App Wereld Historische mannen en vrouwen

Jeanne d'Arc

Jeanne d'Arc (ca. 1412 – 1431), bijgenaamd de Maagd van Orléans, is een nationale heldin van Frankrijk. Als jong meisje van eenvoudige afkomst speelde ze een beslissende rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk, wat in het tijdskader een opmerkelijke prestatie was. Op negentienjarige leeftijd werd ze door een partijdige kerkelijke rechtbank veroordeeld en stierf ze op de brandstapel in Rouen. Vijfentwintig jaar na haar dood liet paus Calixtus III het proces herzien, ze werd onschuldig bevonden en kreeg bij de plechtige uitspraak van het proces op 7 juli 1456 de titel van martelares. In 1909 werd ze uiteindelijk zalig verklaard door de Rooms-katholieke Kerk en in 1920 volgde de heiligverklaring. Ondertussen wordt ze gerekend tot de patroonheiligen van Frankrijk samen met Dionysius van Parijs, Martinus van Tours, de heilige Lodewijk en Theresia van Lisieux.

Jeanne werd geboren tijdens de Franse Burgeroorlog, een bijzonder woelige periode in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk.

Bij de dood van Karel VI in 1422 had Frankrijk geen koning meer die gezalfd en gekroond was in Reims. Engeland eiste de kroon op voor Hendrik VI, die op dat moment nog geen jaar oud was. De dauphin (beoogde troonopvolger) van zijn kant twijfelde zelf aan zijn afkomst en aan zijn rechten op de troon. Met het verdrag van Troyes had zijn moeder zich trouwens akkoord verklaard met het verlies van zijn rechten. Ook wat betreft het grondgebied was de situatie ongunstig voor hem, het zuidoosten en het grootste deel van het noorden van het land waren onder Engelse controle met uitzondering van het onafhankelijke Bretagne. Bretagne zou niettemin een belangrijke rol spelen op het einde van de Honderdjarige oorlog door de blokkade van Bordeaux. Het was in deze voor de dauphin uitzichtloze situatie dat Jeanne een doorbraak zou forceren.

Jeanne verklaarde dat ze dertien was toen ze voor de eerste keer de stem van God hoorde. Ze was heel bang de eerste keer en ze verklaarde dat het gebeurde op de middag in de tuin van haar vader. De stem kwam van rechts van de kant van de kerk en ging niet gepaard met een grote ‘klaarte’ zoals het daarna wel dikwijls het geval was. De stem droeg haar op, om zich goed te gedragen en veel naar de kerk te gaan en ze zei ook dat Jeanne naar Frankrijk moest gaan. De stem drong aan op dit punt en zei dat Jeanne het beleg van Orléans moest breken. Eerst moest ze Robert de Baudricourt opzoeken om steun te vragen, want zij was maar een eenvoudig meisje dat niet kon paardrijden noch oorlog voeren. Ze ging dan acht dagen bij haar oom logeren en vroeg, om haar naar Vaucouleurs te brengen waar ze de kapitein Robert de Baudricourt onmiddellijk herkende dankzij de stem. Na twee vergeefse pogingen kreeg ze de derde keer een onderhoud en gaf Robert de Baudricourt haar de escorte waarom ze vroeg. Na nog een bezoek bij de hertog van Lotharingen te Nancy vertrok ze van Vaucouleurs gekleed als man met een degen, die ze gekregen had van de kapitein onder begeleiding van een ridder en diens schildknaap en vier mannen. Ze kwam zonder probleem bij het kasteel van Chinon waar de dauphin verbleef.

Op 2 februari 1429 kwam ze aan in Chinon en werd twee dagen later door de dauphin ontvangen in zijn privévertrekken en niet in de grote zaal. Het moet daar geweest zijn, dat ze met Karel haar missie besprak. Het verhaal dat ze tijdens een grote receptie Karel herkende die gekleed was als een gewoon edelman, werd slechts door één auteur vermeld. Jeanne kondigt vier evenementen aan: de bevrijding van Orléans, de kroning van Karel in Reims, de bevrijding van Parijs en de vrijlating van de hertog van Orléans die bij Azincourt was gevangengenomen door de Engelsen. Hierop werd Jeanne door de koning naar Poitiers gestuurd om ondervraagd te worden door de geleerden van de universiteit van Parijs die daar hun onderkomen hadden gezocht na de inname van Parijs door de Engelsen. De notulen van deze ondervragingen zijn verloren gegaan, alleen de conclusies die aan de dauphin werden gestuurd zijn bewaard gebleven en zijn zeer lovend over Jeanne. Naast de ondervraging door de doctors in de theologie werd Jeanne ook nog onderzocht op haar maagdelijkheid omdat een gezondene van God ongetwijfeld maagd moest zijn en om de laster van de tegenpartij te ontkrachten (die noemden haar de hoer van de Armagnacs). Bovendien kon een maagd geen heks zijn.

Karel gaf uiteindelijk zijn akkoord dat ze naar het belegerde Orléans zou trekken, hoewel niet aan het hoofd van een leger, maar met een bevoorradingskonvooi. Jeanne werd eerst naar Tours gebracht om haar de nodige wapenrusting te maken. Twee van haar broers sloten zich bij haar leger aan.

De Engelsen die het noorden van Frankrijk bezetten werden tegengehouden door de natuurlijke grens gevormd door de Loire, om op te trekken tegen het zuiden dat trouw gebleven was aan de dauphin. Om een doorgang te forceren moesten ze ofwel Angers ofwel Orléans innemen. Angers werd beschermd door een kasteel en ze besloten daarom om Orléans te belegeren. Er werden versterkingen rond de stad gebouwd, maar de Engelsen hadden niet voldoende manschappen om de stad volledig te omsingelen. Na de mislukte aanval op een Engels bevoorradingskonvooi door de Frans-Schotse troepen op 12 februari 1429 (La journée des Harengs) waren de verdedigers volledig gedemoraliseerd. Op 29 april kwam Jeanne met haar leger van 4000 man en de bevoorrading aan in Orléans en werd ze enthousiast ontvangen door de bevolking. Door het vertrouwen dat ze uitstraalde en haar enthousiasme wist ze de Fransen opnieuw te motiveren.

Op 4 mei 1429 veroverden de Fransen onder de leiding van Jeanne de bastille van Saint-Loup en op 6 mei nam Jeanne de versterking Saint-Jean-le-Blanc in. Op de volgende dag forceerde Jeanne een nieuwe uitval en veroverde ze de vesting Saint-Augustin. Dit was tegen de beslissingen van de legerleiding onder Jean d’Orléans . De legerleiding kwam daarna bijeen zonder Jeanne erbij te betrekken en besloot op versterkingen te wachten, maar zij wilde de hoofdmacht van de Engelsen bij Les Tourelles aanvallen op 7 mei en in de nacht van 7 op 8 mei hieven de Engelsen het beleg op en trokken weg.

In hoeverre Jeanne zelf betrokken was bij de militaire operaties, vormt nog altijd het onderwerp van discussie. Traditionele historici zien haar als de vaandeldraagster die erin slaagde het moreel van de troepen op te krikken. Anderen zijn van oordeel dat ze wel degelijk betrokken was bij de leiding van de operaties. Iedereen schijnt het er wel over eens te zijn dat dankzij haar optreden het Franse leger een serie van successen kende. Lees verder in de rechterkolom >>>

Info Contact Home

Na de overwinning op de Engelsen bij Orléans gingen de Fransen door op hun elan en wilden ze de bruggen in de Loirevallei heroveren om zo de weg naar Reims vrij te maken.

Het Franse leger onder leiding van Jean d’Alençon en Jeanne d’Arc kreeg versterking van Jean d’Orléans en Florent d’Illiers.

Onderweg werd het tegemoet getreden door de Engelsen onder leiding van de hertog van Suffolk. In het gevecht dat volgde konden de Fransen optrekken tot bij Jargeau. De volgende dag, de 12e juni, werden de gevechten hervat. Suffolk probeerde nog een wapenstilstand te bewerken, maar de Fransen gingen door en Jargeau werd diezelfde dag ingenomen. Suffolk werd gevangengenomen en zijn troepen vluchtten naar Meung-sur-Loire en Beaugency.

De Slag bij Patay was een veldslag op 18 juni 1429 in de Honderdjarige Oorlog, waarbij het Frans leger onder Karel VII van Frankrijk met Jeanne d'Arc het Engels/Bourgondisch leger versloeg.

Na de slag bij Patay trok Jeanne naar Loches en overtuigde de dauphin om naar Reims te gaan om zich als koning te laten zalven.  Op 16 juli kwamen ze aan in Reims, dat ook de poorten opende voor de dauphin. Karel VII werd op 17 juli 1429 in de kathedraal van Reims in de aanwezigheid van Jeanne d’Arc, tot koning gekroond en gezalfd door aartsbisschop Regna ult de Chartres.

Jeanne d’Arc met Jan II van Alençon, de maarschalken Gilles de Rais en Jean de Brosse de Boussac voerden op 8 september 1429 een aanval uit op de stadspoort van Saint-Honoré. Jeanne raakte bij deze aanval gewond aan een been. ’s Avonds trokken ze zich zonder resultaat terug en Jeanne kreeg bevel van de koning om de vijandelijkheden te staken. De koning trok zich terug naar de Loire en het leger werd ontbonden. In oktober nam Jeanne met haar eigen troep Saint-Pierre-le-Moûtier en sloeg het beleg op voor La Charité-sur-Loire, maar tegen kerstmis hief ze het beleg op en keerde ze terug naar Jargeau. Op 29 december 1429 werden Jeanne en haar familie in de adelstand verheven. De originele akte hiervan is verloren gegaan, maar er zijn diverse kopieën bewaard gebleven. In 1614 zou Lodewijk XIII deze beslissing voor de familie hebben herroepen omdat ze in de praktijk gewoon volk waren gebleven.

Jeanne kreeg bevel om in het kasteel van la Trémouille in Sully-sur-Loire te blijven, maar zonder toelating van de koning trok ze naar Compiègne dat door de Bourgondiërs belegerd werd. Tijdens een uitval uit de belegerde stad en de schermutseling die daar op volgde werd Jeanne d’Arc gevangengenomen door de Bourgondiërs op 23 mei 1430. In een dergelijk geval was het normaal dat Jeanne zou vrijgekocht geweest zijn voor een losgeld, maar Karel VII deed geen enkele poging daartoe. Drie dagen na haar gevangenneming schreef de grootinquisiteur van Frankrijk, waarschijnlijk geïnspireerd door de professoren van de Sorbonne, al een brief aan Philips de Goede met het verzoek, om haar zo snel mogelijk over te brengen naar Parijs, om haar te berechten voor misdaden die aan ketterij deden denken.

Jeanne was de gevangene van Jean II de Luxembourg-Ligny.  Uiteindelijk, na het overlijden van diens tante op 13 november 1430, werd ze door Jean de Luxembourg voor 10.000 pond verkocht aan de Engelsen op 21 november 1430. Ze werd overgeleverd aan Pierre Cauchon die het proces tegen haar zou voeren. Het werd een politiek proces: de hertog van Bedford eiste de troon op voor zijn neef Hendrik VI van Engeland en de Engelsen waren er dus erg op gebrand Jeanne als heks en ketter neer te zetten, om zodoende het koningschap van Karel VII te ontkrachten.

Proces tegen Jeanne

Het proces begon op 21 februari 1431 en zou duren tot 23 mei 1431. In totaal waren er 56 zittingen. Jeanne werd opgesloten in een toren van het kasteel van Philippe Auguste, waarvan tegenwoordig alleen de donjon nog bestaat. De donjon wordt nu de toren van Jeanne d’Arc genoemd wordt, hoewel Jeanne in een ander deel van het kasteel gevangen werd gehouden.

Op 5 april 1431 werd een lijst van twaalf artikels opgesteld die de “misdaden” van Jeanne samenvatten. Op 12 en 13 april werden de deelnemers aan het proces gehoord die in hun conclusie unaniem Jeanne veroordeelden. Op 18 april bezocht de rechtbank Jeanne in haar kerker, omdat ze ziek was, en stelde haar voor om zich te bezinnen en haar fouten toe te geven en zich onder de leiding te plaatsen van een of meerdere van de geleerde doctoren om weer op de goede weg te komen. Jeanne vroeg enkel om te mogen biechten en om begraven te worden in gewijde grond, maar dat werd haar geweigerd: ze moest zich eerst onderwerpen aan de kerk.

Op 9 mei werd ze in de kerker gebracht waar de marteltuigen stonden en bedreigd met marteling. Ze zei hierop, dat ze geen andere verklaringen zou afleggen onder marteling en als ze dat toch zou doen, ze die zou herroepen voor de rechtbank en zeggen dat ze door marteling waren afgedwongen. Op 12 mei werd besloten om van marteling af te zien.

Uiteindelijk werd Jeanne veroordeeld door de geleerde doctoren van de Parijse Sorbonne en door het kapittel van Rouen die geen van beiden hun broodheren willen teleurstellen. Zij werd schuldig bevonden als schismatieke, afvallige, leugenares, zienster, verdachte van ketterij en godslasteraar. Haar visioenen worden afgedaan als falsificaties, omdat Jeanne niet was aangekondigd in de heilige schrift en omdat ze geen mirakels had verricht.

Op 24 mei werd Jeanne naar het kerkhof van Saint-Ouen in Rouen gebracht, waar een brandstapel was opgericht. Na een donderpreek en nieuwe ondervragingen bezweek Jeanne in een zwak moment onder de druk en tekende een abjuratiedocument, waarin ze haar fouten toegaf en het gezag van de kerk erkende. Hierop werd ze veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Vervolgens herriep Jeanne haar abjuratie, door te verklaren, dat ze nog steeds haar stemmen hoorde, dat ze door God gezonden was en alleen aan hem verantwoording verschuldigd was en dat ze een grove fout gemaakt had door, onder bedreiging met de brandstapel en uit angst voor het vuur, op het kerkhof van Saint-Ouen de waarheid te verloochenen. Ze zei ook dat ze liever wilde sterven dan levenslang opgesloten te worden.

Hier hadden de rechters op gewacht, met Jeannes ontkenning hoopten ze aan te tonen, dat Karel VII onder valse voorwendsels tot koning was gezalfd en anderzijds konden ze Jeanne liquideren. Er werd niet getalmd; op 29 mei werd Jeanne tot ketter verklaard, waarna ze op 30 mei werd overgedragen aan het wereldlijke gerecht en nog dezelfde dag levend verbrand op de Oude Markt (Place du Vieux Marché) van Rouen.




  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

+

+

+

+

Jeanne op de brandstapel, 1843.

Schilder: Anton Hermann Stilke. Bron: Hermitage Museum, Rusland : http://www.arthermitage.org/Hermann-Anton-Stilke/Joan-of-Arc-s-Death-at-the-Stake.html

Jeanne d’Arc, op een miniatuur, tussen 1450 - 1500.

Bron: Archives nationales (France)

Sigmund Freud