App Wereld Muziek (klassieke muziek)

Middeleeuwse muziek

De middeleeuwse muziek is de westerse klassieke muziek ruwweg uit de periode 500-1450. De belangrijkste vernieuwing in de middeleeuwen, is de structurele ontwikkeling van de polyfonie, de meerstemmigheid. Omdat in de meerstemmigheid de terts (toonafstand) het belangrijkste interval is, moest een nieuwe toonladder worden geconstrueerd, op basis van de consonantie (gelijkluidend, samenklinkend) van tertsen. Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, waarbij de noot als een punt (Latijn: punctus) op een balk met lijnen werd genoteerd. Bij polyfone muziek klinken meerdere noten tegelijkertijd, noot tegen noot (Latijn: punctus contra punctus); met het contrapunt was ook het beroep componist geboren. De volgende stijlen kunnen worden onderscheiden: Organum (11e eeuw), Ars Antiqua (circa 1100-1300), Ars Nova (circa 1300-1450), Trecento (Italiaanse muziek uit de 14e eeuw) en Ars Subtilior (circa 1425-1450).

Strikt genomen is Byzantijnse Muziek het middeleeuwse heilige (sacrale) gezang van de christelijke kerken die de Orthodoxe traditie volgen. Deze traditie omvat het Griekstalige deel van de wereld. De traditie is ontwikkeld in Byzantium vanaf de oprichting van de hoofdstad Constantinopel in het jaar 330 tot aan de val in 1453. Het komt ontegenzeggelijk uit verschillende oorsprongen van zowel artistieke als technische producties in de klassieke tijd, op joodse muziek en is geïnspireerd op de monofone vokale muziek die ontstond in het vroege christelijke steden Alexandrië, Antiochië en Epheüs. Er zijn manuscripten gevonden met Byzantijnse gezangen, uit de negende eeuw, maar ook lectionaria met Bijbelse lezingen in Ekfonetische notatie (een primitief notatiesysteem gemaakt om te beschrijven hoe lezingen uit de Bijbel moesten worden gereciteerd) van minstens een eeuw eerder en lopen door tot de 12e en 13e eeuw. Onze kennis van de oudste periode komt van de Kerkboeken Typica, patristische geschriften en middeleeuwse geschiedschrijving. Verspreide voorbeelden van teksten van hymnen uit de eerste eeuwen van de Griekse Christelijke kerk bestaan nog steeds. Een beroemd voorbeeld, gedateerd als vroeg vierde-eeuws, is de vesperhymne "Blijde Licht" (Grieks "Phos Hilaron"). Een ander voorbeeld is "Eniggeboren Zoon" (Grieks "O Monogenes Yios") - dat wordt toegeschreven aan Justinianus I (527-565) - komt voor in het inleidende gedeelte van de Goddelijke Liturgie.

Om de functie van de muziek in de Byzantijnse eredienst goed te begrijpen, moeten er twee dingen duidelijk worden gemaakt. 1. het geloof in de overlevering van de heilige zang door engelen. 2. de communie (Grieks: koinonia), dat waarschijnlijk het grondwoord voor het woord koor is. Het effect hiervan op de kerkmuziek was drieledig; 1. een sterk conservatieve houding ten opzichte van muzikale compositie; 2. het vasthouden aan de melodische traditie van bepaalde hymnes, en 3. dit hield de traditie, dat de componist onbekend bleef langer in stand. Immers, als een gezang van hemelse oorsprong is, dan moet de erkenning die de componist krijgt in deze minimaal zijn. Dit is zeker waar voor hymnes en gezangen waarvan bekend is dat ze oorspronkelijk door het koor der engelen gezongen werden zoals het Amen, Halleluja, Trisagion (Drievuldigheid), het Sanctus (Heilig) en het Gloria. Het lijkt overduidelijk, dat de gezangen uit het Byzantijnse repertoire, zoals deze gevonden zijn in de muzikale manuscripten uit de tiende eeuw ten tijde van de vierde Kruistocht (1204-1261), het laatste en enig overgebleven stuk van een evolutie vormen. Die evolutie begon tenminste in de zesde eeuw. Wat er precies veranderde in de muziek gedurende de eerste eeuwen is moeilijk te zeggen, maar sommige gezangen die vandaag nog steeds gebruikt worden vertonen karakteristieken die daar licht op kunnen werpen. Deze karakteristieken zijn recitatieve formuleringen, melodiesoorten en standaardzinnen die duidelijk in de volksmuziek en andere traditionele vormen van Oosterse muziek, inclusief de Joodse, voorkomen.

Vanaf circa 800 vindt de eerste meer gestructureerde vorm van muzieknotatie plaats. Een belangrijke en vermoedelijk eerste vorm van genoteerde muziek treft men aan in de Mis, de eredienst van de Rooms-Katholieke kerken. Tussen 1100 en 1300 zijn op het terrein van de wereldlijke muziek vooral de Troubadours (Zuid-Frankrijk) en Trouvères (Noord-Frankrijk) en Minnesaenger (Duitsland) aktief. Dit waren voornamelijk dichters en componisten, vooral van liefdesliederen, hekeldichten en kruistochtliederen, en meest afkomstig uit uit hogere adelstand. Daarnaast waren er de jongleurs en minstreels, die als uitvoerend musici optraden en meest uit lagere adelstand afkomstig waren. Onder Ars Antiqua (letterlijk in het Latijn: de oude kunst) wordt doorgaans de allervroegste periode van genoteerde muziek verstaan, tussen circa 1100 en 1300. In deze stijlperiode ontwikkelt de muziek zich tot een steeds vrijer wordende polyfonie. Aanvankelijk nog sterk op het Gregoriaans georiënteerd, waarbij deze oude melodieën als het ware ‘opgerekt’ werden tot een veelvoud van hun normale duur, werd deze Gregoriaanse tenor geleidelijk aan ook weggelaten. Zo ontstonden onder andere de vroegste conductus partituren van de hand van Leoninus en Perotinus, de twee oudste bij naam bekende componisten van polyfone muziek uit de Notre Dame School te Parijs. De Ars Antiqua kende een metrische notatie, waardoor de composities stuk voor stuk volgens een vast ritmisch patroon verliepen. Vanaf ca. 1300 spreken we niet meer van Ars Antiqua, maar van Ars Nova, nieuwe kunst.

Het woord Troubadour (Zuid-Frankrijk) is afgeleid van het Occitaanse woord "trobar", dat 'vinden' betekent. Het woord Trouvère (Noord-Frankrijk) is afgeleid van het Oudfranse 'trouver', wat eveneens 'vinden' betekent. In de Germaanse streken spreken we over 'Minnezangers' (ze zongen over de 'hoofse minne'). De eerste met naam bekende troubadour was Willem van Poitiers, die in de 11e eeuw leefde en hertog van Aquitanië was. Zij schreven in het Occitaans, de oudste levende literaire taal van West-Europa. De meeste troubadours bezongen de hoofse liefde. Bekend gebleven troubadours zijn onder andere Bernard de Ventadour en Jaufré Rudel. Ook leden van de hoge adel schreven liederen in de stijl van de troubadours, bijvoorbeeld hertog Jan I van Brabant. Met de vernietiging van de Occitaanse cultuur na de soms gewelddadige inlijving door Frankrijk van de Languedoc in het begin van de veertiende eeuw verdwenen ook de troubadours. Een minstreel was een middeleeuws zanger die van paleis tot paleis trok en van dorp tot dorp. De minstreel zong liederen en bracht muziek, veelal over actuele gebeurtenissen en roddels. Onderling werden ook verbale duels uitgevochten, minstrelen konden zaken ook zeer goed opruien. De minstreel was een zeer goed uitvoerend musicus, maar de meeste minstrelen waren geen componisten. Ze brachten composities van anderen of volksliederen. De minstreel stamt uit de middeleeuwen maar ook nu nog zijn er zangers die zingend verhalen vertellen die meestal actueel zijn.



Ars Nova

De Ars Nova is een periode in de ontwikkeling van de westerse muziek die vooral in Frankrijk en Bourgondië rond 1300 een aanvang nam. Voor deze datum was de kerk oppermachtig geweest in Europa en had een remmende invloed op de ontwikkeling van nieuwe stijlen in de kunst en dus ook de muziek gehad. De muziek van die periode staat bekend als de Ars Antiqua en maakt vaak een vooral statische indruk. In 1309 begon de Babylonische ballingschap van de paus in Avignon en een tijd van vernieuwing en experimentatie. Met voortrekkers als Philippe de Vitry ontstond een geheel nieuwe stijl met steeds toenemende, vooral ritmische complexiteit. Er werden daarvoor nieuwe notaties bedacht. Er ontstond muziek met een traag verlopende onderstem, de cantus firmus, met daarboven een of meerdere stemmen die in hoog tempo allerlei ritmische capriolen uithalen. Een latere vertegenwoordiger van de Ars Nova en meteen ook een van de grootste componisten was Guillaume de Machault. Hij werkte met isoritmie, dat wil zeggen dat hetzelfde ritmische motief door verschillende stemmen werd overgenomen. De latere fase van de Ars Nova heet ook wel de Ars Subtilior. In die latere tijd trachtte het hof van Avignon zijn prestige wat op te vijzelen door als schutspatroon van de kunsten op te treden en aan het pauselijk hof verbleef dan ook een groep avant-gardistische componisten die men de fumeux noemt. Een voorbeeld is Solage. Van hem en zijn mede-fumeux kan gezegd worden dat zij er lustig op los experimenteerden.

Ars Subtilior

Ars Subtilior betekent "de subtielere kunst". Het is de naam die gegeven wordt aan een muzikale stijl in Europa uit het eind van de 14e eeuw, met name in Frankrijk. Het gebied waar deze stijl tot bloei kwam was gelegen bij de Pyreneeën, zowel vlak ten noorden als vlak ten zuiden. Kenmerkend voor deze stijl was de ritmische complexiteit, waaronder isoritmiek, waarbij elke stem ritmisch gezien vrijwel onafhankelijk was van de andere stemmen. Pas in de 20e eeuw zou een dergelijke mate van complexiteit opnieuw bereikt worden. De Ars Subtilior ontwikkelde zich uit de Ars Nova. De muzieknotatie en de uitvoeringspraktijk maakten grote ritmische en harmonische ontwikkelingen door. Franse componisten als Johannes Cuvelier, Philippus de Caserta, Jacob de Senleches zijn vertegenwoordigers van deze stijl. De belangrijkste bron voor overgeleverde muziekstukken in deze stijl is de Chantilly Codex. De gregoriaanse muziek is de liturgische muziek die eigen is aan de Romeinse liturgie in de Katholieke Kerk. De term gregoriaans wordt gebruikt om de kerkmuziek aan te duiden die sinds de 9e eeuw een vast onderdeel is van de kerkelijk liturgie in West-Europa. De term gregoriaans is een verwijzing naar paus en kerkvader Gregorius I de Grote(paus van 590-604) die ooit - zowel in de middeleeuwen als in onze tijd - geacht werd een grote invloed gehad te hebben op het ordenen van de bestaande muziek in de kerkelijke liturgie.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

Troubadour met viool, 14e eeuw.

Auteur:  Srnec at en.wikipedia

Twee fluitspelers in het Cantigas de Santa Maria, 13e eeuw.

Bron:  Cantigas de Santa Maria manuscript

Troubadours, 14e eeuw.

Bron: German anonymous., s. XIV. Archiv für Kunst und Geschichte. Berlin. http://images.amazon.com/images/P/B00000IX6O.jpg

Graduale Aboense, hymne boek van Turku, Finland, 14e/15e eeuw.

Bron: Helsinki University Library

Bladzijde 28r (Egidiuslied) van het Gruuthuse-handschrift, met rechtsonder het lied 'Egidius waer bestu bleven' met notenschrift,1395-1408.

Bron: http://www.kb.nl/galerie/gruuthuse/page_28r.xml