoog genoteerd en de onderstemstokken omlaag, 2. soms wordt, vanwege de leesbaarheid van door waardestrepen verbonden snelle noten, de stokrichting zo gekozen dat de waardestreep een stijgende of dalende tendens laat zien. Tijdsduur: noten worden zodanig met symbolen aangeduid, dat men uit de vorm de relatieve tijdsduur kan aflezen, zoals de hele noot (een open bolletje als nootkop, zonder stok), de halve noot (een open bolletje, met een stok), de kwartnoot (een dicht zwart bolletje, met een stok), de achtste noot (zelfde als kwart, maar met een vlag of waardestreep naar een andere noot), de zestiende noot (zelfde als achtste maar met 2 vlaggetjes of waardestrepen) en zo verder (tweeëndertigsten, vierenzestigsten, enz.). Bij elke nootlengte zijn ook in lengte corresponderende rustsymbolen in gebruik. Gepunteerde noot: een noot, waarvan de duur met de helft verlengd is door het achterplaatsen van een punt, wordt een gepunteerde noot genoemd. Puntering kan ook bij rusten plaatsvinden.

De noten op een balk worden meestal ingedeeld in maten, die gescheiden worden door maatstrepen. Oorspronkelijk hadden deze maten een metrische betekenis, dat wil zeggen dat er sprake was van een steeds herhalend patroon van klemtonen, bijvoorbeeld zwaar-licht-licht voor een driekwartsmaat. Na de barok werd de maatstreep vooral een middel om de communicatie tussen de dirigent en de musici te vergemakkelijken. De maten worden in het algemeen genummerd, zodat de dirigent kan zeggen: we beginnen op de tweede tel van de zesde maat. Meestal wordt de kwartnoot als teleenheid gebruikt, maar in oudere muziek kan dat ook de halve en in nieuwere muziek de achtste noot zijn. Nootwaarde: De nootwaarde of nootduur is in de muziek de relatieve tijdsduur van de noot. De werkelijke tijdsduur wordt bepaald door de tempoaanduiding. Als basis geldt dat de duur van verschillende noten in vaste verhouding tot elkaar staan. Zo duurt een kwartnoot twee maal zo lang als een achtste noot en half zo lang als een hele noot, enz. De langste notenduur die in onze tijd in het algemeen gebruikt is de hele noot. Vaak wordt daar een waarde van vier tellen aan toegekend als de teleenheid de kwartnoot is. In vroeger eeuwen hebben nog langere notenwaarden dan de hele noot bestaan. Een oude naam voor de hele noot is de semibrevis. Dat betekent half kort en die naam geeft al aan dat dat naar verhouding geen lange noot was. Inderdaad kende men ook de brevis (een rechthoekige noot) en twee nog langere eenheden: de longa en de maxima.

Een muzieksleutel of kortweg sleutel is een symbool dat wordt gebruikt bij het noteren van muziek. Een sleutel op een notenbalk omvat een lijn daarvan en legt daarmee de toonhoogte vast van een noot op die lijn. De sleutel bepaalt op deze manier de toonhoogte van alle noten die erna komen, tot aan een eventuele nieuwe sleutel. De sleutel legt niet de toonsoort vast; daartoe worden vlak na sleutel voortekens in de vorm van een of meer mollen of kruisen geplaatst. Spreekt men in de muziek van sleutel, dan wordt enerzijds het symbool bedoeld, waarvan er drie zijn, en anderzijds het vastleggen van een bepaalde toon door de plaatsing van het symbool op de balk. Tegenwoordig zijn nog slechts drie verschillende symbolen in gebruik (vroeger waren er meer). Deze sleutels zijn gestileerde vormen van de letters G, F en C. Door plaatsing van zo'n sleutel op de notenbalk wordt dus een lijn van de balk aangewezen waarop de door de sleutel bepaalde toon ligt. Niet elke plaatsing is even gebruikelijk, er zijn momenteel nog zeven plaatsingen in gebruik. De meest gebruikte sleutel is de g-sleutel of solsleutel. De g-sleutel stelt een gestileerde letter G voor die de ligging van de eengestreepte g (g') of sol aangeeft op de lijn die door de binnenste krul van de sleutel omvat wordt. Met deze krul begint men te tekenen wanneer men de sleutel(met de hand) tekent. Tegenwoordig staat de g-sleutel meestal op de tweede lijn. Dit is de meestvoorkomende sleutel. Viool, fluit, piano (rechterhand).

Voor lagere stemmen gebruikt men tegenwoordig meestal de f-sleutel, fa-sleutel, bekend van de onderste balk van pianopartijen. De f-sleutel is een gestileerde letter F. Op de lijn tussen de twee puntjes, ligt de kleine f (f) of fa. De f-sleutel wordt voornamelijk gebruikt op de vierde lijn van onderen. Piano (linkerhand), bas, orgel (pedaal). De c-sleutel of do-sleutel is minder bekend. De c-sleutel is een gestileerde letter C. Op de lijn die door het midden van deze sleutel loopt wordt de eengestreepte c (c') genoteerd. Sopraansleutel: de c-sleutel geplaatst op de eerste lijn. Mezzo-sopraansleutel: de c-sleutel geplaatst op de tweede lijn. Altsleutel: de c-sleutel geplaatst op de derde lijn (Altviool, alt). Tenorsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vierde lijn. Baritonsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vijfde lijn. Er bestaan ook nog sleutels voor drumpartijen (1 of 2 verticale strepen). En octaverende sleutels, men plaatst dan ofwel een 8 onder de sleutel om alles een octaaf lager te spelen dan genoteerd. Of een 8 boven de sleutel om alles een octaaf hoger te laten spelen dan genoteerd staat. Klavarskribo: de klavarnotatie kent slechts één sleutel, namelijk een c-sleutel. Deze dient niet om aan te geven waar de c zich bevindt, want dat is al duidelijk (links van het tweetal lijnen), maar om aan te geven welke c de eengestreepte c is. Dit wordt, behalve met de sleutel, ook aangegeven door de lijnen voor des' en es' te stippelen.


+

+

+

+

+

+

+

+

Leren van het notenschrift, 1882.

Auteur: Samual E. Brown (d ca. 1860), published by Hall and Whiting of Boston

Engelse muziek opvoeder Sarah Ann Glover (1785-1867), de uitvinder van de Norwich sol-fa-systeem.

Houtgravure, 1868. Bron: Bibliothèque nationale de France

Drie bladen van een Tibetaanse muzikale notatie gebruikt in boeddhistische monastieke ritueel met de notatie voor spraak, drums, trompetten, hoorns en cimbalen.

Bron: Asian Collection.  Wellcome blog post (archive) Library reference: Or Tibetan MS 42.  L0032693

Toonsoort namen en vertalingen (A = La; B = Si; C = Do; D = Re; E = Mi; F = Fa; G = Sol).

Auteur: Ferbr1

Op. 10 No. 2, eerste bladzijde van het bewijs met vingerzettingen van Chopin.

Bron: http://www.chopinfiles.com

1 pagina van Leopold Godowsky Studie 28A naar Chopin Etude op. 25.2. 1914.

Bron: Lienau-Ausgabe

Partituur van één van de studies van Dizi gecorrigeerd door Hasselmans. Voor 1912.

Bron: Dizi, François-Joseph, 1780-1840; Hasselmans, Alphonse, 1845-1912

Een voorbeeld van bladmuziek: openingsmaten van Für Elise van Ludwig van Beethoven.

Tek.: Jc86035

11-lijnig systeem.

Auteur: Tjako van Schie

Een notenbalk met de eerste acht tonen van de harmonische reeks van de saxotromba.

Auteur: Erigena

Een leeg muziekblad.

Een bijzonder schilderij van Johann Sebastian Bach gemaakt door Elias Gottlob Haussmann in 1746.

Bron: npj.com

Grafische weergave notenlengte. De lengte van noten (hele, halve, kwart, achtste & zestiende noten).

Auteur: Tjako van Schie