App Wereld Historische mannen en vrouwen

Jean-Jacques Rousseau

Jean-Jacques Rousseau (1712 -1778) was een baanbrekend filosoof en schrijver. Hij heeft een diepgaande invloed uitgeoefend op de literatuur, pedagogiek en politiek. Rousseau componeerde zeven opera's en andere muziekstukken. Hij is ook bekend om zijn persoonlijkheid. Rousseau begon zijn loopbaan als lakei, secretaris, huis- en muziekleraar.

Tot de meest spraakmakende en invloedrijke staatkundige geschriften uit de achttiende eeuw behoort zijn Het Maatschappelijk Verdrag, waarvan de werking merkbaar is in de Universele verklaring van de rechten van de mens en de Franse grondwet van 1793.

Als een van de eersten schreef hij een literaire autobiografie. Met zijn liefde voor de natuur stond Rousseau aan het begin van de Romantiek. Zijn briefroman Julie was in de achttiende eeuw een van de best verkochte boeken. In zijn roman Emile zet Rousseau zijn visie op de menselijke natuur uiteen en stelt hij de volgens hem ideale opvoedingsmethode voor. Het boek heeft een enorme invloed gehad op de filosofie van de opvoeding en belangrijke pedagogen. Rousseau kon goed en innemend schrijven; al zijn boeken vallen op door gedenkwaardige openingsscènes.

De filosoof-schrijver Goethe was een van zijn vele bewonderaars, maar de filosoof Voltaire bespotte hem. Rousseau behoorde tot het tijdperk van de Verlichting, maar hield er deels afwijkende meningen op na.

Rousseau was een autodidact. Hij had een moeilijk karakter en zijn hele leven last van urineretentie (plasprobleem) die hem vaak helse pijnen bezorgde. In zijn autobiografie schreef hij over zijn vele leugens, waanvoorstellingen, zijn masochistische neigingen, maar ook over het in zijn kinderjaren met veel plezier lezen van de Griekse filosoof Plutarchus.

Met zijn vader las hij romans, soms tot aan het ochtendgloren en haalde graag kattenkwaad uit, zoals het plassen in de kookpot van de buurvrouw. Toen hij tien jaar oud was, kreeg zijn vader ruzie met een landeigenaar. Hij verwondde hem, werd veroordeeld en om aan de gevangenis te ontsnappen vluchtte hij naar de stad Nyon, zijn zonen achterlatend. Toen ook zijn tante vertrok, werd Jean-Jacques ondergebracht bij een predikant in het nabijgelegen dorp Bossey.

In 1745 leerde hij in een pension te Parijs Thérèse Levasseur kennen, de jonge dochter van een ontslagen ambtenaar. Hij begon een verhouding met deze wasvrouw, naaister en dienster. Toen zij in 1746 zwanger raakte, haalde hij haar over de baby af te geven bij een vondelingentehuis. Hetzelfde gebeurde met de vier volgende baby’s, waarvan de laatste in 1751 geboren werd. In de Emile en in zijn Bekentenissen toonde hij spijt over dit voor hem ‘noodlottige gedrag’.

Rond 1749 vroeg Diderot hem mee te werken aan zijn Encyclopédie. Rousseau schreef artikelen over politiek en muziek en nam deel aan de bijeenkomsten die de filosoof Paul Henri Thiry d'Holbach tweewekelijks bij hem thuis hield. Hier ontmoetten de scherpste geesten van de Verlichting elkaar en kwam hij onder andere in contact met de filosoof en wiskundige Nicolas de Condorcet, de filosoof Jean Le Rond d'Alembert en de Duitse diplomaat en auteur Friedrich Melchior Grimm. Er werd vrijelijk gesproken over onder meer gelijkheidsbeginselen, vrijheid van godsdienst en meningsuiting en het ontkennen van het bestaan van God. De radicale filosofie die er tot bloei kwam, is van uiterst groot belang geweest voor de ontwikkeling van het sceptische moderne denken, in een periode waarin twijfelen aan de beginselen van de Rooms-katholieke Kerk levensgevaarlijk was.

Rousseau heeft toneelstukken geschreven en komische opera's gecomponeerd. De composities van zijn eerste twee opera's verbrandde hij. Vervolgens herschreef hij op verzoek een deel van een nog niet uitgebrachte opera van Voltaire en Rameau. Zijn opera Le devin du village (De Dorpsziener), met een nieuw soort recitatieven, werd in 1752 in aanwezigheid van koning Louis XV en zijn maîtresse Madame de Pompadour opgevoerd in het Kasteel van Fontainebleau. Rousseau zat ongeschoren en in zijn gewone plunje in de loge. De koning bood Rousseau na afloop voor de rest van zijn leven een jaargeld aan, maar dat werd door hem geweigerd. De opera leverde Rousseau genoeg geld op om het een aantal jaren rustig aan te kunnen doen.

In 1752/1753 was er een polemiek over de vraag of de Franse of de Italiaanse opera de beste was. De pennenstrijd werd bekend onder de naam Buffonistenstrijd (Querelle des Bouffons). Tot dan werd in Frankrijk de Italiaanse muziek omschreven als geleerd en de Franse als natuurlijk en eenvoudig. Rousseau daarentegen wees op de eenvoud van de Italiaanse muziek tegenover de complexiteit van de Franse met haar volle orkestratie, gecompliceerde polyfonie en harmonische zettingen. Hij schreef in zijn Lettre sur la musique française dat in opera's de Italiaanse taal gebruikt moest worden, omdat alleen die volgens hem "zacht, klankvol, harmonisch en geaccentueerd" was. Mede door Rousseau werd in Frankrijk melodieuze zingbaarheid als een nieuw ideaal in de muziek beschouwd.

Met Voltaire kon Rousseau het niet goed vinden. Zij verschilden vaak van mening. Voltaire gaf in 1764 onder meer fikse kritiek op het door Rousseau afstaan van zijn kinderen.

Rousseau behield zijn onafhankelijkheid met het kopiëren van muziek en bewerkte zijn eerdere muziekartikelen tot een eigen encyclopedie, de Dictionnaire de musique. De Dorpsziener werd in 1770 opgevoerd bij het huwelijk van koning Lodewijk XVI. Rousseau ontmoette de Duitse operacomponist Christoph Willibald Gluck en woonde in 1774 in Parijs zijn Iphigénie en Aulide bij.

Uiteindelijk trok Rousseau zich als een kluizenaar terug en richtte zijn aandacht op de onbedorven mens en ongerepte natuur. Hij nam steeds meer afstand van zijn rationele en atheïstische vrienden en keerde zich tenslotte in zijn geheel van hen af.

Bij een ongeval op 24 oktober 1776 liep Rousseau zwaar letsel op toen een Deense dog hem omver liep. Rousseau raakte buiten bewustzijn en het gerucht ging dat hij dood was. Hij herstelde, zij het dat hij nog lang lamenteerde over wat hem was overkomen.

Bijna twee jaar later op palmzondag 1778 begon hij met met zijn Rêveries, dat beschouwd wordt als een commentaar op zijn Bekentenissen. In mei 1778 werd hij uitgenodigd op het kasteel van de markies René-Louis de Girardin in Ermenonville. Deze wilde de getormenteerde Rousseau tot zichzelf laten komen en laten genieten van de tuinen en een landhuisje dat de markies in de geest van de roman Julie, ou la nouvelle Héloïse uit 1761 had laten aanleggen. Het was een van de mooiste perioden in Rousseaus leven. Hij wandelde veel, botaniseerde met de jongste zoon van De Girardin, mengde zich onder de lokale bevolking, speelde geregeld in het kasteel op de piano forte en schreef aan zijn Rêveries.

Volkomen onverwacht overleed Rousseau zes weken later na een hersenbloeding. Sectie op zijn lichaam - waar Rousseau uitdrukkelijk bij leven om had gevraagd - wees uit dat er geen ziekten konden worden geconstateerd, maar dat tussen schedel en hersenvlies een bloeding was waar te nemen. Desondanks werd er druk gespeculeerd omtrent de doodsoorzaak; vergiftiging werd door velen gesuggereerd, maar even krachtig - zelfs vele jaren later - door de familie De Girardin ontkend. Daar bleek dan ook geen sprake van te zijn geweest.

Info Contact Home

In zijn Vertoog over de ongelijkheid tussen mensen uit 1755, opgedragen aan de Geneefse republiek, stelt hij dat de mens van nature, en voorafgaand aan enige opvoeding, goed is en alleen door ervaringen in de maatschappij gecorrumpeerd wordt. Volgens Rousseau waren "mensen slachtoffers van hun eigen gedrag, niet van de erfzonde".

In hetzelfde jaar publiceerde hij in de Encyclopédie een Vertoog over de politieke economie. Vanuit het idee dat 'het hemd nader is dan de rok' construeerde hij een model voor een betere samenleving, waarin 'eenieder iets heeft en niemand iets te veel' en waarin de burgers 'zo veel mogelijk handelen in overeenstemming met het algemeen belang' zonder dat daarvoor een grote staatsmacht nodig is.

... Rousseau dacht dat taal en muziek op gelijke voet met elkaar konden leven, maar later geloofde hij niet meer dat je 'taal kon laten zingen of muziek laten spreken'. Om het hart van de luisteraar te roeren, moest een componist de muziek voorop stellen, want anders kon je de tekst net zo goed declameren

Zijn Du Contrat Social ou principes du droit politique, ofwel Het Maatschappelijk Verdrag, berust op het idee van de volkssoevereiniteit en de algemene wil als enige en onbeperkte bron van het staatsgezag en daarmee van het recht. Niet meer een contract tussen individuen en de persoon die als soeverein over hen zal heersen (gangbaar tot in de zeventiende eeuw), maar een verdrag van vrije individuen die onderling besluiten een gemeenschap te vormen. Dit contract gaat in tegen het absolutisme. Het democratische Genève, een republikeinse stadstaat in de Alpen, werd plotseling de ideale staatsvorm. Het was een door Rousseau geïdealiseerd Genève waarin alle burgers elkaar kennen. Rousseau schreef later:"Zij die pochen dat ze het helemaal begrijpen, zijn knapper dan ik. Het is een boek dat opnieuw zou moeten worden geschreven…

In 1761 verscheen in Amsterdam zijn liefdesroman in briefvorm Julie, ou la Nouvelle Héloïse, in het Nederlands Julie, of de nieuwe Héloïse over twee geliefden uit verschillende klassen die veel tegenstand ondervinden voor hun wens met elkaar te trouwen. De naam 'Héloïse' verwijst naar de middeleeuwse liefdesgeschiedenis van de theoloog Petrus Abaelardus en de non Héloïse.

Julie was een ongekend succes en bracht veel emoties te weeg in het tijdperk van de Preromantiek. Het boek werd zo goed verkocht dat de uitgevers ertoe over gingen de exemplaren per uur uit te lenen. Diverse lezers konden niet of nauwelijks geloven dat het om een tweetal fictieve figuren ging. Rousseau werd een idool en wandelen in de bergen werd mode. Het werk is op de Index Librorum Prohibitorum geplaatst, maar heeft mogelijk een grotere invloed gehad op de Franse Revolutie dan zijn Contrat Social. Het boek beleefde voor het einde van de achttiende eeuw meer dan zeventig herdrukken.

Rousseau kwam in 1762 met een roman met een morele strekking. In zijn Emile, of Over de opvoeding (Émile, ou De l’éducation) zet Rousseau zijn visie op de menselijke natuur uiteen en stelt hij de volgens hem ideale opvoedingsmethode voor. In het boek concludeert Rousseau dat ieder mens een uniek karakter heeft en vrijheid nodig heeft om zich te kunnen ontplooien, zonder dwang of straf, ver van het stadsleven en in verbondenheid met de natuur.

De 'Emile' was naar Rousseaus eigen oordeel zijn beste en belangrijkste geschrift. Het boek heeft een grote invloed gehad binnen de filosofie van de opvoeding en beïnvloedde belangrijke pedagogen als Johann Heinrich Pestalozzi en Friedrich Fröbel.

Tijdens het drukken werd het werk aan de Parijse editie stilgelegd. Rousseau die erg ziek was vanwege een urineretentie, bovendien aan waanvoorstellingen leed en zich opwond, dacht ten onrechte dat de Jezuïeten het werk in handen hadden gekregen. Vervolgens verdacht hij de Jansenisten, toen zijn voormalige vrienden (de radicale filosofen), maar ook de buren die al zijn gesprekken konden horen, en gemakkelijk in zijn huis konden komen.

De Emile kwam uit in Parijs en Den Haag en werd kort na het verschijnen verboden en verbrand, zowel op de trappen van het Parlement van Parijs als in Genève, maar niet om de pedagogische opvattingen. De controverse draaide om de in het boek opgenomen geloofsbelijdenis van een kapelaan. Hierin bepleit Rousseau een deïstische natuurgodsdienst en verwerpt hij centrale dogma’s uit de rooms-katholieke en protestantse kerken. Eind juli 1762 werd het boek om die reden ook door de Staten van Holland verboden.

In de “Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité parmi les hommes” (zie afbeelding bovenin) schreef Rousseau: De eerste man die een stuk land omheinde zei "dit is van mij" en vond anderen naïef genoeg om hem te geloven. Deze man was de ware stichter van de burgermaatschappij. Van hoeveel oorlogen, misdaden en moorden, van hoeveel ellende en armoede zou men niet verlost gebleven zijn wanneer niet iemand de stokken uit de grond getrokken had, de kuilen gevuld had en naar zijn mannen geroepen had: pas op voor deze ellendeling; het zal je einde betekenen als je vergeet dat de vruchten van de aarde van ons allen zijn, en de aarde van niemand.

Rousseau is moeilijk in een bepaalde categorie te plaatsen. Hij was zowel een representant als een bestrijder van de ideeën uit de Verlichting. Hij droeg bij aan de Encyclopédie, maar geloofde niet in vooruitgang. Hij wantrouwde de rede die volgens hem de mens met zichzelf en de natuur in conflict bracht. Maar hij was liever een vat vol tegenstrijdigheden, dan een man van vooroordelen. Zo was Rousseau ongegeneerd egocentrisch, maar wilde hij tegelijkertijd een samenleving creëren waarin de burgers weer het gevoel zouden krijgen direct bij gemeenschapszaken betrokken te zijn.

Rousseau keerde zich in bijna al zijn werk tegen de cultuur van zijn tijd met haar rationalistische pretenties en optimistische verwachtingen. Zijn doel was om "het authentieke zelf te vinden, dat schuilging onder de lagen van het rollenspel". Rousseau schreef: "Zich vervreemd voelen van de wereld was de waarheid kennen en het zijn de sociaal aangepasten die een niet-authentiek leven leiden". Rousseau was van mening dat we alleen trouw kunnen zijn aan ons eigen authentieke wezen als we respect hebben voor de natuur, maar de prijs was eenzaamheid.

Zijn invloed op het latere politieke, psychologische en pedagogische denken is onmetelijk geweest en houdt nog steeds aan. Claude Lévi-Strauss noemde hem de grondlegger van de menswetenschappen.


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

Voorpagina van Rousseaus "Discours sur les Sciences et les Arts", 1750.

Bron: Page de garde de l'édition (Amsterdam, Marc Michel Rey, 1755) du « Discours sur l’origine et les fondemens de l’inégalité parmi les hommes » de Jean-Jacques Rousseau. Auteur:  Polmars at French Wikipedia

Jean-Jacques Rousseau, 1753 (pastel op papier)

 Kunstenaar: Maurice Quentin de La Tour. Bron: Musée Antoine-Lécuyer - Replica van het portret tentoongesteld op de Salon van 1753. Joconde database: entry 07930000144.

Montmorency (Val-d'Oise, Fr) Museum J.J.Rousseau: Het tuinhuis van Madame d'Epinay waar Rousseau zijn belangrijkste werken schreef, door Rousseau Hermitage genoemd.

Foto: Havang(nl)

+

+

Voltaire