App Nederland Geschiedenis NL

Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog, ookwel de Grote Oorlog genoemd, was een wereldoorlog gecentreerd in Europa die begon op 28 juli 1914 en duurde tot 11 november 1918. Nog altijd is 11 november bekend als wapenstilstandsdag. Voor een deel werd de wapenwedloop in 1912 en 1913 aangespoord door nationalistische en militaristische groepen, die hun regeringen passiviteit in het gezicht van externe bedreigingen verweten. Sommige historici hebben gewezen op de toenemende populariteit van het militarisme en het radicaal-nationalisme als oorzaken voor de oorlog.

De aanleiding was de moord op Frans Ferdinand, troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, en zijn vrouw Sophie Chotek in Sarajevo door de Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo op 28 juni 1914. Deze schoot Frans Ferdinand met een pistool neer, nadat een ander lid van de Servische bende van 'De Zwarte Hand' eerder die dag al een mislukte poging had gedaan om de kroonprins en zijn vrouw te vermoorden met een granaat. Bij die poging was alleen Ferdinands officier geraakt. Toen Frans Ferdinand zijn officier in het ziekenhuis wilde bezoeken, werden hij en zijn vrouw onderweg doodgeschoten (foto links).

De publieke opinie in Europa schaarde zich aan de kant van Wenen en niet aan de kant van Servië. Zelfs de Russen trokken hun handen van de Serviërs, hun traditionele bondgenoten, af. De aanslag leek in eerste instantie met een sisser af te lopen: Oostenrijk leek niet te reageren. De werkelijke oorzaken lagen echter dieper.

In het begin van de 20e eeuw ontwikkelde zich in Europa een wankel machtsevenwicht.

In verschillende landen waren sterk nationalistische stromingen. Frankrijk had na de Frans-Pruisische oorlog van 1870 Elzas-Lotharingen aan Duitsland verloren en wenste dit gebied terug te krijgen. Het zag zich tegenover een verenigd Duitsland geplaatst en sloot een bondgenootschap met Rusland. Begin 20e eeuw kwam een nieuw type oorlogsschip op: de Dreadnought. Het Verenigd Koninkrijk en andere landen dienden hun vloot opnieuw op te bouwen. Duitsland maakte hiervan gebruik door zijn investeringen in de marine op te voeren en wou op zee meer militaire slagkracht verwerven, wat de Britten verontrustte.

Onder Bismarcks Realpolitik was Duitsland behoedzaam te werk gegaan in de internationale diplomatie. Duitsland speelde landen diplomatiek tegen elkaar uit, zoals op het Congres van Berlijn. Pas wanneer een land diplomatiek alleen stond en geen sterke bondgenoten had die tussenbeide konden komen, werd er oorlog gevoerd. Nadien werd ernaar gestreefd om de vrede zo licht mogelijk te maken zodat er geen blijvende wrokgevoelens zouden zijn. Dit werd na de Frans-Duitse Oorlog en met name het aftreden van Bismarck losgelaten. Onder keizer Wilhelm II werd een agressiever politiek beleid gevoerd: de Weltpolitik. Hiermee vervreemdde Duitsland echter veel staten van zich.

Duitsland en Oostenrijk-Hongarije waren bondgenoten en Frankrijk had een verbond gesloten met Rusland. Na de Tweede Boerenoorlog was Engeland op zoek naar bondgenoten, maar een Engelse toenadering tot Duitsland werd door de Duitsers afgewezen. Engeland zocht nu toenadering tot Frankrijk en Rusland. Dit bondgenootschap werd hierop de Triple Entente genoemd. Duitsland zag zich hierom als het slachtoffer van een tegen haar gerichte samenzwering. De Duitsers maakten zich tevens zorgen over het snelle Russische herstel na de nederlaag tegen Japan in 1905 en de daarop volgende revolutionaire onrust.

Tegelijkertijd bloeiden in de Balkanstaten krachtige nationalistische ambities op waarbij men diplomatieke steun zocht in enerzijds Berlijn en Wenen en anderzijds Sint-Petersburg. De panslavisten wilden Russische steun voor de Slavische volken onder Oostenrijkse heerschappij. In gebieden als Slovenië, Silezië en Bohemen ontstond een sterk Slavisch-nationalistisch bewustzijn, dat op zijn beurt angst en vijandschap bij de Duitsers wekte. De eerste pan-Germaanse en antisemitische bewegingen staken de kop op. Nationalisten bepaalden steeds meer het beleid van een regering. Er werden steeds meer claims gelegd en volken die al jaren onder een ander bestuur leefden en zich er naar hadden aangepast zoals de Tsjechen en Polen, wilden nu een eigen staat. Ze zochten steeds meer steun in extreme groeperingen, zoals de Zwarte Hand in Servië.

In tegenstelling tot Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bezat Duitsland weinig koloniën, waardoor deze staat minder als grote mogendheid werd gezien. Volgens de toen heersende opvattingen in Duitsland lag het grote voordeel van koloniën in de beheersing van de handelsstromen en de geprivilegieerde toegang tot grondstoffen en afzetmarkten. De Duitsers zelf zagen het als een "achterstand". Duitsland was de laatkomer, aan wie geen "plaats onder de zon" werd gegund.

Duitsland had het sterkste landleger ter wereld; algemeen hadden de Duitsers de overtuiging dat een mogelijke oorlog wel in een Duitse overwinning moest eindigen. De meeste nationalistische groeperingen hoopten daarom op een conflict, en ook zij die daar niet op uit waren, voelden meestal niet de noodzaak een oorlog per se te vermijden.

Dit beeld zag men ook in andere landen. De Fransen zouden bijvoorbeeld niet zelf een oorlog zijn begonnen om Elzas-Lotharingen terug te krijgen, maar grepen het door Duitsland geboden excuus gretig aan en togen enthousiast ten strijde. Oorlog werd algemeen geromantiseerd en, met name door rechtse en nationalistische groepen overal in Europa, gezien als 'de grote zuiveraar'. Door oorlog werd een mens 'beter, sterker, slimmer en volwassener', werden 'jongens in mannen veranderd'. Zaken die als 'maatschappelijke kwalen' werden aangeduid (bijvoorbeeld werkloosheid, socialisme, feminisme en homoseksualiteit) zouden door een oorlog 'vanzelf oplossen'. En na de (uiteraard gewonnen) oorlog zou een gouden tijd aanbreken waarin de overheersing veilig was gesteld, de economie zou herstellen en groeien, eventuele territoriale en koloniale winsten nieuwe carrièremogelijkheden bieden en de zegevierende soldaten in grote triomfparades naar huis zouden terugkeren.

De verschillende bondgenootschappen waren niet sterk, zelfs zeer zwak te noemen. Zowel Duitsland als Rusland, de sterkere partijen, lieten zich leiden door hun respectievelijke zwakkere bondgenoten Oostenrijk en Servië uit angst hen te verliezen.

Voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog stelden de verschillende grote mogendheden plannen op om "de eerste klap" uit te delen. Zo bestond in Frankrijk het idee van het "Franse élan". In Duitsland werd het Schlieffenplan opgesteld. In Rusland werd het legerplan opgesteld om onmiddellijk Oost-Pruisen te bezetten en op te rukken naar Berlijn. Voor het uitdelen van deze eerste klap was mobilisatie van de legers nodig. Mobilisaties kostten tijd en konden niet in het geheim worden uitgevoerd. Dit betekende in de praktijk dat een mobilisatie direct moest worden opgevolgd door een oorlogsverklaring, elke dag wachten betekende voor de andere partij gelegenheid om ook te mobiliseren. Zowel militairen als politici waren hiervan doordrongen.

Oostenrijk-Hongarije was ernstig verzwakt. De Dubbelmonarchie was door Italië en Pruisen vernederd, en zij was bovendien door de Ausgleich van 1867 bijna in tweeën gesplitst; zij zocht nu compensatie via de Balkan. Door de annexatie van Bosnië en Herzegovina in 1908 was zij weer enigszins opgeveerd. Door een gemakkelijke overwinning op Servië zou Oostenrijk-Hongarije kunnen bewijzen, dat het nog steeds een grote mogendheid was. Ook Bulgarije voelde zich na de Balkanoorlogen ernstig vernederd en tekortgedaan. Iedere kans om met Servië, Roemenië en Griekenland af te rekenen was van harte welkom.

Het Ottomaanse Rijk had in de decennia voorafgaand aan de oorlog langzaam steeds meer grond verloren aan het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in Afrika en aan Rusland in de Kaukasus. Daarnaast had bijna de gehele Ottomaanse provincie Roemelië (de Balkan) onafhankelijkheid verkregen van het Rijk, door Russische steun in de Balkanoorlogen. Deze verloren oorlogen brachten een gigantische vluchtelingenstroom met zich mee; de miljoenen Turken uit de Balkan, de Krim en de Kaukasus vestigden zich in Centraal-Anatolië. Het Ottomaanse Rijk stortte zich uiteindelijk in de Eerste Wereldoorlog, voornamelijk om de verloren gebieden in de Kaukasus en de Krim terug te winnen op Rusland en om in het westen verder verlies van grondgebied te voorkomen. Oplopende etnische spanningen in het multiculturele rijk hadden echter de sultan en zijn regering ervan overtuigd dat het Ottomaanse Rijk nadrukkelijker Turks moest worden en dat ook de aansluiting gezocht moest worden met de andere Turkse volkeren in de Kaukasus en Centraal-Azië. Deze zouden mee kunnen vechten tegen de Russen, die ook hun vijand waren.

Bij sommige landen, zoals Italië en Roemenië, bestond bereidheid om met de meestbiedende zijde mee te gaan. Dit droeg bij tot een uitbreiding van de oorlog.

De verschillende legers waren tussen 1900 en 1914 sterk gemoderniseerd op het gebied van de artillerie en ander wapentuig. Ook was de organisatie sterk verbeterd naar Pruisisch/Duits voorbeeld van Generale Staf. Dit gold niet voor de plannen en tactieken. Deze waren gebaseerd op veronderstellingen en verkeerde inschattingen.

Op 28 juli verklaarde Oostenrijk de oorlog aan zijn kleine buur. Reeds de volgende dag, 29 juli, werd Belgrado door de Oostenrijkse artillerie beschoten.

Oostenrijk-Hongarije besloot op 30 juli tot een algehele mobilisatie. Op die dag keurde ook tsaar Nicolaas II van Rusland de mobilisatie van het Russische leger goed. De Russische generale staf, zich realiserend dat dit een indirecte oorlogsverklaring inhield, probeerde hem hier vanaf te houden. Ook een bezwerende brief van de Duitse keizer aan zijn neef de tsaar bleef zonder effect. Duitsland stelde hierop een 12-uursultimatum; de Russische mobilisatie moest ingetrokken worden. Toen antwoord hierop uitbleef, verklaarde Duitsland op 1 augustus aan Rusland de oorlog. Frankrijk besloot hierop tot mobilisatie, om zijn verbond met Rusland gestand te doen.

Het Duitse oorlogsplan was een bijgewerkte versie van het zogenaamde Schlieffenplan. Dit was gebaseerd op de veronderstelling dat de Russische mobilisatie veel tijd zou kosten. Duitsland zou deze tijd gebruiken door eerst met aartsvijand Frankrijk af te rekenen en dan Rusland aan te pakken. Op de avond van de oorlogsverklaring trokken de eerste Russische eenheden echter al Oost-Pruisen binnen.

Het Schlieffenplan voorzag in een omtrekkende beweging door België. Op 1 augustus bezette Duitsland Luxemburg. Op 2 augustus stelde Duitsland België een ultimatum met de eis tot vrije doortocht. België weigerde de Duitse troepen de doortocht, waarop Duitsland het neutrale België de oorlog verklaarde. Op 3 augustus verklaarde Duitsland Frankrijk de oorlog, op 4 augustus trok Duitsland België binnen. Dit was voor het Verenigd Koninkrijk reden om Duitsland nog dezelfde dag de oorlog te verklaren aangezien het Verenigd Koninkrijk de neutraliteit van België had gegarandeerd.

Alle grootmachten van de wereld waren bij deze oorlog betrokken, die werden samengesteld in twee conflicterende allianties: de geallieerden (gecentreerd rond de Triple Entente van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Rusland) en de centralen (oorspronkelijk gecentreerd rond de Triple Alliantie van Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië). Deze bondgenootschappen reorganiseerden zich (Italië vocht voor de geallieerden) en breidden zich uit naarmate er meer landen meededen met de oorlog. Uiteindelijk werden er meer dan 70 miljoen militairen, waaronder 60 miljoen Europeanen, gemobiliseerd in een van de grootste oorlogen in de geschiedenis. Meer dan 9 miljoen soldaten werden gedood, vooral als gevolg van de grote technologische vooruitgang in vuurkracht zonder overeenkomstige ontwikkelingen in mobiliteit. Het was het op vijf na dodelijkste conflict in de wereldgeschiedenis, dat vervolgens de weg vrijmaakte voor politieke veranderingen zoals revoluties in de betrokken landen.

De langlopende oorzaak van de oorlog was de imperialistische buitenlandse politiek van de grootmachten van Europa, waaronder het Duitse Keizerrijk, het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, het Ottomaanse Rijk, het Russische Rijk, het Britse Rijk, Frankrijk en Italië. De moord op 28 juni 1914 op aartshertog Frans Ferdinand van Oostenrijk, de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, door een Bosnisch-Servische nationalist, was de directe aanleiding van de oorlog. Het resulteerde in een Habsburgs ultimatum aan het Koninkrijk Servië. Verschillende bondgenootschappen, gevormd tijdens de voorafgaande decennia, werden ingeroepen, zodat binnen een paar weken de grootmachten in oorlog waren. Via hun kolonies verspreidde het conflict zich gauw over de wereld.

Op 28 juli begon het conflict met de Oostenrijks-Hongaarse invasie van Servië, gevolgd door de Duitse invasie van België, Luxemburg en Frankrijk; en een Russische aanval op Duitsland. Nadat de Duitse opmars naar Parijs tot stilstand was gebracht, vestigde het westfront zich in een statische uitputtingsslag van een loopgravenoorlog die weinig veranderde tot 1917. In het oosten vocht het Russische leger met succes tegen de Oostenrijks-Hongaarse troepen, maar werd teruggedrongen door het Duitse leger. Bijkomende fronten werden geopend nadat het Ottomaanse Rijk toetrad tot de oorlog in 1914, Italië en Bulgarije in 1915 en Roemenië in 1916. Het Russische Rijk ging ten onder in de Russische Revolutie van 1917, en Rusland stapte uit de oorlog na de Oktoberrevolutie later dat jaar. Na een Duits offensief langs het westfront in 1918, betraden Amerikaanse troepen de loopgraven en de geallieerden drongen de Duitse legers terug in een reeks van succesvolle offensieven. Duitsland, dat zijn eigen problemen had met revolutionairen op dat moment, stemde in met een staakt-het-vuren op 11 november 1918, dat later bekend zou staan als Wapenstilstandsdag. De oorlog eindigde als een overwinning voor de geallieerden.

Tegen het einde van de oorlog waren vier imperialistische grootmachten - het Duitse, Russische, Oostenrijks-Hongaarse en Ottomaanse rijk - militair en politiek verslagen en hielden op te bestaan. De opvolgersstaten van de eerste twee verloren veel grondgebied, terwijl de laatste twee geheel ontmanteld werden. De kaart van Centraal-Europa werd hertekend in een aantal kleinere staten. De Volkenbond werd gesticht in de hoop een dergelijk conflict in de toekomst te voorkomen. Het Europese nationalisme kwam voort uit de oorlog en het uiteenvallen van rijken, de gevolgen van de nederlaag van Duitsland en problemen met de Vrede van Versailles zouden bijdragen tot de Tweede Wereldoorlog.

Oostenrijk beoogde een lokale oorlog, mede doordat de Servische hoofdstad Belgrado net over de grens met het toenmalige Oostenrijk-Hongarije lag. Op 28 juli verklaarde Oostenrijk de oorlog aan zijn kleine buur. Reeds de volgende dag, 29 juli, werd Belgrado door de Oostenrijkse artillerie beschoten. Oostenrijk-Hongarije besloot op 30 juli tot een algehele mobilisatie. Op die dag keurde ook tsaar Nicolaas II van Rusland de mobilisatie van het Russische leger goed. De Russische generale staf, zich realiserend dat dit een indirecte oorlogsverklaring inhield, probeerde hem hier vanaf te houden. Ook een bezwerende brief van de Duitse keizer aan zijn neef de tsaar bleef zonder effect. Duitsland stelde hierop een 12-uursultimatum; de Russische mobilisatie moest ingetrokken worden. Toen antwoord hierop uitbleef, verklaarde Duitsland op 1 augustus aan Rusland de oorlog. Frankrijk besloot hierop tot mobilisatie, om zijn verbond met Rusland gestand te doen.

De Duitse revolutie was begin november 1918 geboren. De Duitse keizer Wilhelm II vluchtte naar Nederland en de republiek werd uitgeroepen. Onderhandelingen, gevoerd door burgers, vonden plaats, en een wapenstilstand werd overeengekomen. Op 11 november 1918, om 5 uur 's ochtends werd de wapenstilstand getekend door Foch en de Duitse delegatie, maar de wapenstilstand ging pas in om 11 uur. Tijdens deze laatste zes uur vielen langs beide kant nog vele slachtoffers, terwijl de overgave al ondertekend was. Het feit dat de overgave getekend werd door burgers en niet door militaire autoriteiten is zeer belangrijk: de nazi's maakten van dit feit later gebruik door de nederlaag te wijten aan "een dolksteek in de rug van de troepen door rode elementen". De dolkstootlegende was geboren. De volgende wereldoorlog werd wel door militairen beëindigd.

Het Verdrag van Versailles, ook Vredesverdrag van Versailles of Vrede van Versailles genoemd, werd 28 juni 1919 ondertekend en trad op 10 januari 1920 in werking. Het was een verdrag tussen Duitsland en de Entente en het belangrijkste van de vijf in voorsteden van Parijs in 1919/20 gesloten verdragen, waarmee de Eerste Wereldoorlog formeel werd beëindigd (de andere vier verdragen hadden betrekking op de Duitse bondgenoten: het Verdrag van Saint-Germain met Oostenrijk in september 1919, het Verdrag van Neuilly met Bulgarije in november 1919, het Verdrag van Trianon met Hongarije in december 1919 en het Verdrag van Sèvres met Turkije in augustus 1920). Het "Dictaat van Versailles" werd in Duitsland als een zware vernedering beschouwd. De bekende Britse econoom John Maynard Keynes, die als topambtenaar de vredesbesprekingen had bijgewoond, waarschuwde indertijd in een boek voor de  event. desastreuze gevolgen van dit vredesverdrag.

Europese Fronten

Westfront - De invasie van het Duitse Keizerrijk in België, Luxemburg en Frankrijk. Hier werden de loopgraven gebruikt nadat de Duitsers voor Parijs gestopt waren. Nadat de opmars van de Duitsers stopte, probeerden beide partijen zo snel mogelijk de zee te bereiken op een voor hen gunstige positie. Dit werd ook wel de Race naar de Zee genoemd.

Oostfront - De Russen vielen hier Oost-Pruisen binnen en zorgden voor een verrassing. Toch verdreven de Duitsers en Oostenrijkers de Russen weer naar hun eigen land.

Balkanfront - De Oostenrijkers vielen Servië binnen met de steun van de Duitsers. Later werden ook andere landen zoals Roemenië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland bij de oorlog betrokken.

Italiaans front - De Italianen voegden zich bij de geallieerden in 1915, nadat hen veel beloofd was als de oorlog zou worden gewonnen. De Italianen dachten de Oostenrijkers wel te kunnen verslaan maar ook hier bleefde strijd heen en weer gaan. Pas aan het eind konden de geallieerden een doorbraak forceren.

Afrikaanse Fronten

Inval van het Belgisch leger in Tabora

Door de geallieerde beheersing van de zeeën konden de Duitsers hun koloniën niet bevoorraden. Met een defensieve strategie werd gepoogd de koloniën te behouden tot de eindoverwinning in Europa, en geallieerde troepen te onttrekken aan het Europees front.

Duits-Zuidwest-Afrika - Een Duitse kolonie, het tegenwoordige Namibië. Deze kolonie werd in 1915, na een aanvankelijke aarzeling van Zuid-Afrika, in minder dan een kwartaal tijd vanuit Zuid-Afrika veroverd door de troepen van het Gemenebest.

West-Afrika - Duitsland bezaten hier koloniën; het huidige Kameroen en Togo. Ook hier werden de Duitsers snel verslagen, waarna de koloniën werden verdeeld.

Duits-Oost-Afrika - Het tegenwoordige Tanzania, Rwanda en Burundi. Op 22 augustus 1914 voerden de Duitsers met schepen aanvallen uit op de Belgische haven Kalemie van Belgisch-Congo aan het Tanganyikameer. De Duitsers bleven tot in 1916 het meer beheersen. Met behulp van in delen aangevoerde watervliegtuigen en schepen, lukte het de Britse en Belgische strijdkrachten om het strategisch meer onder controle te krijgen. In april 1916 werd de aanval ingezet, vanuit Belgisch-Congo door het Belgisch koloniaal leger, en vanuit de Britse koloniën door het Britse leger. Op 19 september 1916 werd de belangrijkste Duitse uitvalsbasis Tabora veroverd. Tegen eind 1917 hadden Duitsland alle gebieden verloren, maar de Duitse troepen bleven nog een guerrillastrijd voeren in de kolonie en het Portugese Mozambique tegen de Portugezen en de Engelsen. Hier was de laatste plaats in Afrika waar nog gevochten werd door de Duitse koloniale troepen. Pas op 13 november 1918 kwam hier het bericht binnen dat de wapenstilstand was getekend. Het duurde nog een tijdje voordat de wapens werden neergelegd.

In Belgisch-Congo was alleen een klein koloniaal leger voor de ordehandhaving gelegerd, dat slecht uitgerust was. In 1915 werden in Le Havre Belgische legerofficieren opgeleid voor het vechten in de tropen. De soldaten werden in Congo gerekruteerd en voor de bevoorrading werden dragers ingelijfd door het leger. Er waren nauwelijks wegen.

Fronten in het Midden-Oosten

Kaukasuscampagne - De Ottomanen mengden zich in de oorlog aan de zijde van de Centralen. Ze begonnen Rusland in de Kaukasus aan te vallen en er werden verschillende slagen geleverd.

Mesopotamiaanse Campagne - De invasie van Irak door troepen van het Britse Rijk.

Palestijns front - De Britten vochten om de Sinaï en Palestina tegen de Ottomanen, om de Ottomanen buiten het Suezkanaal te houden.

Dardanellen front - De Entente wilde een tweede route naar Rusland, via de Dardanellen. Hiervoor moest de hoofdstad van het Ottomaans Rijk, Constantinopel, bezet worden. Uiteindelijk faalden de geallieerden in deze aanval.

Perzisch front - Officieel was Perzië een onafhankelijk en neutraal land maar door invloed vanuit Rusland en het Britse Rijk werd ook hier gevochten om de olie. Doordat verschillende stammen tegen elkaar werden opgezet en om de Britten te ondermijnen in het Midden-Oosten en India, werden hier nog verschillende conflicten uitgevochten.

Aziatische Front - Tsingtao en de Pacifische Eilanden


Nederland verleende de Duitse ex-keizer Wilhelm II asiel op voorwaarde dat hij zich van politieke activiteiten zou onthouden. Wilhelm liet korte tijd later 'enkele kleinoden' naar Nederland overkomen, persoonlijke bezittingen uit verschillende van zijn Duitse paleizen: genoeg voor 59 wagonladingen.

Tot 1920 woonde hij in Kasteel Amerongen, waar hij ook zijn troonsafstand ondertekende, daarna tot zijn dood in Huis Doorn (beide in de provincie Utrecht). De Nederlandse regering weigerde hem uit te leveren aan de geallieerden en hield vast aan haar neutraliteitspolitiek. De geallieerden waren te oorlogsmoe om een conflict hierover op de spits te drijven. Overigens wilde koningin Wilhelmina niets met de ex-keizer te maken hebben en heeft hem (voor zover bekend) nooit bezocht in zijn ballingsoord. Haar echtgenoot prins Hendrik en dochter Juliana en haar echtgenoot prins Bernhard bezochten hem wel enige malen. Dit waren geen officiële ontvangsten door Wilhelm, maar 'familiebezoeken': de Oranjes en Hohenzollerns zijn inderdaad aan elkaar verwant en ook het huis Mecklenburg-Schwerin van prins Hendrik was aan Wilhelms familie verwant. Huis Doorn is nu een museum gewijd aan het verblijf aldaar van de laatste Duitse keizer Wilhelm II.


Het Duitse oorlogsplan was een bijgewerkte versie van het zogenaamde Schlieffenplan. Dit was gebaseerd op de veronderstelling dat de Russische mobilisatie veel tijd zou kosten. Duitsland zou deze tijd gebruiken door eerst met aartsvijand Frankrijk af te rekenen en dan Rusland aan te pakken. Op de avond van de oorlogsverklaring trokken de eerste Russische eenheden echter al Oost-Pruisen binnen.

Het Schlieffenplan voorzag in een omtrekkende beweging door België. Op 1 augustus bezette Duitsland Luxemburg. Op 2 augustus stelde Duitsland België een ultimatum met de eis tot vrije doortocht. België weigerde de Duitse troepen de doortocht, waarop Duitsland het neutrale België de oorlog verklaarde. Op 3 augustus verklaarde Duitsland Frankrijk de oorlog, op 4 augustus trok Duitsland België binnen. Dit was voor het Verenigd Koninkrijk reden om Duitsland nog dezelfde dag de oorlog te verklaren aangezien het Verenigd Koninkrijk de neutraliteit van België had gegarandeerd.


België hield zich aan de afspraak om neutraal te blijven en de Duitsers niet door te laten. Maar de Duitse legerleiding hield geen rekening met deze neutraliteit en Duitsland viel België alsnog binnen.

Op 25 augustus hebben Duitse troepen, tijdens een strafexpeditie tegen de stad Leuven, 218 burgers vermoord en de stad gedeeltelijk platgebrand. Van de ongeveer 6.000 huizen die Leuven telde zijn er 2.117 in de as gelegd. Ook de Sint-Pieterskerk en de universiteitsbibliotheek zijn in vlammen opgegaan. De Duitsers keken toe hoe een kwart miljoen boeken, waaronder duizenden onvervangbare middeleeuwse manuscripten en wiegendrukken in vlammen opgingen. Naast deze misdaden creëerden ook andere soortgelijke gevallen een golf van nationale en internationale verontwaardiging (uit latere getuigenissen zou ook blijken dat niet alle Duitsers te velde deze gruwelen goedkeurden). Leuven was niet het enige slachtoffer: ook in onder andere Dinant (674 doden) en Aarschot (170 doden) werden soortgelijke gruweldaden gepleegd.

De Duitse legerleiding besloot tot dergelijke afschrikwekkende represailles nadat hun troepen, naar eigen zeggen, door burgers waren beschoten. Om afgrijselijke vergeldingsmaatregelen goed te praten werd telkens het argument van deze zogenaamde franc-tireurs aangevoerd. Voor de oorlog begon, hadden de Duitse generaals hun eigen soldaten zwaar geïndoctrineerd en opgestookt met verhalen over francs-tireurs uit de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871. Er werd bij hen ingedrild dat ze tijdens hun opmars de plaatselijke bevolking onder geen beding mocht vertrouwen en hard moesten optreden als ze door hen werden beschoten. De Duitse troepen waren hierdoor zo paranoïde geworden, dat elk klein incident dat niet onmiddellijk verklaard kon worden een aanleiding tot dergelijke represailles kon geven. De publieke opinie werd eveneens opgejut door propagandaverhalen, om de legerleiding zo van onvoorwaardelijke steun voor de oorlogsinspanning te voorzien. In elk geval was er van hogerhand echter geen bevel gegeven tot georganiseerde franc-tireurdaden en ging het waarschijnlijk om geïsoleerde gevallen. De meeste represailles waren vooral ontstaan door misverstanden: in Leuven bijvoorbeeld bleken de Duitsers in de verwarring op elkaar geschoten te hebben en in Aarschot werd een Duitse kolonel (die erg gehaat was bij zijn eigen manschappen) door een van zijn eigen soldaten doodgeschoten.

In totaal zijn tijdens de inval van België 500 gemeenten getroffen door wreedheden; zeker 5.000 burgers werden vermoord, waaronder vrouwen en kinderen (in Noord-Frankrijk bedroeg dit aantal ongeveer 1500). Het is dan ook te begrijpen dat de Duitse wreedheid die met het begin van de inval gepaard ging, voor de geallieerde propaganda een makkelijk middel was. Langs beide kanten werden misdaden begaan door de tegenpartij door de propaganda verzonnen of overdreven en eigen misdaden ontkend of geminimaliseerd. De Duitsers werden door de geallieerde propaganda voorgesteld als "Hunnen met pinhelmen", barbaren uit het oosten; de Belgen werden door de Duitse propaganda dan weer voorgesteld als onderkruipers die de Duitse troepen verraderlijk in hinderlagen lokten.


De Britten konden bij hun rekrutering gebruikmaken van een naïef enthousiasme, zowel in eigen land als in hun koloniaal imperium. Franse en Duitse ronselaars konden eveneens op een grote toestroom rekenen. De roman Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Remarque beschrijft het enthousiasme voor de oorlog aan de Duitse zijde tijdens deze eerste paar maanden.Ook de jonge Adolf Hitler stond dol van vreugde tussen een enthousiaste menigte op de Odeonsplatz op 1 augustus 1914, toen bekend werd gemaakt dat Duitsland in oorlog was.


Aanvankelijk speelde de luchtoorlog een bescheiden rol. Vliegtuigen werden, zoals in de Balkanoorlogen, slechts ingezet voor verkenningsvluchten. Het eerste luchtgevecht vond plaats toen in augustus 1914 een Servisch verkenningsvliegtuig een Oostenrijks-Hongaars toestel tegenkwam. De piloot trok een revolver en schoot op het Servische toestel. Meteen werden alle piloten met revolvers uitgerust, later volgden boordmitrailleurs.

Verkenning was en bleef het voornaamste doel van de vliegtuigen. Bombardementen kwamen ook voor, maar hiervoor moest de piloot de bom tussen de benen houden en zelf het toestel uitwerken. Ook werden wel zeppelins ingezet. Deze kolossen konden meer bommen vervoeren en werden door de Duitsers veelvuldig ingezet om Londen te bombarderen. Zij waren echter ook een makkelijk doelwit en zeer kwetsbaar, omdat ze zo groot waren en met waterstof waren gevuld. Naast verkenning en bombardementen, was intimidatie van de bevolking een doel van de inzet van vliegtuigen en zeppelins.

Bekend waren de vele "dogfights" tussen de Duitse en geallieerde vliegers. Manfred von Richthofen, oftewel de Rode Baron, behaalde 80 overwinningen. De Fransman René Fonck bleef hier met 75 niet ver achter. Hermann Göring, de latere luchtmaarschalk en nazipartijbons, was ook oorlogsvlieger.

Amerikaanse oorlogsdeelname

Duitsland beantwoordde de blokkade van de geallieerden met het duikbootwapen. Duitse duikboten schuimden de zeeën af en torpedeerden koopvaarders. Behalve geallieerde schepen, werden ook wel eens neutrale schepen getroffen, zoals de Lusitania. Dit werd de Duitsers door veel neutralen, waaronder de Verenigde Staten, zeer kwalijk genomen. De Amerikanen hielden zich echter lang afzijdig van de oorlog, die ze als een Europese aangelegenheid zagen, vanwege de Monroedoctrine.

In 1917 zat er geen beweging in de fronten. Een Duitse poging om de Britse vloot te vernietigen en zo de blokkade te breken was in 1916 met de zeeslag bij Jutland mislukt. De Duitsers vernietigden meer schepen dan de Britten, maar waagden zich niet meer op open zee. Een onbeperkte duikbootoorlog zou de kans geven om et Verenigd Koninkrijk te isoleren en tot overgave te dwingen. Dit zou echter kunnen leiden tot een oorlog met de Verenigde Staten.

De Duitsers zetten het plan toch door, maar trachtten Japan en Mexico tot de Centralen te doen toetreden om zo de Amerikanen af te leiden. Een telegram met deze strekking (Zimmermanntelegram) werd echter onderschept door de Britse geheime dienst en doorgespeeld aan de Amerikaanse regering. Naar aanleiding hiervan, en van de onbeperkte duikbootoorlog, kon de vanaf het begin op geallieerde handen zijnde president Woodrow Wilson het Amerikaanse parlement overtuigen om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren. De Mexicanen hadden echter net de Mexicaanse Revolutie achter de rug en hadden geen behoefte aan nieuwe strijd. Ook Japan zag van deelname af.

De Amerikaanse aanwezigheid had, vooral in het begin, een louter psychologische waarde. Zo kolossaal als de Amerikaanse marine was, zo klein was hun landleger. Er was mankracht genoeg, maar er was onvoldoende bewapening. Kanonnen moesten van de Britten worden geleend. De Duitsers zagen echter een nieuw leger tegenover zich dat steeds verder aangroeide. Hun duikboten waren onvoldoende om de oorlogskonvooien tegen te houden. De tijd werkte in hun nadeel: steeds meer troepen stroomden Europa binnen en de ongeschonden Amerikaanse wapenfabrieken draaiden op volle toeren. De slag aan de Schelde werd uitgevochten met een belangrijke inzet van Amerikaanse grondtroepen. Het Flanders Field American Cemetery and Memorial is hiervan een stille getuige.

Tussen de Duitse en geallieerde loopgraven lag een strook modder, omgeploegd door granaatexplosies en infanterie, en bezaaid met landmijnen en prikkeldraad. Dit was het niemandsland. Het enige wat groeide op het niemandsland en in de loopgraven was de klaproos (papaver). Daarom staat deze rode bloem symbool voor de Eerste Wereldoorlog.

Het leven in de loopgraaf was een nachtmerrie. Loopgraven vormden, met name in het voorjaar, winter en herfst, modderige geulen waarin men tot de knieën in de modder zakte. Alles werd vochtig en smerig en het water drong door kleren en laarzen heen. Dit leidde onder meer tot "loopgravenvoeten", het verweken van langdurig natte voeten met sterk vergrote kans op beschadigingen en daardoor infecties met als uiterste gevolg dood door gangreen. Soms werd gebruikgemaakt van houten planken om de begaanbaarheid te verbeteren; in Duitse loopgraven was dit iets sneller gebruikelijk. Lijken konden vaak door de omstandigheden en de grote aantallen, niet snel worden begraven. Op de lijken en ander afval kwamen ratten af, die zich in hoog tempo konden vermenigvuldigden. Slechts als een deel van het front langere tijd 'in rust' was kon er enige verbetering in de leefomstandigheden worden gerealiseerd.


Na de Duitse inval sloegen vele Belgen op de vlucht. Duizenden vertrokken via Oostende en Zeebrugge naar Engeland of vandaar verder naar Frankrijk. Meer dan een miljoen Belgen vluchtten naar Nederland. Onder deze vluchtelingen bevonden zich ook 33.000 militairen. Deze werden geïnterneerd omdat Nederland volgens internationaal recht als neutraal land moest zorgen dat troepen en middelen van de strijdende partijen die op zijn grondgebied terechtkwamen niet meer aan de strijd zouden kunnen deelnemen. Duizenden "gemotiveerde" Belgische militairen zouden ontsnappen om via Groot-Brittannië en Frankrijk toch weer deel te nemen aan de oorlog.

De vluchtelingen werden in eerste instantie warm onthaald. De verontwaardiging over het schenden van de neutraliteit van het kleine land en de bewondering voor zijn standvastigheid waren groot. De groep vluchtelingen was echter zo groot dat al snel problemen ontstonden met huisvesting en gezondheidszorg. De Belgische overheden riepen vluchtelingen op terug te keren naar het, nu bezette, vaderland. Het grootste deel van de oorlogsvluchtelingen keerde voor het einde van het jaar daadwerkelijk terug naar huis. Meer dan 100.000 Belgen bleven echter in Nederland achter. Onder hen de gezinnen van geïnterneerde militairen. Van deze groep werden diegenen die niet zelf in hun levensonderhoud konden voorzien (ongeveer 20.000) ondergebracht in toevluchtsoorden te Gouda, Uden, Nunspeet en Ede die onder toezicht stonden van de Nederlandse overheid en waar de Belgen tot het einde van de oorlog in zeer goede omstandigheden werden gehuisvest. Inspecties van het internationale Rode Kruis onder leiding van Zwitserland, hebben dit meermaals bevestigd.

Bij de bevolking heerste nog een geromantiseerd beeld van de oorlog. De sociale druk om mee te vechten was groot. Ronselaars spraken hen toe in de fabrieken, scholen, in de kerk en op de marktpleinen. Wie niet meedeed zou er later "niet meer bij horen". Wie zich alsnog succesvol aan de dienstplicht wist te onttrekken of (zoals in het Britse Rijk) zich niet meldde als vrijwilliger terwijl anderen dit wel deden, werd gestigmatiseerd als lafaard. Weigeraars werden met de nek aangekeken en kregen witte veren van hun meisjes, symbolen voor lafheid. Men vond daarnaast dat men, in ruil voor de sterk verbeterde sociale stelsels, best wat "terug kon doen". Bovendien deelde het Britse leger mannen uit dezelfde buurt of fabriek ook in dezelfde legereenheden in, de zogenaamde pal's battalions ('work together, fight together'). Dit zorgde voor sociale druk en sociale controle.

Vrijwilligers uit Australië en Nieuw-Zeeland vormden samen de Anzac-eenheden. Ze kregen vaak de meest hopeloze opdrachten maar droegen het aureool van dappere, maar roekeloze soldaten die hun imago ijverig koesterden. Jonge fabrieksarbeiders en mijnwerkers uit Groot-Brittannië zagen een uitstapje naar Parijs wel zitten. In Canada was het eerste geprogrammeerde contingent van 20.000 man onmiddellijk volgetekend. 430.000 Anderen zouden nog volgen. In totaal zouden 60.000 Canadezen sneuvelen.

Tijdens de eerste weken van de oorlog meldden duizenden Amerikanen uit de toen nog neutrale Verenigde Staten zich in Canada; liefst 5.000 alleen al uit Texas.

Ondanks het conflict tussen Britten en Ieren met ettelijke volksopstanden, waren er naast protestantse Ieren die de Engelsen wel gunstig gezind waren, tienduizenden katholieke Ieren die zich lieten inlijven in het Britse beroepsleger. Van de 200.000 Ierse vrijwilligers in het Britse leger zouden er uiteindelijk ongeveer 30.000 de dood vinden. De Britten beschouwden de Ieren (net als trouwens de Schotten) als "woeste krijgers" die met de "gepaste" omkadering door hoofdzakelijk Engelse officieren best van pas kwamen bij allerlei koloniale conflicten, terwijl de Ieren en Schotten het leger zagen als een broodheer die bovendien nog "avontuur" op "exotische plaatsen" in het vooruitzicht stelde.

Op aandringen van Franse regering stuurde Rusland in 1916 een expeditionair leger van 8.942 man infanterie om mee te vechten aan het westfront in Frankrijk. Na de ineenstorting van het Russische leger en het vredesakkoord tussen Rusland en Duitsland werden veel Russische ex-soldaten aan het werk gezet in de Franse economie; sommigen werden gedeporteerd naar Algerije, en sommige legeronderdelen zijn blijven vechten of werden ingelijfd in het Franse leger.

Apart was de bijdrage van de "Zuid-Afrikaners". Ze hadden nog maar net tien jaar bloedige oorlog achter de rug met de Britten en nu waren ze bondgenoten tegen een vijand die ze alleen kenden van horen zeggen. Bovendien voelden veel Boeren zich verwant aan de koloniale Duitsers van Duits-Zuidwest-Afrika en voelden er weinig voor tegen hen te vechten. Pro-Duitse en militant anti-Britse Afrikaners kwamen weliswaar in opstand tegen de oorlogsdeelname in de Maritz-rebellie, maar zij werden verslagen en hun leider Christiaan de Wet werd gearresteerd. Britse "gekleurde" koloniale troepen uit India, Nepal en zelfs Jamaica werden samen met het Brits-Chinese Labor Corps met dubieuze beloften en niet gehinderd door enig voorstellingsvermogen naar Europa gedirigeerd.

Al met al werd de oorlog beschouwd als iets dat de nationale en internationale verhoudingen recht zou zetten, een eind zou maken aan 'maatschappelijke kwalen', de geest van de jeugd zou zuiveren, hen zou opvoeden en echte mannen van hen zou maken.

Chemische en biologische oorlogvoering

In de eerste maand van de oorlog, augustus 1914, vuurden Franse soldaten traangas (xylylbromide) af naar de Duitsers en waren daarmee de eersten die gifgas gebruikten. Het Duitse leger was echter het eerste dat intensief onderzoek deed naar gifgas, onder leiding van de eminente Duitse chemicus en Nobelprijswinnaar Fritz Haber, en was het eerste dat het in 1915 op grote schaal gebruikte. Maar ook de Fransen, waaronder chemicus en eveneens Nobelprijswinnaar Victor Grignard, waren hier intensief mee bezig.

Aan het Russische front werd in de Slag bij Warschau door de Duitsers voor de eerste keer xylylbromide ingezet, maar het gas condenseerde door de lage temperatuur en bevroor zelfs. Later werden voor het eerst op kleine schaal aan het oostfront chloorgascilinders ingezet. De verbaasde officieren zagen hun soldaten in groene wolken verdwijnen en neervallen. Een aantal rende terug, schreeuwend dat de Duitsers hen met een "groene mist" vergiftigden.

Na dit experiment gebruikten de Duitsers het gas in de Tweede Slag om Ieper. Meer dan 5.000 cilinders chloorgas werden opengezet. De Franse verdedigende regimenten raakten bevangen door het gas en een gat van 6 km ontstond. De Duitsers hadden echter ook deze aanval bedoeld als experiment en hadden niet op zo'n succes gerekend. Er waren dan ook geen soldaten voorhanden om door te stoten. Na dit succes ontstonden diverse soorten chemische oorlogswapens, zoals fosgeen en in 1917 mosterdgas. Ook probeerden Duitse en later ook Franse wetenschappers ziekteverwekkers in diverse bommen te stoppen; vooral de pest. De eerste stappen richting serieuze biologische oorlogvoering waren genomen.

Chemische wapens werden al snel en op grote schaal ook door de geallieerden gebruikt. De eerste gasmaskers die hun intrede deden, waren primitief (bijvoorbeeld een lap gedrenkt in water of urine) en hielpen nauwelijks. Pas na uitgebreid onderzoek verbeterden de gasmaskers aanzienlijk wat de effectiviteit van de toch al zeer dure chemische wapens niet ten goede kwam. Bovendien was het een erg risicovolle bedoening voor de eigen troepen, daar de wind na het openzetten van de cilinders het gas de verkeerde kant kon doen opgaan. Dat laatste werd opgelost door voortaan gasgranaten te gebruiken.


Bij offensieven was het nog erger. De verdedigers werden soms dagenlang aan artilleriebombardementen blootgesteld. Ondertussen trokken de aanvallers troepen samen. Als (men dacht dat) alle vijandelijke artillerie en mitrailleursnesten uitgeschakeld waren viel de infanterie aan, onder dekking van granaatvuur. Soms was de coördinatie niet goed: dan verloren de soldaten hun dekking of werden door de eigen artillerie beschoten. Dit is overigens ook wel opzettelijk gedaan als de infanterie niet snel genoeg opschoot. Zo maakten de soldaten de oversteek over het niemandsland naar de vijandelijke loopgraaf.

De verdedigers wisten echter meestal al door de niet te verhullen intensieve voorbereiding (luchtverkenning speelde voor het eerst een grote rol) en dagenlange bombardementen wat er zou gaan gebeuren en trokken zich deels terug. Hierdoor ontstond een saillant, waarin de aanvallende infanterie klem kwam te zitten. Mitrailleursnesten aan de flanken openden het vuur en verdedigende infanterie rukte op terwijl de eigen artillerie vaak te traag was omdat deze vast kwam te zitten in de modder in het niemandsland. Nu geheel zonder dekking werd de aanvallende infanterie vrijwel geheel afgeslacht, in veel gevallen tot en met de laatste man. In 1915 vonden dergelijke kleinere aanvallen regelmatig plaats.



De Duitsers hadden over het algemeen beter leefbare loopgraven dan de geallieerden. Bij de geallieerden (met name de Fransen op wiens grondgebied gevochten werd) werd het construeren van goede loopgraven ontmoedigd vanuit een offensieve gedachte en de Duitsers hadden zich daarnaast op veel plaatsen teruggetrokken op hogere en daardoor beter verdedigbare (maar ook drogere) posities. Naast alle smerigheid die ook veel ziektes met zich mee bracht waren ook zaken als continue angst, eenzaamheid en eentonigheid een hel voor de soldaten.

Tijdens dagenlange beschietingen of ten tijde van code rood moet de angst om te sterven ondraaglijk zijn geweest. Er zijn verhalen over soldaten die een sigaret opstaken en door het oplichten hiervan een doelwit voor sluipschutters werden. Hier komt het bijgeloof vandaan dat nooit met een vuurtje meer dan één sigaret aangestoken mag worden - dit gaf sluipschutters immers voldoende tijd om te richten.

Door alle verschrikkelijke en traumatische belevenissen in de loopgraven kregen sommige soldaten last van de zogenaamde shellshock. Bij deze aandoening krijgt de soldaat last van tics of stuiptrekkingen, zoals trekjes bij de ogen, of zelfs rillingen. Shellshock werd beschouwd als een vorm van lafheid, zodat soldaten met deze verschijnselen meestal geëxecuteerd werden door hun eigen partij.

Eenzaamheid kwam veel voor. Vriendschappen tussen mannen hielden zelden langer dan één maand stand, mede door de enorme aantallen slachtoffers. Eenzaamheid resulteerde in allerlei vreemde symptomen. Sommige mannen sloten vriendschappen met ratten of voorwerpen en beschouwden hen als familie, anderen praatten voortdurend in zichzelf of tegen dode lichamen. Het ontbreken van vrouwen resulteerde in seksuele relaties tussen de mannen.

De eentonigheid van een soldatenbestaan in combinatie met bovenstaande zorgde na de oorlog bij overlevenden voor het zogenaamde 'loopgravensyndroom'. Veel mannen konden hun oude leven niet meer oppakken en bleven leven met dezelfde eigenaardigheden als in de loopgraven.

Graven van Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog op de begraafplaats van Veenhuizen, Noordenveld, Drenthe. Foto: Wutsje / Wikimedia Commons / CC-BY-SA 3.0

Het Britse Rijk had bij het Verdrag van Londen de neutraliteit en veiligheid van België gegarandeerd. Met een nipte meerderheid in het kabinet verklaarde het Duitsland de oorlog. De Duitse gruweldaden zorgden voor een massale rekrutering op vrijwillige basis in het Britse Rijk.


TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

De auto waarin Frans Ferdinand werd doodgeschoten.

Foto: Alexf.  Picture taken at the Military History Museum in Vienna, Austria.

Close-up van een Breguet tweedekker squadron van V.21 voorbereiden om te starten vanaf Saint-Etienne-au-Temple in Marne,1916.

Fotograaf: Raoul Berthelé. 10 november 1978: geschonken aan Archives municipales de Toulouse door Faucher-Berthelé.

Vliegtuig crasht, 1914-1918.

The document on swiss-archives.ch (CC-BY-SA 3.0/CH)

Zandzakken schuilhut bezet door leden van een houwitser batterij, ca. 1917. Australiers.

Loopgraaf België. THE THIRD BATTLE OF YPRES (PASSCHENDAELE) 31 JULY - 10 NOVEMBER 1917.

België tussen 1916 en 1918, Flandern, Duitse stormtroepen.  

Bundesarchiv, Bild 146-2008-0086 / CC-BY-SA

Een deel van de Royal Irish Rifles in een communicatie loopgraaf tijdens de Slag van de Somme, juli 1916.

This is photograph Q 1 from the collections of the Imperial War Museums (collection no. 1900-02).

Graven van Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog op de begraafplaats van Veenhuizen, Noordenveld, Drenthe.

Foto: Wutsje / Wikimedia Commons / CC-BY-SA 3.0

 Kaart van militaire allianties in Europa in 1914.  Nederlandse versie: Klaas1978.

Création personnelle (version renommée de Image:Les rivalités en Europe en 1914.svg)

Een van de vele rekruteringsposters, Engeland 1914.

Auteur: Alfred Ambrose Chew Leete.

Schlieffenplan, 1914.

Auteur: Tinodela.

Foto van een groep staande voor medische voertuigen: Miss May en Miss Rose Tebbutt bereiken het onmogelijke, de toegang tot de haven in de Eerste Wereldoorlog. Zij overtuigden de autoriteiten om hen in staat stellen om inkomende gewonden een doos benodigdheden te overhandigen met sigaretten, briefpapier, en potloden om naar huis te schrijven.

Foto: Hampshire and Solent Museums

Bulgaarse ambulance op weg naar het front.

The Library of Congress

Slag van Pilkem Ridge (België) 31 juli - 2 augustus, 1917. Een pak paard met een gasmasker wordt geladen met bedrading defensie materieel en andere apparatuur in de buurt van Pilkem.

De slag bij Passchendaele, België, Juli-november 1917.

This is photograph Q 5730 from the collections of the Imperial War Museums

Canadese soldaten in een loopgraaf, in 1916 gedurende WWI.

Bibliothèque nationale de France

Interbellum - De Stijl


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

 Keizer Wilhelm II van Duitsland, 1902.  

Foto: Court Photographer T. H. Voigt of Frankfurt. This is photograph HU 68367 from the collections of the Imperial War Museums.