App Wereld Muziek (klassieke muziek)

Muziekinstrumenten -2-: houtblazers (riet)

Een rietblazer bespeelt (blaasinstrument) een muziekinstrument met een riet als mondstuk. Men onderscheidt enkelrietinstrumenten waarbij een enkel rietblad op een mondstuk is gebonden, en dubbelrietinstrumenten, waarbij twee rietbladen samengebonden op een buisje zijn gebonden. Het geluid ontstaat door het in trilling brengen van een enkel of dubbel riet. De beheersing van dit blazen heet embouchure (de actie van de lippen die nodig is om een blaasinstrument te bespelen). Het in trilling brengen van het riet gebeurt door lucht te persen tussen het mondstuk en het riet (bij een enkelrietinstrument) of tussen de twee rietbladen (bij een dubbelrietinstrument). Deze trilling wordt in de buis van het instrument in luchttrilingen overgezet. Door kleppen of gaten met de vingers af te dichten wordt de toonhoogte bepaald. De manier van blazen op het riet geeft het instrument, samen met de vorm van de buis, een typische klankkleur. Voorbeelden van instrumenten met rieten mondstuk: doedelzak, fagot, hobo, klarinet, saxofoon, schalmei. De rietblazers zijn een onderverdeling van de houtblazers. Een schalmei (Frans: chalumeau, via Lat. calamellus van calamus = riet) is een blaasinstrument met een rechte conische boring. De toon wordt gevormd met een dubbelriet. In de Europese traditie was de schalmei samen met de grotere familieleden van de pommer een populair instrument in de renaissance. De bas-vormen waren vaak erg zwaar en onhandelbaar en werden daarom verdrongen door een opgevouwen versie van de dulciaan, waaruit zich de moderne fagot ontwikkeld heeft. Het blazen over (een klein stukje van) het riet zorgt ervoor dat het riet gaat trillen, waardoor er geluid ontstaat. De plant waarvan het riet gesneden wordt is echter het bamboeachtige Spaanse riet Arundo donax (pijlriet).

De fagot is een houten blaasinstrument. Het instrument bestaat uit een lange (houten)buis met een licht conische boring. Omwille van de hanteerbaarheid is de buis 'dubbelgevouwen'. De klank van de fagot is uiterst karakteristiek: in de lage tonen enigszins grof en korrelig, in het middenregister gelijkend op die van de hoorn, en in de hoogte nadert de toon die van de violoncello, altviool of menselijke tenorstem. Het dubbelriet wordt bevestigd aan een losse metalen gebogen buis, de zogenaamde S-bocht of 'S'. Deze 'S' vormt de verbinding tussen het riet en de samengekoppelde dubbele houten buis. Deze houten buis bestaat uit vier onderdelen: de vleugelpijp, de laars, een blok hout met twee boringen, die onderaan met elkaar worden verbonden met behulp van een metalen U-bocht, die wordt afgedekt door een metalen kap, de baspijp en de klankbeker, die meestal fraai is vormgegeven en wordt beëindigd met een meestal witte ring. Vanwege het gewicht van het instrument wordt bij het bespelen vaak gebruikgemaakt van een ophanging (bijv. koord om de nek) of steun (bijv. beensteun). Hierdoor hoeft de fagottist het gewicht niet met zijn handen dragen. Voor een goede bespeling hangt het instrument diagonaal voor de bespeler en is de bovenkant van het instrument schuin naar voren gericht. Door de 'gevouwen' buis is de effectieve buislengte groot (2,59 m), waardoor het instrument lage tonen kan produceren. De laagst mogelijke toon is de Bes1 (contra-bes).

Een hobo is een dubbelrietinstrument behorend tot de houten blaasinstrumenten dat bespeeld wordt als solo-instrument in hoboconcerten, maar ook als onderdeel van een symfonieorkest, harmonieorkest en blazersensembles. Het dubbelriet (aanblazen) wordt gevormd door twee licht gebogen rietbladen die met garen rond een metalen stiftje worden bijeengebonden. Het wordt direct tussen de lippen genomen en door het aanblazen komen beide rietbladen in trilling. De hobo bestaat uit een conisch geboorde buis met een licht trechtervormig uiteinde. Langs de buis bevinden zich diverse gaten en verzilverde kleppen. De eerste hobo had deze kleppen nog niet; pas in de 19e eeuw kreeg de hobo het huidig uiterlijk. Iemand die een hobo bespeelt, wordt een hoboïst genoemd. Het riet wordt doorgaans door de hoboïst zelf vervaardigd, en naar persoonlijke smaak gesneden, opgebonden, aangepast en gevormd. De manier van aanblazen is van invloed op de klank en de geluidssterkte. Voor het voortbrengen van een kwalitatief goede toon is een ver ontwikkelde embouchure vereist. De hobo wordt beschouwd als een relatief moeilijk te bespelen instrument. Om lang achter elkaar te kunnen spelen is veel studie vereist. De klank van de hobo is nasaal en zeer vérdragend. Vanwege zijn relatief stabiele en indringende toon wordt de hobo gebruikt om de toon te blazen (meestal een a, soms een bes of een andere noot) waarop de andere instrumenten in een symfonieorkest of harmonieorkest hun stemming aanpassen (afstemmen).

De klarinet is een blaasinstrument behorend tot de enkelriet instrumenten. In het symfonieorkest wordt de klarinet gerekend tot de houtblazers. De naam is een verkleinwoord van het Italiaanse clarino, een soort trompet. De klarinet bestaat uit een cilindrische holle pijp met gaten, waarvan sommige met de vingers worden afgedekt, en andere door een klep. De gaten die met de vingers worden afgedekt, hebben vaak een ring (bril), waarmee weer kleppen worden afgedekt die buiten het bereik van de vingers liggen. Het uiteinde loopt uit in een trechter die klankbeker wordt genoemd. Hiermee wordt bereikt dat de akoestische impedantie van de buis beter aangepast is aan die van de lucht, en de klarinet meer geluid produceert, vooral bij de lage noten. Klarinetten worden meestal gemaakt van hout (vooral ebbenhout), maar ook andere materialen als metaal en tegenwoordig kunststof worden wel gebruikt. De eigenlijke geluidsproductie vindt plaats in het mondstuk. De klarinettist zet zijn boventanden op het mondstuk en zijn onderlip tegen het riet dat tegen het mondstuk aan gebonden of geklemd is. Door lucht tussen het mondstuk en het riet door te blazen gaat het riet trillen. De lipspanning (embouchure) bepaalt hoeveel vrijheid het riet krijgt om te trillen. Dit heeft invloed op de toonhoogte en de klankkleur. De trilling van het riet zet de lucht in de klarinet ook in beweging, waardoor er geluid gemaakt wordt. Behalve de gewone klarinet bestaan er ook bas-, tenor- en altvarianten: de basklarinet in Bes, de altklarinet in Es, de contra-altklarinet in Es, de contrabasklarinet in Bes en de subcontrabasklarinet in Es.

Een saxofoon is een blaasinstrument met een conische (naar het uiteinde toe breder), meestal S-vormige buis die voorzien is van kleppen. De saxofoon hoort bij de houtblazers. De huidige saxofoons hebben meestal kleppen voor een bereik van twee-tweederde octaaf, van laag Bes tot en met hoog fis. Op negentiende eeuwse saxofoons was B de laagste toon en e de hoogste, de omvang was dus een kleine terts geringer. Al vrij snel is het bereik vergroot, waarbij de hoge fis de laatste toevoeging was. Op de nog steeds zo gewilde Selmer Mark VI modellen uit de jaren vijftig en zestig zat geen hoge fis (contr. FA), en ook op goedkopere hedendaagse modellen ontbreekt de klep, deze werd in 1896 pas toegevoegd aan de saxofoon. De saxofoon blaast over in het octaaf, dat wil zeggen dat bij dezelfde vingerzetting twee tonen geproduceerd kunnen worden die een octaaf in toonhoogte verschillen. Om het overblazen te vergemakkelijken zit bij de duim de zogeheten octaaftoets. Oorspronkelijk waren er zelfs twee, maar alle huidige instrumenten hebben een mechanisme waar de duimtoets twee verschillende overblaasklepjes bedient. Tot en met de g (en de gis) bedient de duim het lage octaafklepje, vanaf de a wordt automatisch het hogere klepje geopend en het andere gesloten. Hogere tonen zijn te vinden in het zogenaamde altissimoregister. Met allerlei speciale grepen kunnen tonen voortgebracht worden die hoger zijn dan wat de hoogste klep toelaat. Het vereist veel oefening, maar sommigen kunnen langs deze weg het bereik tot vier octaven vergroten.


Doedelzak

De doedelzak is een bijzonder oude vorm van een blaasinstrument. De doedelzak is een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtkamer en dus niet met de lippen of tong aangeraakt wordt. Zowel enkele als dubbele rieten worden toegepast. Vermoed wordt dat het instrument ca. 2000 v.Chr. is ontstaan in de regio India en Pakistan en vervolgens door de tochten van Alexander de Grote naar het westen is gebracht. Doedelzakken kwamen al voor in het oude Egypte en Turkije en hebben zich in de Romeinse tijd over geheel Europa verbreid. In Duitsland, Schotland, Ierland, Galicië en Asturië (Spanje) en Servië en Albanië zijn ze in de loop der eeuwen een onderdeel van de cultuur geworden. De bekendste vorm is waarschijnlijk de Schotse (highland) doedelzak, hoewel dit eigenlijk een buitenbeentje is. Het is een bijzonder luid instrument dat bedoeld is voor het slagveld, met een beperkte toonomvang van 1 octaaf plus 1 noot. De Ierse doedelzak daarentegen is een minder snerpend kamerinstrument dat geschikt is voor samenspel met fluit, viool, banjo enz. en dat een bereik heeft van 2 octaven. Bijna alle doedelzakken maken gebruik van een of meer bourdons (set pijpen die in kwint of octaaf gestemd zijn). De speelpijp heeft meestal slechts een beperkte omvang (vaak niet meer dan een octaaf of none). Dit betekent dat in de westerse muziektraditie het instrument na de baroktijd geheel verbannen is naar de volksmuziek, omdat het niet tot modulaties in staat is. Omdat de bourdons altijd een vast akkoord spelen zouden tonen die niet in die toonladder passen ook vals klinken.

Enkelriet en dubbelriet

Een enkelriet is een enkelvoudig riet op het mondstuk van een blaasinstrument. Het enkelriet wordt met metalen of kunststof klem, soms ook met een speciaal koord vastgezet aan de opengewerkte onderzijde van het mondstuk. Sommige saxofonisten de geen klem prefereren gebruiken geen speciaal koord maar normaal hennep vliegertouw. Via het riet vindt de geluidsproductie plaats. De bespeler zet zijn boventanden op de dichte kant van het mondstuk en zijn ondertanden omhuld door de onderlip als bescherming tegen het riet aan. Door lucht tussen mondstuk en riet te blazen onder druk van de kaakgreep en lipspanning gaat het riet trillen. De trilling zet de lucht in het muziekinstrument in beweging en afhankelijk van de mate van kaak- en lipspanning, de zogenaamde embouchure wordt de vrijheid van trillen en aldus de toonhoogte meebepaald en de klankkleur en het volume van het geproduceerde geluid vorm gegeven. Ook de vorm, dikte en lengte van het riet bepalen mede de aanblaaswijze en de klankkleur. Dubbelriet: men spreekt bij blaasinstrumenten van dubbelriet wanneer twee rietbladen zijn samengebonden en dienen om de toon van een instrument voort te brengen. Voor de hobo worden de rietbladen gebonden op een buisje dat in een holle kurk steekt, waarmee het riet aan het instrument kan worden bevestigd. Voor de fagot worden de rietbladen aan het einde tot een buisje samengebonden, waarmee het riet op de "S-bocht" (kortweg "S") aan de fagot, geschoven wordt. Het geheel van rietbladen, eventueel met buisje en kurk, noemt men dan het 'riet'.

Info Contact Home


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

+

+

+

+

Pijlriet: Arundo donax. Inzet: mondstuk klarinet met riet in metalen klem.

Frfans:Jardin des Plantes de Paris. Foto: Bouba at French Wikipedia

Der Fagottspieler, ca. 1912.

Schilder: Hermann Kern. Foto: Dorotheum

Contrafagot

Foto: Mezzofortist

Microtonale kwarttoonklarinet met 24 toetsen per octaaf.

Foto: Frank Fickelscherer-Faßl. Bron: de:image:VierteltonMMM.jpg

Slangenfagot uit de 16e eeuw gemaakt van hout, leer en messing.

Bron: Franziskanermuseum Villingen, Baden-Württemberg vermutlich aus Frankreich, 16. Jahrhundert. Geschaffen aus Holz, Leder und Messing. Foto: Mogadir

Fagot.

Foto: Gmaxwell

Linker foto: 2x een dubbelriet voor een fagot. Foto rechts: dubbelriet voor een hobo.

 Foto: Aquazer at fi.wikipedia

+

+

+

+

Pipers (doedelzakbespelers) from the bands of the Royal Gibraltar Regiment and the London Regiment during the Queen's birthday parade in Casemates Square, Gibraltar.

Auteur: Joe Vinent.

Hobo.

Bron: From wiki:pl Pawel Wajda, 2004