App Wereld Muziek (klassieke muziek)

Renaissance muziek

De renaissance (wedergeboorte) begon in Italië in de 14e eeuw en verspreidde zich in de volgende eeuwen over de rest van Europa. Meestal denkt men daarbij niet gelijk aan de muziek, doch net als andere kunstenaars wilden dichters en musici uit die periode hulde brengen aan de recent herontdekte waarden van de Oude Grieken. De jaren tussen 1500 en 1600 zijn de meest revolutionaire periode in de Europese muzikale geschiedenis. Het is de eeuw waarin de zowel de harmonieleer als de opera zijn ontwikkeld. Venetië is de bakermat van de commerciële opera terwijl Napels zich kan beroepen op een verleden van, door de kerk gesponsorde, conservatoria. De componisten en uitvoerende musici van deze instituten zouden van groot belang zijn voor de muzikale ontwikkeling van de rest van Europa. Met name Girolamo Mei was als historicus en humanist voor de muziekgeschiedenis belangrijk omdat hij door zijn geschriften de intellectuele impuls gaf aan de Camerata fiorentina, die probeerden het oude Griekse muziekdrama te laten herleven. De renaissance is een periode in de geschiedenis van de klassieke muziek welke liep van ongeveer 1400 tot 1600. Tonale kenmerken zijn een groter gebruik van de terts - die in de middeleeuwen nog als dissonant werd aangezien - en een meer uitgewerkte vocale polyfonie. De muziek liet zich vooral kenmerken als geestelijke muziek met eenvoudige structuren, waarbij tertsen en sexten veelal als samenklanken werden gebruikt. Een ander kenmerk is het gebruik van grote- en kleinetertstoonladders en daarnaast de kerktoonladders.

Een motet is een benaming die in de westerse muziek wordt gebruikt voor bepaalde composities die in het algemeen door zangers worden uitgevoerd. Het motet als compositievorm verschilt nogal per periode, de term "motet" werd voor het eerst gebruikt in de middeleeuwen en was een polyfone muzikale vorm, die met name in de Nederlanden en Frankrijk vanaf 1220 à 1230 zeer snel opgang maakte. Het middeleeuwse motet bestond uit een clausula met een tekst, die het memoriseren van de melodie zou hebben vereenvoudigd. Grofweg zijn er twee vormen te onderscheiden: 1. in het duplum staat een Latijnse tekst die een commentaar bevat op op het gegeven van de tekst waarvan de discantpartij een deel was. Zo bevatten bijvoorbeeld de vroegste motetten op de clausula's van het in saeculum teksten over de verrijzenis. 2. in het duplum staat een profane Franse tekst. Deze latere ontwikkeling voltrok zich in feite binnen één generatie, en betekende de secularisatie van het motet. Het overgrote deel van de motetten van de Ars Antiqua bevatten Franse, profane teksten. Johannes van Luik schreef over deze motetten, dat zij alleen werkelijk door intellectuelen en studenten te genieten waren. De verstaanbaarheid van de tekst (en) werd namelijk als niet werkelijk van belang zijnde beschouwd. Elke toegevoegde stem werd als een onafhankelijke compositie beschouwd. In de renaissance, maar ook in latere tijden zijn er nog altijd motetten geschreven, waaronder in de Barok door Johann Sebastian Bach.

Een madrigaal is een overwegend vocale muziekvorm. In drie verschillende perioden van de muziekgeschiedenis komen we madrigalen tegen, in de “Middeleeuwse Italiaanse Trecento-muziek”, in de renaissance, en tenslotte in de barok. Het bekendst zijn tegenwoordig de madrigalen uit de renaissance; het was ook veruit de belangrijkste en populairste vocale vorm van deze tijd. Het madrigaal was het meest populair bij Italiaanse (Trecento en Italiaanse renaissance), Vlaamse (renaissance) en Engelse (barok) componisten. Het madrigaal in de Trecento-periode (de periode die parallel loopt aan de Franse Ars Nova) vertoont een twee- of driestemmige zetting. De gezongen teksten behandelen diverse onderwerpen. In bijvoorbeeld het manuscript Panciatichi 26 uit Florence staan naast de vele populaire ballata's, en enige Ars Nova-werken van Guillaume de Machault, ook madrigalen van Franceso da Firenze. Het madrigaal is in zijn hoogtijdagen in de renaissance een vier- tot zesstemmige polyfone a capella-compositie met een expliciet wereldlijke tekst. Het madrigaal was zeer populair in de 16e tot en met het begin van de 17e eeuw. De belangrijkste componisten uit deze bloeiperiode zijn Palestrina, Orlandus Lassus, Gesualdo (late periode) en Monteverdi (overgang naar de basso continuo). Elk van deze componisten heeft meerdere boeken met madrigalen geschreven. Door de opkomst van de grootser opgezette opera na 1600, raakte het madrigaal, dat bescheidener van uitwerking was, vrij snel in onbruik.

In de vroege periode (voor 1550) ontstrengelde het voorheen sterk polyfone madrigaal zich naar de homofene frottola. Meestal gaat het om homofone vierstemmige zettingen van een vrij gedicht. Voorbeeld: Jakob Arcadelt. Na 1550 tot 1580 ontwikkelde het madrigaal zich indachtig het motet in een meer polyfone richting: imiterend karakter voor 5 of 6 stemmen. Grote componisten hebben naast hun geestelijke werken ook (wereldlijke) madrigalen gecomponeerd. Voorbeelden: Willaert, Rore, Andrea Gabrieli, Orlando di Lasso, Philippus de Monte en Palestrina. Na 1580 uitsluitend Italiaanse componisten als proeftuin voor harmonische experimenten met vooral in de verhalende delen muzikale illustratie van de tekst. Woorden als smart, vreugde en melancholie leidden tot een zo uitgebreide toonschildering, dat men deze wel aanduidt als madrigalisme. Voorbeelden: Luca Marenzio, Gesualdo en Monteverdi. Hier vindt men ook de overgang van solo-madrigaal naar de monodie met basso continuo (chromatisch madrigaal als de chromatiek de dominante trek is). Bij Claudio Monteverdi, Caccini en Giaches de Wert vindt men deze vorm. Hoewel in de barok een zeldzame vorm, werd er door componisten die teruggrepen op de Renaissancestijl, zoals onder andere Heinrich Schütz, ook wel gebruikgemaakt van de term madrigaal. Deze madrigalen hadden echter weinig gelijkenis met die uit de bloeiperiode, en waren soms ook voorzien van een religieuze tekst (madrigali spirituali). Het barokmadrigaal was voorzien van een basso continuo, en soms geheel instrumentaal.

De Venetiaanse School was een stroming van componisten in de renaissance die in de periode van ca. 1550 tot 1610 in Venetië werkzaam waren. De eerste componist uit deze school was de Vlaming Adriaan Willaert. Later belangrijke componisten waren Cypriano de Rore, Claudio Merulo, Andrea Gabrieli, Giovanni Gabrieli en Claudio Monteverdi. Na de dood van Paus Pius X en de Sacco di Roma nam de culturele betekenis van Rome af en werden andere Italiaanse steden, waaronder Venetië, belangrijker. De grote ruimte van de San Marcobasiliek vereiste een geheel andere manier van componeren dan de polyfone stijl van de Franco-Vlaamse School. Verder eiste het concilie van Trente een goede verstaanbaarheid van de muziek, hetgeen ook een belemmering voor de polyfone stijl was. De componisten gingen nu experimenteren met de ruimte van de San Marcobasiliek en stelden meerder koren en groepen instrumentalisten op verschillende plaatsen in de kerk op. Hierdoor ontstond de voor de Venetiaanse muziek kenmerkende meerkorigheid met cori spezzati. Voor het eerst in de geschiedenis van de westerse muziek gingen nu ook dynamiek (geluidsterkte) en klankkleur een rol spelen in de compositie. Ook speelde de Venetiaanse School een belangrijke rol bij de emancipatie van de instrumentale muziek, die zich tot die tijd nauwelijks van de vocale muziek onderscheidde. Ze had een grote invloed op de vroege barokmuziek in geheel Europa. Vooral uit Duitsland kwamen veel componisten naar Venetië om hier les te nemen. De bekendste hiervan is Heinrich Schütz.


De Franco-Vlaamse School of Nederlandse School is een stijlrichting van polyfone vocale muziek in de 15e- en 16e eeuw. Aangezien de toenmalige landsgrenzen enige vergelijking met de landsgrenzen vandaag niet geheel plegen te doorstaan, kan het begrip "Nederlands" voor verwarring zorgen. Weinig van de componisten die onder deze noemer worden samengebracht, zijn immers geboren op het grondgebied van het huidige Koninkrijk der Nederlanden. Het begrip "Nederlands" slaat uitdrukkelijk op de Lage Landen, die grotendeels overeenstemmen met de huidige Beneluxlanden en het door Frankrijk bezette deel van de Nederlanden. Verreweg de meeste en belangrijkste componisten zijn geboren in de historische graafschappen Vlaanderen en Henegouwen en in het hertogdom Brabant. Gedurende periodes van politieke stabiliteit in de 15e en 16e eeuw, m.a.w. tussen twee oorlogen in, waren deze gewesten binnen de Nederlanden het kerngebied van alle noemenswaardige economische en daarmee ook culturele activiteit, alhoewel niet alle centra terzelfder tijd even toonaangevend waren over de hele periode. Tegen het einde van de 16e eeuw was het kerngebied van muzikale vernieuwing niet alleen naar Italië verlegd, maar ook met autochtone Italianen bemand (Jacopo Peri, Carlo Gesualdo, Claudio Monteverdi). Ofschoon de componisten geboren waren in de Lage Landen, vonden ze meestal emplooi buiten de Nederlanden, met name in Italië, Frankrijk, het Heilig Roomse Rijk (Duitsland, Oostenrijk, Bohemen, Spanje, Engeland, Hongarije, Denemarken en andere delen van Europa.

Componeerstijl

De verspreiding van hun componeerstijl, in de hand gewerkt door de revolutionaire ontwikkelingen op het gebied van de muziekdrukkunst vanaf 1501, creëerden de eerste werkelijk internationale stijl sinds de opgelegde eenvormigheid van de Gregoriaanse gezangen in de 9e eeuw. Muzikaal gezien begint het tijdperk der Nederlanders met de waarneming van de terts en de sext als reine intervallen (in de middeleeuwen werden alleen het octaaf en de kwint als rein beschouwd). De muzikale hegemonie der Nederlanders werd een halt toegeroepen op het concilie van Trente, waar van de kerkmuziek de goede verstaanbaarheid gevergd werd waar polyfone composities in eerste instantie niet op zijn gericht. Vanaf dan neemt het belang van de Italiaanse muziek en haar invloed buiten het schiereiland gestadig toe om vervolgens gedurende een tweetal eeuwen stand te houden. Binnen de Franco-Vlaamse School worden vaak vijf generaties onderscheiden als ijkpunten om vat te krijgen op de ontzaglijk rijke materie en de stijlevolutie. De Nulgeneratie (circa 1380-1420). Eerste Generatie of Eerste Nederlandse School (circa 1420-1460). Tweede Generatie of Tweede Nederlandse School (circa 1460-1490). Derde Generatie of Derde Nederlandse School (circa 1490-1520). Vierde Generatie of Vierde Nederlandse School (circa 1520-1560). Vijfde Generatie of Vijfde Nederlandse School (circa 1560-1600). Nabloei (circa 1600-1630). De vocale muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck, Cornelis Schuyt, Cornelis en Jan Verdonck of die van Matteo Romero, behoort hiertoe.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

De partituur van "Fortem virili",  Alexander Agricola, 15e-16e eeuw (zangmeester en componist).

Een Frans lied in muzieknotatie.

Widor, Charles Marie, 1844-1937 (book text), Louis-Maurice Boutet de Monvel,1855-1913 (illustration). Bron: Library of Congres

Regina coeli: De kroning van Maria in de Hemel. Altaar van het Charterhouse of Villeneuve-lès-Avignon, 1454.

Bron: The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.

Ars Subtilior. Cordier's rondo over liefde, Belle, Bonne, Sage, is genoteerd in de vorm van een hart, met rode noten die de ritmische veranderingen aangeven, tussen circa 1350 en circa 1400.

Bron: Chantilly Manuscript

Componist Guillaume Dufay (1474) and Gilles Binchois (1460), ca. 1440.

 'Le Champion des Dames' door Martin le Franc (1410-1461).

Handschrift met het Omnium bonorum plena, een motet van Loyset Compère, mogelijk het vroegste, bewaarde werk; de datering is onzeker, misschien is het gecomponeerd naar aanleiding van de wijding van de kathedraal van Kamerijk op 2 juli 1472.

Bron: Originally from en.wikipedia; description page is/was here.

Giovanni Pierluigi da Palestrina. Italiaanse componist, geboren in Palestrina 1524 - overleden in Rome 1594.

Artist: E. Neurdein. Bron: Bergen Public Library Norway