App Wereld Muziek (klassieke muziek)

Componisten - 1 -

Kassia, ca. 810 - ca. 865, was een Grieks-Byzantijnse dichteres, componiste en hymnendichteres. Kassia is een van de eerste vrouwelijke componisten van wie een aanzienlijk aantal werken zijn overgeleverd, die door eigentijdse musici nog steeds kunnen worden uitgevoerd. Van haar hymnen zijn er ongeveer vijftig overgeleverd; 23 zijn opgenomen in het liturgisch boek van de orthodoxe kerk. Het precieze aantal valt moeilijk te bepalen omdat talrijke hymnen in de handschriften vaak anoniem zijn overgeleverd. 47 van haar werken zijn tropen (korte gebedshymnen) en twee zijn canons (hymnencycli van 8 oden). Voorts zijn ongeveer 261 niet-liturgische verzen overgeleverd en verschillende epigrammen of aforismen, zogenaamde "gnomische verzen". Een voorbeeld: "Ik haat de rijkaard die klaagt als was hij arm." Notker de Stotteraar, ca. 840 - 912, was een vroeg-middeleeuws auteur, componist, poëet en benedictijnermonnik in de Abdij van Sankt Gallen. Hij is de patroon van de muzikanten en wordt aangeroepen tegen het stotteren. Hij componeerde muziek en schreef er liturgische teksten bij. Zijn Media vita in morte sumus (Latijn voor: midden in het leven staan we in de dood) werd het strijdlied van de kruisvaarders. Door liturgen wordt hij beschouwd als de oudste en bekendste dichter van sequensen (beurtzangen na een bijbellezing) in de kerkmuziek. Bewaard gebleven zijn: Hymni et sequentiae (Hymnen en Sequenties), zijn dichtbundel Carmina varia(Verschillende gezangen), een heiligenkalender en een van veel fantasie getuigende levensbeschrijving van Karel de Grote.

Guido van Arezzo, 991 - 1033, wordt beschouwd als een van de belangrijkste grondleggers van de muzieknotatie. Hij werd onderwezen in de benedictijnenabdij van Pomposa, nabij Ferrara (Italië). Omstreeks 1025 werd hij door bisschop Theobaldus van Arezzo aangesteld om muziekonderricht te geven in de kathedraal St. Donatus. Vóór Guido's tijd kende men als notatie het systeem van de neumen en de notennamen A-B-C-D-E-F-G. Bij deze namen was het echter niet duidelijk of een secunde A-B nu groot of klein was, te meer omdat men een verscheidenheid van modi zong. De grote uitvinding van Guido is dat hij met behulp van de in zijn tijd overbekende hymne Ut queant laxis een methode bedacht om de grootte van de secunde stap eenduidig te kunnen noteren. Ioannes Koukouzelis, ca. 1280 – ca. 1360, was een middeleeuwse componist, zanger en hervormer van de Oosters-orthodoxe kerkmuziek. Koukouzelis introduceerde een melodieuze stijl en navenant repertoire en schiep de laat-Byzantijnse methode van muzieknotatie, die naar hem werd genoemd. Ongeveer 90 werken in alle kerkstijlen bleven bewaard. Koukouzelis wordt beschouwd als de meest invloedrijke componist van zijn tijd. Adam de la Halle, ca. 1237 — ca. 1288, was een Franse trouvère en middeleeuws componist van het Jeu de Robin et Marion. Aanvankelijk zou hij priester worden. Hij is in plaats daarvan echter getrouwd en studeerde voor kunstwetenschappen, in Parijs. Het zangspel Le Jeu de Robin et Marion, zijn beroemdste werk, wordt wel de allereerste voorloper van de opera genoemd.

Jacob Obrecht, 1457/1458 - 1505, was een Vlaams componist. Biografische details over Obrecht zijn vrij schaars en vaak onnauwkeurig. Zijn werkzame leven lijkt een aaneenschakeling van korte aanstellingen. Op 28 juli 1484 werd Obrecht aangesteld als leraar aan de zangschool van de kathedraal van Kamerijk. Op 6 september begon hij zijn werk om de koorknapen liturgie, zang, Latijn en goed gedrag bij te brengen. Obrecht ging naar Brugge en werd op 13 oktober 1485 benoemd tot 'zangmeester' aan de Sint- Donatianuskerk. Obrecht krijgt een betrekking bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen waar hij Jacobus Barbireau opvolgt als koormeester. Na een soort 'concours' werd hij kapelmeester aan dezelfde kerk in 1492 Waarschijnlijk al in 1492 reist hij naar Frankrijk. In 1494/5 componeert hij het motet Inter praeclarissimas virtutes en probeert daarmee bij de paus in de belangstelling te komen. Jacob Obrecht schreef vooral kerkelijke muziek: missen en motetten. Van hem zijn daarnaast enkele wereldlijke liederen bekend. Hij was een volgeling van Johannes Ockeghem. Jacob Obrecht was naast Josquin des Prez één van de toonaangevende vertegenwoordigers van de Vlaamse polyfonie van de middeleeuwen/vroegrenaissance. Ondanks het vasthouden aan de Nederlandse stijl was Obrecht vernieuwend; met name op harmonisch gebied en in de variatie in methoden om met de bestaande melodie om te gaan was hij zijn tijd vooruit. Dit werd ook erkend door zijn tijdgenoten. Zo nam Johannes Tinctoris Obrecht op in een korte lijst van grote componisten. Zomer 1505 stierf Obrecht aan de pest.

Cypriano de Rore, 1515/1516 - 1565, was een componist afkomstig uit de Nederlanden. Hij was een representatieve vertegenwoordiger van de generatie Nederlandse polyfonisten van na Josquin, wier componistenloopbaan zich eveneens in Italië afspeelde, en die bepalend was voor de ontwikkelingen van de muziekstijlen van de late Renaissance. De Rore was ook één van de meest vooraanstaande componisten van madrigalen (overwegend vocale muziekvorm). In 1542 was hij in Brescia (Italië), waar hij waarschijnlijk bleef tot 1546. In die periode begon hij naam te maken als componist. Hij gaf succesrijk madrigalen uit en twee boeken met motetten. In 1546-1547 kwam hij als zangmeester in dienst bij hertog Ercole II d'Este in Ferrara. Van 1560 tot 1563 werkte De Rore voor Margaretha van Parma, landvoogdes der Nederlanden, in Brussel. Van De Rore kennen we vijf missen, ongeveer 80 motetten, verschillende psalmen, wereldlijke motetten, en een zetting van de Johannes-Passion. Als componist van madrigalen verwierf De Rore echter blijvende roem. Hij was verreweg de meest invloedrijke madrigalist van het midden van de zestiende eeuw. Hij schreef er meer dan 120 verdeeld over tien afzonderlijke boeken, uitgegeven tussen 1542 en 1565; andere madrigalen werden apart gepubliceerd. De Rore was een gesofisticeerd contrapuntist en wendde canonische technieken toe, imitatie, en alle mogelijkheden van de polyfonie zoals ze zich sinds de vroege zestiende eeuw hadden ontwikkeld met het doel wereldlijke teksten op muziek te zetten.

Jan Pieterszoon Sweelinck, 1562 - 1621, was een Nederlands componist, organist, klavecinist, muziekpedagoog, muziekorganisator en ensembleleider. Hij geldt als de belangrijkste Nederlandse componist van de vroeg-moderne geschiedenis. Sweelinck leerde het klavierspel (orgel en klavecimbel) vermoedelijk van zijn vader Pieter die, tot aan zijn dood in 1573, organist was aan de Oude Kerk in Amsterdam. In ieder geval is gedocumenteerd dat Sweelinck vanaf 1580 'voor vast' aan de Oude Kerk is verbonden. Uit een latere uitlating van zijn vriend Cornelis Plemp valt echter op te maken, dat Sweelinck al in 1577, op 15-jarige leeftijd, als vaste organist aan de Oude Kerk werkzaam was. Het is vooralsnog een raadsel bij wie Sweelinck zijn enorme vaardigheid in het componeren van met name zijn ensemblemuziek heeft ontwikkeld. Het hoge niveau van deze composities - waaronder meerstemmige toonzettingen van het gehele Geneefse psalter en van rooms-katholieke liturgische teksten en gezangen - kan niet terug te voeren zijn op uitsluitend zelfstudie. Sweelinck was als componist en als muziekpedagoog tot ver buiten de landsgrenzen bekend en beroemd. Reeds tijdens zijn leven verschenen vele van zijn vocale werken in druk en verspreidden zich over geheel Europa. Sweelinck moet niet alleen voortreffelijk musicus zijn geweest: over zijn talenten als briljant improvisator aan het klavecimbel en op orgel werd bij zijn leven reeds hoog opgegeven. Vooral uit noordelijk Duitsland stroomden leerlingen naar Amsterdam toe om bij Sweelinck het orgelspel en compositie te leren.


Claudio Juan Antonio Monteverdi, 1567 — 1643, was een Italiaans componist, dirigent en oorspronkelijk ook werkzaam als violist en zanger. Monteverdi's werk markeert de overgang van Renaissance- naar Barokmuziek. Hij was een groot en in zijn tijd geëerd musicus. Na een lange periode van vergetelheid wordt hij nu weer volop uitgevoerd. De door Monteverdi geschreven opera's worden algemeen erkend als de onmiskenbare hoogtepunten, waarmee de canon van de Westerse opera begint. Monteverdi publiceerde tussen 1582 en 1590 al 5 boeken met composities (waaronder twee boeken met vijfstemmige madrigalen in 1587 en 1590). Grote werken zijn de opera l'Orfeo voor het carnaval van 1607 in opdracht van Francesco Gonzaga opgevoerd door de Accademia degli Invaghiti. Op 19 augustus 1613 werd Monteverdi met algemene stemmen gekozen en aangesteld als maestro di cappella aan de San Marco in Venetië. Zijn taak was het verschaffen van de geestelijke muziek bij het kerkelijk jaar en bij staatsbanketten. In 1607 componeerde Monteverdi zijn eerste opera: Orfeo, gebaseerd op de klassieke mythe van Orpheus en Eurydice. Orfeo was bedoeld ter opluistering van het jaarlijkse carnaval van Mantua. De uitvoering was een succes. Na Orfeo liet Claudio Monteverdi zich voor zijn volgende opera, Arianna, inspireren door de klassieke mythe van Ariadne op het eiland Naxos. Van het omvangrijke opera-oeuvre (minstens 18 opera's) dat Claudio Monteverdi bij elkaar schreef, is er echter heel wat verloren gegaan.

Constantijn Huygens, 1596 — 1687, was een Nederlands dichter, diplomaat, geleerde en componist. Huygens staat bekend als één van de grootste dichters uit de Gouden Eeuw. Hij was tevens secretaris van drie prinsen van Oranje: Frederik Hendrik, Willem II en Willem III. Huygens bespeelde verschillende instrumenten (luit, gitaar, viola da gamba, klavecimbel) waarvoor hij een groot aantal werken schreef. Muziek vond hij belangrijker dan zijn letterkundige werken, die hij in zijn weinige vrije tijd schreef. Constantijn Huygens was de vader van de staatsman en natuurkundige Constantijn Huygens jr. en de natuur- en wiskundige Christiaan Huygens. Vanaf Constantijns 5e jaar kregen hij en zijn broer Maurits muziekonderricht. Ze begonnen met zanglessen, en leerden noten lezen. Twee jaar later begonnen de lessen op de viola da gamba. Daarna volgden de luit en het klavecimbel. Met name voor het luitspel legde Constantijn een uitzonderlijk talent aan de dag. Reeds op zijn elfde werd hem gevraagd luit te spelen voor de Deense gezanten; in 1618, op zijn eerste diplomatieke reis, speelde hij voor koning Jacobus I van Engeland. In 1617 verscheen voor het eerst een gedicht van Huygens in druk: Larmes sur la Mort de feu Monsieur Maurice de Nassau, een rouwklacht over de dood van Maurits van Nassau jr.. Huygens had meest gedichten geschreven in het Latijn en Frans. De Zeeuwse dichter Jacob Cats stimuleerde hem, te dichten in het Nederlands. In oktober 1621 stuurde Huygens Cats een lang gedicht, Batava Tempe: een lofzang op zijn geboorteplaats.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

Sint Kassia (icoon).  Hymne van Kassiani Byzantijnse hymnografie.

Guido van Arezzo, 9e eeuw.

Bron:  Robbot at Dutch Wikipedia

Cypriano de Rore, detail van een miniatuur door Hans Müelich, waarschijnlijk 1558 or 1559.

Bron: Munich State Library by Hans Müelich; probably 1560s; from Alfred Einstein, The Italian Madrigal (1949), PD-art

Notker de Stotteraar, 10e eeuw.

Bron:  from a medieval manuscript (St. Gall, 10th century) http://www.heiligenlexikon.de/BiographienN/Notker_der_Stammler.htm and http://www.abcsvatych.com/mesice/4/duben6.htm

Jacob van Obrecht, 15e eeuw.

Bron:  Kimbell Art Museum in Fort Worth, Texas.

Constantijn Huygens (1596-1687).

Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt. Bron: Huygensmuseum Hofwijck, Voorburg

Info Contact Home