App Nederland Geschiedenis NL

Willem II

- Grondwet 1848 -

Willem Frederik George Lodewijk, prins van Oranje-Nassau, was van 28 november 1840 tot aan zijn dood in 1849 koning der Nederlanden, groothertog van Luxemburg en hertog van Limburg.

Willem werd geboren in Den Haag als zoon van de latere koning Willem I der Nederlanden en Wilhelmina van Pruisen. In 1813 keerde hij met zijn vader terug naar Nederland. In 1815 werd hij officieel troonopvolger, toen zijn vader zich in datzelfde jaar uitriep tot koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij nam als generaal in Engelse dienst deel aan de Slag bij Waterloo, waaruit hij gewond aan zijn schouder terugkwam, in de ogen van sommigen als de 'held van Quatre-Bras en Waterloo'.

Willem II trad in februari 1816 in het huwelijk met Anna Paulowna, een dochter van tsaar Paul I van Rusland.

Na de hereniging van de Nederlanden werd hij onder andere minister van defensie in de regering van zijn vader. Hij verbleef echter meestal in de Zuidelijke Nederlanden in Brussel, ook in de zes maanden per jaar dat de regering zetelde in Den Haag (er werd gewisseld met Brussel). Daar kwam hij in 1816 in contact met Franse revolutionairen die de Bourbonmonarchie wilden afzetten, een burgerlijk bestuur wilden invoeren en Zuid-Nederland bij Frankrijk wilden voegen. Willem werd de kandidaat van deze rattachisten om koning Lodewijk XVIII op te volgen. Willems zwager, tsaar Alexander I, kwam via zijn zuster het plan te weten en lichtte koning Willem I in. Die werd razend en vader en zoon leefden vervolgens in onmin.

Willem had zijn les niet geleerd. In 1820 ontdekte de Franse regering weer een complot tegen Lodewijk XVIII, waar Willem eveneens een rol in speelde. Met diplomatie kon zijn vader een rel vermijden.

In 1829 werd Willem benoemd tot vicepresident van de Raad van State en voorzitter van de ministerraad, wat hij zou blijven tot zijn troonsbestijging in 1840. In deze functies was hij formeel de belangrijkste adviseur van zijn vader.

Op 7 oktober 1840 besteeg hij de troon als Willem II. De inhuldigingsplechtigheid vond plaats op 28 november 1840 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Daarmee is hij tot op heden bij aantreden het oudste Nederlandse staatshoofd. Onder zijn koningschap was de macht van de vorst al minder dan voordien. De revoluties van 1848 en 1849, waarin Lodewijk Filips I van Frankrijk werd afgezet en andere Europese vorsten met geweld tot concessies werden gedwongen, deden hem vrezen voor zijn troon. Als grap zei de koning tegenover diplomaten, dat hij in één nacht van conservatief verworden was tot liberaal. Dat was vooral de verdienste van de liberaal Thorbecke, die de Grondwetsherziening van 1848 bijna volledig had geschreven.

Willem II regeerde korte tijd als constitutioneel vorst. Na het overlijden van zijn lievelingszoon Alexander, ging zijn gezondheid achteruit. Ook de problemen met zijn oudste zoon, de latere koning Willem III, gingen hem niet in de koude kleren zitten. Kroonprins Willem was het oneens met de grondwetswijziging van 1848, waarmee zijn vader had ingestemd. Hij deed zelfs schriftelijk afstand van zijn rechten op de troon, wat hij later introk.

Toen Willem II op 13 februari 1849 voor het eerst de nieuwe Tweede Kamer toesprak, werd opgemerkt, dat hij er slecht uit zag en zijn stem zwak was. Begin maart wenste de koning zich voor korte tijd terug te trekken in het door hem geliefde Tilburg. Zijn lijfarts raadde hem dit af, maar hij zette zijn wil door. Op 13 maart nam hij afscheid van zijn vrouw en reed per koets naar Rotterdam.

In Rotterdam was Willem II gekleed in een lange mantel met als hoofddeksel zijn typische Russische muts. In de haven wilde hij een in zijn opdracht in aanbouw zijnde stoomjacht bezichtigen. Bij het aflopen van de trap raakte hij met zijn laars verward in zijn mantel en viel van zes treden af. Onmiddellijk daarna stond hij weer op en op de ontstelde vragen reageerde hij met een geruststellend: "Het is niets."

Toen de koning via Geertruidenberg naar Tilburg reisde, werd hij door de menigte toegejuicht. Maar tegen de gewoonte in werd er vanuit het rijtuig niet gereageerd. Het slechte weer deed de koning geen goed en hij had de mantel dicht om zich heen geslagen.

In Tilburg werden de gezondheidsproblemen erger. Willem II was niet meer in staat om staatsstukken te bestuderen. Twee dagen lang was de koning ernstig kortademig. Op 16 maart kwam zijn zoon Hendrik op bezoek, waardoor zijn zin enigszins verbeterde. Toen koningin Anna Paulowna kort daarna ook arriveerde, werd zij niet meer toegelaten. Zij luisterde van achter de deur gespannen of zij zijn dierbare stem hoorde. Op 17 maart werd zijn toestand zeer kritiek. Rond drie uur kreeg Willem II een ernstige aanval van kortademigheid. Zijn arts zette hem terug in zijn stoel, waarna hij stierf. Koningin Anna Paulowna was zo geschrokken dat zij zich gillend op zijn levenloze lichaam wierp.

Willem II wenste na zijn dood niet gebalsemd te worden en had in zijn testament opgenomen dat de 'houten kist, die zijn gebeente bevatten moest' de vorm moest krijgen van 'zijn lijk' en hij 'gekleed in de gewoone tenue, die hij bij zijn leven droeg' moest worden bijgezet: 'De kist is dus aan het hoofd smal, aan de schouders breed en aan de voeten smal toeloopende. Van ’t fijnste hout gemaakt, werd ze aldus in de vierkante looden kist geplaatst'. Op 3 april werd Willem II opgehaald om de volgende dag bijgezet te worden in de grafkelder van de Oranjes in Delft.

Grondwet van 1848

De Grondwetsherziening van 1848 legde de basis voor het huidige stelsel van parlementaire democratie in Nederland. Sedert deze herziening der Nederlandse Grondwet is niet langer de koning, maar zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid. De Tweede Kamer der Staten-Generaal kreeg veel meer invloed en wordt bovendien rechtstreeks - weliswaar voorlopig nog door een beperkte groep kiezers - gekozen.

De herziening was in zekere zin een vreedzame revolutie, waarbij Thorbecke en koning Willem II belangrijke rollen speelden. Op 17 maart 1848 benoemde koning Willem II een staatscommissie onder leiding van de liberale voorman Thorbecke, die de Grondwetsherziening moest voorbereiden. Het ontwerp van de commissie vormde de basis van de regeringsvoorstellen.

De Koning zorgde er daarna met minister Donker Curtius voor dat die voorstellen werden aangenomen door de in meerderheid nog conservatieve Kamers. Op 3 november 1848 kon de nieuwe Grondwet worden afgekondigd.

Voorgeschiedenis

In 1844 vroeg de Tweede Kamer aan de koning om een Grondwetsherziening, maar dat weigerde hij. Daarop namen negen Kamerleden, de Negenmannen het initiatief. Zij dienden onder leiding van Thorbecke wetsvoorstellen in om rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer in te voeren en eisten ministeriële verantwoordelijkheid. De koning reageerde hierop met de uitspraak dat hij "dit voorstel nooit, al ware het schavot ernaast geplaatst" zou inwilligen. Het voorstel kwam niet door de Eerste Kamer, die voltallig door de koning was benoemd. De Eerste Kamer stelde dat elke grondwetswijziging van de koning uit diende te gaan. In 1845 strandde het voorstel tevens in de Tweede Kamer.

In de troonrede van 1847 kondigde de koning een Grondwetsherziening aan en begin 1848 werden 27 voorstellen ingediend. Die hadden staatsrechtelijk te weinig betekenis en het regeringsstelsel bleef zodoende grotendeels hetzelfde.

De Grondwetsherziening van 1848 werd echter geïnitieerd en sterk beïnvloed door de revolutionaire gebeurtenissen in Europa. In februari 1848 brak in Frankrijk de revolutie uit, die oversloeg naar Duitse staten als Baden en Pruisen, maar ook naar Oostenrijk, Hongarije en Italië. Ook in Amsterdam en Den Haag braken rellen uit, onder meer door de slechte economische toestand. Gegrepen door het revolutionaire Europa werd de geschrokken Koning hierdoor in één nacht van uiterst conservatief uiterst liberaal. Het zou het gehele jaar onrustig blijven in het revolutionaire Europa, waarbij er in juni 1848 in Frankrijk nog een oproer uitbrak en de strijd in Hongarije voortduurde. Willem II nodigde de Tweede Kamervoorzitter, Boreel van Hogelanden, uit om de mening van de Tweede Kamer over een gewenste Grondwetsherziening te geven.

Er kwam nu een nieuwe ministersploeg, waarbij de gezant in Londen, Schimmelpenninck, als formateur optrad. Op 17 maart werd tevens een grondwetscommissie benoemd. Sommige leden daarvan waren tevens minister. De voorzitter van de commissie, Thorbecke, was dat echter niet. Bovendien bleek minister-president Schimmelpenninck heel andere ideeën te hebben, dan de commissieleden.

De commissie was op 11 april 1848 gereed met haar werkzaamheden. De voorstellen gingen deels verder dan hetgeen de conservatieve Tweede Kamer wilde. Zo stelde de commissie voor de Tweede Kamer, maar ook Gemeenteraden en Provinciale Staten, rechtstreeks te laten kiezen door burgers die een bepaald bedrag aan belasting betalen. De Eerste Kamer moest volgens de commissie worden afgeschaft. De Tweede Kamer wilde dit niet. Het compromis was dat de Eerste Kamer bleef bestaan en zou worden gekozen door de Provinciale Staten.

Kroonprins Willem keerde zich in 1848 tegen het besluit van zijn vader om een liberale Grondwet in te voeren. Bovendien verzocht hij op 19 oktober 1848 schriftelijk aan koning Willem II hem afstand te verlenen van zijn rechten als prins van Oranje en als erfgenaam der Kroon. De koning weigerde dit verzoek. Na het overlijden van Willem II op 17 maart 1849 werd koning Willem III, naar eigen zeggen, geconfronteerd met de nieuwe Grondwet: de bepalingen daarin hadden hem de handen gebonden. “Hij droeg daarvoor geen verantwoording, daar hij in 1848 als Prins van Oranje daarover niet gekend was, die Grondwet bij zijn troonsbeklimming zo had gevonden en had moeten bezweren, en daardoor in deze weinig vermocht.”

Willem III distantieerde zich tijdens de audiëntie op 15 april 1853 in het openbaar van de grondwet van 1848. Hij wist dat de ministers zijn constitutionele boutade niet voor hun verantwoording konden nemen en dat hij hen in een onmogelijke positie bracht. Hij maakte doelbewust gebruik van de Aprilbeweging om zich van Thorbecke en de zijnen te ontdoen. De ironie wil echter dat hun opvolgers, Van Hall c.s., de liberale grondwet niet wilden of durfden wijzigen. Willem III keerde zich in 1853 openlijk tegen het herstel van de rooms-katholieke kerkelijke hiërarchie in Nederland en negeerde daarbij de door het kabinet opgestelde reactie. De conflicten tussen koning Willem III en de liberalen in de Tweede Kamer zouden de gehele 19e eeuw een rol spelen. In 1867 leidde de Luxemburgse kwestie tot de staatsrechtelijk belangrijke vertrouwensregel. Vanaf dat moment zou geen enkel kabinet meer tegen de wens van een Kamermeerderheid blijven zitten en dus aftreden (vallen).

Het eerste kabinet-Thorbecke duurde van 1 november 1849 tot en met 19 april 1853.

"Wacht op onze daden"; Organieke Wetten: kieswet, provinciale wet, gemeentewet.

De totstandkoming van dit kabinet was moeizaam; Thorbecke had niet de vrije hand bij het kiezen van zijn mede-ministers; in feite kwam er niet één echte Thorbeckiaan in zijn kabinet. En eenmaal begonnen kon het kabinet rekenen op voortdurende tegenwerking van Willem III: "De koning had een diepgewortelde, principiële afkeer van Thorbecke en zijn kabinet, dat hij associeerde met staatsgevaarlijke, revolutionaire nieuwlichterij" - "Het lijdt geen enkele twijfel dat Willem III gedurende heel de periode van dit ministerie-Thorbecke heeft uitgezien naar een goede gelegenheid om zich van hem en zijn kabinet te ontdoen." (J.C. Boogman, Rondom 1848, blz.94 en 97.)

Als eenheid trad het kabinet hoogstens op tijdens conflicten met de Koning; tegenover het parlement moest iedere minister zelfstandig zijn eigen beleid verdedigen. Het partijen-stelsel bestond nog niet, dus ook die bindende factor ontbrak. Er zijn dan ook nogal wat ministers afgetreden tijdens deze periode.

Het kabinet genoot de steun van de katholieken, aan wie Thorbecke de formele gelijkstelling van rechten verleende. Uitgaande van een volledige scheiding van Kerk en Staat, mocht de regering de uitoefening van het katholieke geloof niet tegenhouden. Toen de Paus hierop aankondigde bisschopszetels te gaan installeren in Nederland, liep Protestant Nederland te hoop en bood op 15 april 1853 een manifest aan aan Willem III (Aprilbeweging). Aangezien deze naar Thorbeckes smaak te veel sympathie betuigde, in plaats van neutraal te blijven, boden Thorbecke en de andere ministers daarop hun ontslag aan.

Industriële revolutie: is de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen, in grotere aantallen en tegen lagere (voor meer mensen bereikbare) prijzen. De industriële revolutie begon eind 18e eeuw in Engeland en begin 19e eeuw ook in andere landen. De toepassing van de stoommachine gaf een enorme impuls aan de ontwikkeling van vervaardiging van producten. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich konden veroorloven die producten te kopen. Hiermee brak een belangrijke periode voor Europa en later de rest van de wereld aan. Het was een trendbreuk in vergelijking met vroegere tijden en dus daarmee een 'revolutie' (omwenteling). Het betrof de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken voor de industrie. Er kon nu ook veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was hard nodig, want de bevolking was sterk gegroeid. In 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, in 1850 was dit aantal verdubbeld. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte het vervoer van de geproduceerde goederen gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog verder.

Industrie: alle fabrieken die goederen produceren. Een fabriek is een werkplaats waarin iets wordt 'gefabriceerd', dat is iets maken met behulp van machines ofwel produceren: grondstoffen gaan er in, worden bewerkt en producten komen er uit. Soms is het product weer de 'grondstof' voor een andere fabriek. Bijvoorbeeld: ijzererts wordt in een hoogoven tot staalplaat verwerkt. Dit staalplaat is weer de grondstof waarvan een autofabriek auto's maakt. De producten kunnen variëren van heel klein (microchips) tot enorme afmetingen (maken van een complete elektriciteitscentrale, of een scheepswerf). Tot het begin van de 19e eeuw vond de productie vooral plaats thuis in het woonhuis met handkracht (huisnijverheid). Andere voorlopers van de fabriek zijn werkhuizen zoals spinhuizen en weefhuizen, en ambachtelijke werkplaatsen. Een overgangsvorm naar de fabriek was de manufactuur (tussen huisnijverheid en fabriek in). Vooral het gebruik van de stoommachine, als krachtbron om de machines aan te drijven, heeft de productie in fabrieken sterk gestimuleerd. Grondstoffen: materialen die uit de natuur gehaald worden om er iets van te maken of te fabriceren; denk ook aan: aardolie, gas, hout, klei, steen, metalen, zand (glas maken) enz.

De oudst bekende democratie was die in Athene, in de Griekse oudheid, waarin leden van de bevolking zelf direct politieke besluiten namen. In Nederland hebben we de Parlementaire Democratie (ofwel representatieve democratie). Dit is een regeringsvorm waarbij de bevolking een aantal volksvertegenwoordigers (via politieke partijen) kiest, die het bestuur uitvoeren (landelijk is dat de Tweede Kamer). Een land is democratisch als het volk het recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke (hier om de vier jaar), geheime verkiezingen met diverse partijen op basis van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen. Scheiding der machten: de wetgevende macht wordt gevormd door het parlement: Tweede Kamer en Eerste Kamer (senaat), ook wel de Staten-Generaal genoemd. De uitvoerende macht wordt gevormd door de regering (het kabinet met de ministerpresident -premier-, de ministers en staatssecretarissen), die de wetten ten uitvoer brengt in beleid. De rechterlijke macht moet de andere twee machten in evenwicht houden. Ze krijgt hiervoor een zeer onafhankelijke positie. De pers (krant, radio, televisie, internet) heeft in democratische landen een belangrijke rol bij het (kritisch) informeren van de burgers.

Enkele belangrijke grondrechten zijn de

vrijheid van: godsdienst, meningsuiting,

pers, vereniging en vergadering, onderwijs

en de gelijke behandeling.

Cultuurstelsel: een belastingvorm die in 1830 in Nederlands-Indië werd in ingevoerd en duurde tot circa 1870. Die hield in, dat bij wijze van pacht (soort huur) de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt (verkoop). Deze producten waren onder meer indigo (gewilde mooie blauwe verfstof voor textiel), thee en suiker, en werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement (bestuur namens Nederland) werken (de zogenaamde herendiensten). Het stelsel werd veelvuldig misbruikt; boeren werd bijvoorbeeld voorgeschreven meer dan de 20% af te dragen. De inlandse vorsten kregen cultuurprocenten: als de gronden in hun gebied meer opbrachten voor Nederland, dan kregen zij extra geld. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door die inlandse vorsten. In de laatste helft 19e eeuw nam het verzet daar tegen steeds meer toe. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar, waarin gewezen werd op de misstanden van het kolonialisme. Dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het cultuurstelsel.

Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Slag bij Waterloo - 18 June 1815. Links onder Willem II op de brancard, 1824.

 Schilder: Jan Willem Pieneman. In Rijksmuseum Amsterdam.

 Willem II, koning der Nederlanden, 1840.

Schilder: Jan Adam Kruseman. In Rijksmuseum Amsterdam.

De inhuldiging van Koning Willem II in de Nieuwe Kerk, Amsterdam, 28 November 1840.

Schilder: Nicolaas Pieneman. In Rijksmuseum Amsterdam.

Machinefabriek van Richard Hartmann in Chemnitz, 1868.

Auteur: onbekend Uit: scan by Norbert Kaiser: Hinweise zur lizenzgerechten Weiterverwendung des Bildes

Anna Pavlowna uit Rusland, Koningin der Nederlanden, echtgenote van Koning Willem II, 1837.

Schilder: Jean Baptist van der Hulst. In privécollectie.

Begrafenis van Willem II op 4 april 1849 in de Nieuwe Kerk te Delft.

Onbekende lithograaf Original uploader was Robert Prummel at nl.wikipedia.

Johan Rudolf Thorbecke, 1852.

Schilder: Johan Hendrik Neuman. In Rijksmuseum Amsterdam.

Eerste pagina van de Grondwetswijziging van 1848.

Nationaal Archief, Den Haag, Kabinet des Konings, Kabinet der Koningin, nummer toegang 2.02.04, inventarisnummer 514.

Omslag eerste uitgaaf Max Havelaar door Multatuli, J. de Ruyter, 1860, Amsterdam.

Own work scan from privately owned copy Enkidu1947.

Ideale reconstructie Akropolis (berg) in Athene, Griekenland

door Leo van Klenze, 1846.

Koning Willem III


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP