App Nederland Geschiedenis NL

Tweede Wereldoorlog

 - Holocaust -

De Tweede Wereldoorlog was de samensmelting van een aantal aanvankelijk afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945 op wereldschaal werden uitgevochten tussen twee allianties: de asmogendheden (de kern bestond uit Duitsland, Italië en Japan) en de geallieerden (tegenstanders van de asmogendheden).

Samenvatting

In Europa vielen de Duitse troepen op 1 september 1939 Polen binnen. Dit leidde op 3 september 1939 tot een oorlogsverklaring aan Duitsland door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De meest dramatische uitbreiding van het conflict vond plaats op 22 juni 1941 met de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Desondanks kon de oorlog op dat moment nog steeds worden gezien als een Europese oorlog, los van de Japanse expansie in Oost-Azië. Dit veranderde toen op 7 december 1941 Japan de United States Pacific Fleet bij Pearl Harbor bombardeerde en de Verenigde Staten prompt aan Japan de oorlog verklaarden. Hitler verklaarde vier dagen later de Verenigde Staten de oorlog, formeel omdat Duitsland en Japan in 1936 het Anti-Kominternpact (pact dat op 25 november 1936 door het Japanse Keizerrijk en nazi-Duitsland werd gesloten en gericht was tegen het communisme) hadden gesloten, feitelijk omdat de VS reeds lang materiële steun gaf aan de Britten. In maart 1941 was die steun geformaliseerd in de Leen- en Pachtwet. Er ontwikkelde zich een samenwerking tussen de Sovjet-Unie enerzijds en de Britten en Amerikanen anderzijds, die gekenmerkt werd door veel wederzijdse onwennigheid en wantrouwen, waarop door de Duitsers werd ingespeeld.

België en Nederland werden op 10 mei 1940 door Duitsland aangevallen. Op 15 mei capituleerde Nederland. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd. België capituleerde na achttien dagen verzet op 28 mei. De daaropvolgende bezetting duurde in België tot 17 september 1944 en in Nederland ten noorden van de grote rivieren tot 6 mei 1945. Japan viel Nederlands-Indië binnen op 10 januari 1942 en capituleerde op 15 augustus 1945. Nederland zou nooit meer volledige controle over het eilandenrijk verkrijgen, dat in 1949 onafhankelijk werd.

De oorlog kenmerkte zich door een tot op dat moment ongekende bruutheid. In vorige oorlogen was over het algemeen een principieel onderscheid gemaakt tussen burgers en militairen, waarbij de burgers zo veel mogelijk ontzien werden of in ieder geval geen primair doel vormden. Dit principe werd in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal verlaten; alle partijen beschouwden elkaars burgers als valide doelen, met het argument dat ook de burgers bijdroegen aan het oorlogvoerend vermogen van de vijand. De Tweede Wereldoorlog is daarmee tot op heden het meest sprekende voorbeeld van een totale oorlog. Daarnaast waren zowel nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie dictatoriale regimes, die ook delen van hun eigen bevolking wreed onderdrukten. Ook de oorlog tussen militairen was uitgesproken hard, vooral aan het oostfront. De internationale "spelregels" voor de oorlogvoering (vastgelegd in de Conventie van Genève) werden systematisch en op grote schaal overtreden, met name met betrekking tot de behandeling van krijgsgevangenen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen tussen de 50 en 70 miljoen doden. Ongeveer twee derde van alle slachtoffers was burger, waarvan naar schatting meer dan elf miljoen minderheden stelselmatig werden vervolgd en vermoord. Het was de eerste en tot op heden enige oorlog waarin kernwapens werden ingezet.

De aanleiding

Het politiek instabiele Duitsland van na de wapenstilstand (1918) was ten prooi gevallen aan chaos en armoede, waarbij links en rechts streden om de macht. Deze strijd zou uiteindelijk worden beslecht in het voordeel van het totalitaire nationaalsocialisme. De essentie van deze fascistische stroming was dat de sterkere het recht heeft de zwakkere te overheersen. Dit verklaart zowel het radicaal nationalistische, antisemitische, militaristische, antidemocratische en anticommunistische karakter van deze beweging als de ideologisch geïnspireerde vernietigingsoorlog die hieruit voortvloeide. Het Verdrag van Versailles (1919) verplichtte Duitsland tot territoriale concessies, financiële offers en een drastische beperking van zijn militaire macht. Bovendien werden geallieerde troepen in het Rijnland gelegerd. De vernedering was een bron voor Duits ressentiment (haat en wrok) en zou de uiterst rechtse nationalistische partijen in de kaart spelen. Ook de opdeling van Duits grondgebied zonder rekening te houden met de bevolkingssamenstelling zou aanleiding geven voor internationale spanningen. In het verarmde, door nederlagen gedemoraliseerde en hongerige Rusland van 1917 braken revoluties uit. De hierop volgende communistische machtsovername leidde in heel Europa tot ernstige onlusten. Europa zou na 1917 veelvuldig in de greep komen van de angst voor het “communistische gevaar” (toen nog vaak aangeduid als bolsjewisme) en deze angst zou de opkomst van het Fascisme in Italië en het nationaalsocialisme in Duitsland een enorme impuls geven. In november 1918 vond in Duitsland een door de Russische Revolutie geïnspireerde linkse Novemberrevolutie plaats, die de kop werd ingedrukt door uit gedemobiliseerde soldaten samengestelde vrijkorpsen. De extreemrechtse vrijkorpsen werden deels gedreven door de theorie dat communisten, socialisten, republikeinen en Joden het land zouden hebben verraden en dat Duitsland daarom de oorlog had verloren (de zogenaamde dolkstootlegende).

De naoorlogse economische crisis verergerde nadat Duitsland in 1923 de opgelegde herstelverplichtingen niet langer nakwam en Franse en Belgische troepen het Ruhrgebied bezetten. Hierna braken stakingen uit die door de Duitse staat werden aangemoedigd. Om de stakingskas te vullen draaide de geldpers en dit veroorzaakte hyperinflatie. De economische chaos ontketende in het hele land onlusten en de Weimarrepubliek (Duitsland in de periode van 1918/1919 tot 1933) verloor de steun van de door de geldontwaarding verarmde burgerij. De Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) onder leiding van Adolf Hitler grepen deze onlusten aan om in 1923 in Beieren een greep naar de macht te doen. Deze Bierkellerputsch (avond/nacht van 8 november op 9 november 1923) mislukte en Hitler werd tot 5 jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan hij uiteindelijk 1 jaar moest uitzitten. Tijdens deze detentie dicteerde hij zijn beruchte boek Mein Kampf dat later een centrale plaats in de nazipropaganda zou innemen. Ondanks aanvankelijke tegenslagen vond het nationaalsocialisme in de Duitse poel van armoede, angst, chaos en onvrede van de jaren twintig en dertig een vruchtbare voedingsbodem. Adolf Hitler bleek namelijk te beschikken over een opmerkelijk redenaarstalent en politiek instinct. Deze twee eigenschappen, opgeteld bij zijn dominerende drang naar macht en gebrek aan moreel besef stelden hem in staat de situatie uit te buiten en zouden hem en zijn partij de overheersing en de ondergang brengen. De depressie die ontstond na 1929 deed het ledental van de NSDAP groeien tot bijna 14.000.000 in juli 1932. In januari 1933 trad Hitler als Rijkskanselier (tussen 1871 en 1946 de titel van het hoofd van de Duitse regering) aan met een regering waarin de nationaalsocialisten de minderheid vormden. Toen bleek hij zeer snel in staat alle macht naar zich toe te trekken. De Weimarrepubliek ging ter ziele en de nazi's noemden hun nieuwe regime het Derde Rijk.

Nazi-Duitsland startte vrijwel direct met herbewapening. De omvang van de Reichswehr (het leger) was door de bepalingen van Versailles beperkt tot 100.000 man. Het had geen tanks, geen luchtmacht en nauwelijks schepen. Zes jaar later, bij het uitbreken van de vijandelijkheden, beschikte de Wehrmacht (benaming leger 1935-1945) over 3,5 miljoen soldaten, 9.000 kanonnen, 2.500 tanks, 2.300 vliegtuigen, 57 onderzeeërs en 45 oppervlakteschepen.

Diplomatiek middelen

De buitenlandse politiek van de nationaalsocialisten leidde tot een verhoogde kans op oorlog omdat Hitler streefde naar gebiedsuitbreiding in Oost-Europa ten koste van de Slavische volkeren. Hiertoe moest Polen worden vernietigd en Rusland gebroken. De spanningen met het Westen die hierdoor werden veroorzaakt waren slechts een afgeleide. Kenmerkend voor de periode 1933 – 1939 waren de Duitse successen zonder dat er oorlog uitbrak. De westerse democratische landen poogden in die periode Hitler in te tomen met diplomatieke middelen waarbij de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog hun zeker parten hebben gespeeld; degenen die in de jaren dertig leidinggevende posities bekleedden, hadden immers vaak zelf nog in de loopgraven gezeten. De toegeeflijkheid kwam echter ook voort uit een schuldgevoel aan de kant van het Verenigd Koninkrijk; Duitsland was na de oorlog zo onrechtvaardig behandeld dat vele eisen van Hitler als legitiem werden gezien. Zo was de wens van Hitler om alle Duitsers in één rijk te verenigen volstrekt in lijn met de geest van het Verdrag van Versailles. Dit verdrag was echter in het nadeel van Duitsland beslecht op een aantal gebieden. Zo kwam in 1935 het Saarland "Heim ins Reich" en werd in 1936 het Rijnland weer door Duitse troepen bezet na jaren van Franse bezetting. In 1936 ontstond tevens de as Rome-Berlijn. Deze alliantie zou met het staalpact van 1939 worden verstevigd. In maart 1938 volgden de annexaties van Oostenrijk en, ten koste van Tsjecho-Slowakije, het etnisch Duitse Sudetenland, die nog haastig werden afgedekt met het Verdrag van München, dat een nauwelijks verhulde capitulatie was van de Britten en de Fransen voor de Duitse expansiedrift. De Britse premier Neville Chamberlain typeerde dit verdrag echter als 'peace in our time'. De bezetting in maart 1939 van het resterende westelijke deel van Tsjecho-Slowakije, waarna dit het Protectoraat Bohemen en Moravië werd, markeert het einde van het Frans-Britse streven om met vreedzame middelen de veroveringszucht van nazi-Duitsland te beteugelen, omdat duidelijk werd dat Hitler meer wilde dan alleen een verenigd Duits rijk. Zij maakten toen een begin met de mobilisering van hun strijdkrachten, maar zagen verder machteloos toe.

Nazi-Duitsland valt Polen binnen

Nazi-Duitsland viel op 1 september 1939 Polen aan volgens het plan Fall Weiss. Deze aanval, ook wel Poolse campagne genoemd, zou vier weken duren. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk verklaarden op 3 september 1939 de oorlog aan Duitsland. Het is waarschijnlijk dat Hitler deze oorlogsverklaring van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk niet had voorzien, en dus eigenlijk niet uit was op een algehele Europese oorlog. Afgezien van deze oorlogsverklaring en het vruchteloze Franse Saaroffensief van 7 september 1939 ondernamen de geallieerden overigens weinig. Deze toestand, die tot april 1940 zou voortduren, werd door de Britten aangeduid als de 'phoney war' en door de Fransen als de 'drôle de guerre'. Conform het in augustus 1939 gesloten Molotov-Ribbentroppact viel de Sovjet-Unie op haar beurt op 17 september 1939 Oost-Polen binnen. Het Poolse leger werd nu vermorzeld tussen de Duitse en Russische strijdkrachten. De laatste Poolse eenheden capituleerden op 6 oktober 1939, waarna een deel van het Poolse leger en de regering eerst naar Frankrijk uitweken en vervolgens naar het Verenigd Koninkrijk.

Winteroorlog: Sovjet-Unie valt Finland binnen

De Winteroorlog begon toen de Sovjet-Unie op 30 november 1939 Finland aanviel in de verwachting de Karelische Landengte binnen een maand te veroveren. De Sovjet-Unie wilde dit gebied namelijk hebben ter verhoging van de veiligheid van Leningrad, de tweede stad van het land. Ze had eerst een gebiedsruil aangeboden aan Finland met een gebied aan de Finse oostgrens, maar Finland had dit aanbod afgewezen. Het Rode Leger ontmoette onverwacht felle Finse tegenstand en leed zware verliezen. Zo verloren de Russen meer dan 200.000 soldaten en meer dan 2.000 tanks. De Finnen verloren ongeveer 25.000 man. Door het enorme overwicht van de Sovjet-Unie liep het op 13 maart 1940 echter toch uit op een staakt-het-vuren op Russische voorwaarden. Finland verloor 10 procent van zijn grondgebied en 20 procent van zijn industriële capaciteit. Het verloop van de Winteroorlog tastte het prestige van het Rode Leger echter ernstig aan en droeg in hoge mate bij aan de Duitse onderschatting van Ruslands militair vermogen.

De Sovjet-Unie bezette in de daaropvolgende maanden ook nog Estland, Letland, Litouwen, Bessarabië en het Roemeense Noord-Boekovina, die nauwelijks militaire tegenstand boden.

Noorwegen en Denemarken onderworpen

Noorwegen was voor de Duitse oorlogvoering belangrijk vanwege de aanvoerroutes van Zweedse ijzererts en als uitvalsbasis voor de Kriegsmarine. Zowel de Britten als de Duitsers maakten daarom in een vroeg stadium plannen voor een inval.

De Duitse vloot voer op 3 april 1940 naar Noorwegen en op 8 april werden in Noorse wateren door een Britse torpedobootjager mijnen gelegd. Vervolgens landden de Duitsers op 9 april in Oslo, Bergen, Trondheim en Narvik, en vielen zij Denemarken binnen (Operatie Weserübung). Denemarken capituleerde vrijwel onmiddellijk na slechts enkele schermutselingen. Hoewel op 15 april nog een geallieerde tegenaanval plaatsvond bij Narvik, Namsos en Åndalsnes, waren de kaarten geschud na de vernietigende nederlagen in mei, elders op het Europese vasteland. Noorwegen capituleerde op 9 juni 1940 en de Britten moesten hun troepen evacueren en Scandinavië in de steek laten.

Het Noorse archipel van Svalbard is niet in Duitse handen gekomen. Na de invasie van Rusland door Duitsland in 1941, zijn 2000 Sovjet mijnwerkers en familie uit Barentszburg geëvacueerd naar Archangelsk door de Britse "HMS Queen of Canada" en begeleidende oorlogsschepen op 25 augustus 1941. In mei 1942 zijn geallieerde Noorse troepen naar Svalbard gestuurd om de eilanden te verdedigen. In september 1942 hebben Duitse oorlogsschepen Longyearbyen en Barentszburg gebombardeerd

Nederland, België en Luxemburg worden aangevallen

Op 10 mei 1940 viel de Duitse Wehrmacht Nederland, België en Luxemburg aan (Fall Gelb). Het Nederlandse leger, dat niet was uitgerust voor een moderne oorlog, werd volkomen onder de voet gelopen. Heinkels bombardeerden op 14 mei Rotterdam om daarmee Nederland sneller tot overgave te dwingen. Generaal Winkelman, de bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten werd geconfronteerd met zowel een strategisch uitzichtloze situatie als met het Duitse dreigement tot vernietiging van meerdere grote steden. Op woensdagochtend 15 mei 1940 tekende hij dan ook de capitulatie met uitzondering van de provincie Zeeland. Daar werd de strijd voortgezet omdat Franse troepen er nog in gevecht waren met de Duitse aanvallers. Twee dagen later, op 17 mei capituleerde noord en midden-Zeeland. Het Belgisch leger probeerde zo lang mogelijk stand te houden tegen de Duitse overmacht, maar kon alleen nog de aftocht van het Britse Expeditieleger via Duinkerke dekken. Zeeuws-Vlaanderen was opgenomen in de Belgische verdediging en kwam op 27 mei in Duitse handen. Eén dag later capituleerde ook het Belgische leger na 18 dagen strijd. Deze periode is later bekend geworden als de Achttiendaagse Veldtocht.

De geallieerde legers hadden ondertussen gereageerd op de Duitse invallen in Nederland en België door verplaatsing vanuit Frankrijk naar het noorden. Men meende dat het zwaartepunt van de Duitse aanval daar zou liggen, omdat het zuiden immers gedekt werd door de Maginotlinie en de ondoordringbaar geachte Ardennen. De Wehrmacht brak echter volkomen onverwacht door de verdedigingslinies bij Sedan (Franse stad aan de Maas grens met België), met de al in Polen beproefde Blitzkriegtactiek van een combinatie van oprukkende pantserdivisies en precisiebombardementen van de Luftwaffe. Op 20 mei bereikten verkenningseenheden van de tweede Duitse pantserdivisie de Kanaalkust bij de monding van de Somme. De Britten waren toen afgesneden van hun Franse bondgenoten en hun restte niets anders dan een vluchtpoging over het Nauw van Calais. Op 2 juni waren 330.000 soldaten erin geslaagd bij Duinkerke in te schepen in een geïmproviseerde vloot en de oversteek te maken. Hun volledige uitrusting en ruim 68.000 dode, gewonde en gevangen kameraden lieten zij achter. De Fransen hielden het hierna niet meer lang vol. Op 5 juni bogen de Duitsers af naar het zuiden (Fall Rot), namen op 14 juni Parijs in, dat niet verdedigd werd, en op 17 juni bereikten zij de Zwitserse grens, ondanks felle Franse tegenstand. De troepen in de imposante Maginotlinie waren daarmee omsingeld, zodat het lot van Frankrijk bezegeld was. Het fascistische Italië, overtuigd dat de strijd was gestreden, verklaarde op 10 juni Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk alsnog de oorlog en het viel Frankrijk in het zuidoosten aan met een numerieke overmacht van circa 550.000 man om enkele grensgebieden te veroveren. Zij boekten echter nauwelijks terreinwinst wegens fel verzet van de Franse verdediging. Op 18 juni hield generaal Charles de Gaulle, die naar Engeland was gevlucht, een later als historisch beschouwde radiorede waarin hij het Franse volk voorhield dat het een slag had verloren, maar niet de oorlog en dat de strijd moest doorgaan. Op dat moment was echter het enige gevolg dat hij door de Franse regering als muiter werd bestempeld en bij verstek ter dood veroordeeld. Op 22 juni 1940 ondertekende Frankrijk een wapenstilstand waarbij bepaald werd dat zestig procent van het Franse grondgebied bezet zou worden en in het overige zuidoostelijke deel de marionettenstaat Vichy-Frankrijk werd gevestigd, met de conservatief-nationalistische maarschalk Philippe Pétain als staatshoofd. De Duitse minister van volksvoorlichting Joseph Goebbels buitte de gelegenheid uit met een propagandastunt door voor de ondertekening dezelfde treinwagon te laten gebruiken als die waarin in 1918 de Duitse capitulatie getekend was. Op 24 juni werd er in Rome ook nog een wapenstilstand getekend met Italië, waaraan een betrekkelijk kleine territoriale concessie van 800 km² moest worden gedaan.

 De Slag om Engeland

De Britten vochten door, ondanks de verpletterende nederlaag op het Europese vasteland. Hitler wilde zijn aandacht zo snel mogelijk oostwaarts richten, maar Duitse vredesvoorstellen aan de Britten werden door dezen afgeslagen, vooral door toedoen van de nieuwe premier Winston Churchill; hij was op 10 mei 1940 Neville Chamberlain opgevolgd na de massale aanval van Duitsland op Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Op 16 juli 1940 gaf de Duitse opperbevelhebber (Hitler) daarom opdracht voorbereidingen te treffen voor de invasie en verovering van Groot-Brittannië (operatie Seelöwe). Over de Britse weerstand op eigen grondgebied hoefden de Duitsers zich niet al te veel zorgen te maken, maar wegens het grote overwicht van de Royal Navy over de relatief bescheiden Duitse marine zou een aanval slechts kans van slagen hebben als de Duitse strijdkrachten het luchtruim volledig beheersten, zodat de Britse schepen vanuit de lucht op afstand konden worden gehouden. De aanvallen van de Luftwaffe waren dan ook gedurende bijna twee maanden grotendeels gericht op de uitschakeling van de vliegvelden van Royal Air Force in het zuiden van Engeland. Toen op 24 augustus 1940 voor het eerst, al was het per ongeluk, Duitse bommen op het oosten van Londen vielen, leidde dat tot een Britse vergeldingsaanval op Berlijn. De woedende Hitler eiste onmiddellijk een afstraffing van 'deze brutaliteit' door een massaal bombardement van Londen. Het idee dat het met de Britse luchtverdediging grotendeels was gedaan droeg ook bij tot deze fundamentele wijziging van de Duitse strategie. Vanaf 7 september 1940 werd getracht de Britse oorlogswil te breken door stelselmatige terreurbombardementen van de burgerbevolking, maar dit bleek een fatale vergissing. Er vielen vele burgerslachtoffers en er werd zware schade aangericht in Londen en veel andere steden, maar het moreel werd niet gebroken. Bovendien kreeg de Royal Air Force nu de gedroomde kans de onmisbare vliegvelden te herstellen en bracht de Duitsers steeds zwaardere verliezen toe. Operatie Seelöwe werd uitgesteld en uiteindelijk afgeblazen zonder dat het doel, veiligheid in het westen, bereikt was. De Luftwaffe was meer dan 1500 vliegtuigen kwijt geraakt, en aan het oostfront zou de Duitse oorlogscapaciteit nooit volledig kunnen worden ingezet door de voortdurende dreiging in het westen.

De Slag om de Atlantische Oceaan

De Kriegsmarine trachtte vooral met onderzeeërs de scheepvaart op de Atlantische Oceaan onmogelijk te maken en op die manier de Britse aanvoerlijnen vanuit de Verenigde Staten af te snijden. De Duitsers voerden daarom Operatie Paukenschlag uit om de Amerikaanse kustvaart te treffen. Hoewel de onderzeeërs in de eerste jaren een ernstige bedreiging vormden voor de geallieerde scheepvaart in het algemeen, en de aanvoer naar Groot-Brittannië in het bijzonder, werd deze uitputtingsslag door de samenloop van een aantal factoren vanaf 1943 beslecht in het voordeel van de geallieerden: er kwamen meer technische mogelijkheden om onderzeeërs op te sporen en te vernietigen, de Enigmacodes voor de versleuteling van de Duitse militaire communicatie werden gekraakt, en bovenal werd het productief vermogen van de Verenigde Staten groter dan de vernietigingskracht van de Duitsers.

De Balkan

Albanië was reeds in april 1939 door de Italianen bezet en Mussolini, geïrriteerd door de Duitse successen, liet op 28 oktober 1940 zijn troepen Griekenland binnenvallen. Hoewel het Griekse leger geen noemenswaardige luchtmacht had en slecht was voorbereid, bleken de Italianen niet tot veel in staat. De Italiaanse strijdkrachten beschikten wel over aanvalsvliegtuigen, maar deze konden door de slechte weersomstandigheden niet worden ingezet. Ook was het moeilijk begaanbare terrein in het voordeel van de verdedigers. Het Griekse tegenoffensief van 14 november 1940 wierp de Italianen vervolgens ver terug tot over de grenzen van het reeds bezette Albanië. Britse troepen landden op Kreta en verleenden de Grieken luchtsteun, waarmee voor Duitsland een ernstige bedreiging ontstond. De Britten waren nu namelijk in staat vanuit Griekenland de Roemeense olievelden te bombarderen en zo de Duitse brandstofvoorziening in gevaar te brengen.

Op de Balkan hadden de meeste landen inmiddels hun posities bepaald. Hongarije, Roemenië, en Bulgarije hadden zich bij de As aangesloten, terwijl op 27 maart 1941 een staatsgreep in Joegoslavië een bewind aan de macht bracht dat gekant was tegen de asmogendheden, waarmee een bedreiging vanuit de Balkan ontstond. De Duitsers, geholpen door Italiaanse, Hongaarse en Bulgaarse troepen, vielen daarom op 6 april 1941 van alle kanten Joegoslavië binnen. De inmiddels ervaren Wehrmacht overmeesterde het land in elf dagen, mede vanwege de onbeholpen strategie van de Joegoslaven die overal stand wilden houden, waardoor de verdediging volledig werd versnipperd. Tegelijkertijd waren de Duitse strijdkrachten Griekenland vanuit Bulgarije binnengedrongen. De gecombineerde Grieks-Britse defensie was in geen enkel opzicht opgewassen tegen de numeriek grotere en zwaarder bewapende overmacht. Op 27 april 1941 viel Athene, en op 20 mei voerden Duitse parachutisten een landing op Kreta uit, dat zij na 10 dagen van zware gevechten op de Britten wisten te veroveren. De asmogendheden hadden daarmee de Balkan onder controle, maar zouden in Joegoslavië, Albanië en Griekenland te maken krijgen met een felle partisanenoorlog, die door de westelijke geallieerden gesteund werd. Het Griekse verzet tegen de Italiaanse, Bulgaarse en Duitse bezetters werd ernstig verzwakt door de in 1942 uitgebroken Griekse Burgeroorlog tussen het communistische en het monarchistische verzet, die tot 1949 zou duren. Dit kan gezien worden als een voorbode van de Koude Oorlog, die al snel na de Tweede Wereldoorlog de internationale verhoudingen ging bepalen. In Joegoslavië en Albanië was het communistisch geïnspireerde verzet sterk genoeg om de Duitsers min of meer op eigen kracht te verdrijven, zodat zij in het naoorlogse communistische 'blok' buitenbeentjes konden blijven. In Griekenland trokken de Duitsers zich eind 1944 uit eigen beweging terug, toen het oprukkende Rode Leger een directe bedreiging voor Duitsland zelf werd.

De Duitse aanval op Nederland

De Duitse aanval op Nederland in de meidagen van 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog. Duitsland viel gelijktijdig ook Luxemburg en België binnen als onderdeel van Fall Gelb. Op 14 mei eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam; de stad werd daarop overgegeven, maar werd toch gebombardeerd. Na dit bombardement besloot het Nederlandse leger te capituleren. Deze capitulatie vond plaats op de nacht van woensdag 15 mei in het dorpje Rijsoord (gemeente Ridderkerk, gelegen ten zuiden van Rotterdam) in een school die dienst had gedaan als hoofdkwartier van generaal Kurt Student, bevelhebber over het Luftlandekorps. Tegenwoordig is de school een museum.

Opperbevelhebber generaal Henri Winkelman tekende voor capitulatie. Aan Duitse zijde was generaal Georg von Küchler de hoogste officier. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd totdat een bombardement op Middelburg ook de overgave van Zeeland forceerde.

Om veiligheidsredenen (op aandringen van de regering) vluchtte Koningin Wilhelmina met Prins Bernhard op 10 mei naar Engeland, en Prinses Juliana met de kinderen ging door naar Canada. In Londen gaf Wilhelmina leiding aan de Nederlandse regering in ballingschap en prees het verzet in Nederland. Wilhelmina zond ook radioboodschappen aan haar volk, via Radio Oranje. Ondanks de hierop gestelde straf, werden de uitzendingen in Nederland veel beluisterd en werd oranje de kleur van bevrijding. De hierop volgende bezetting duurde 5 jaar. De hoop was dat de Fransen en Engelsen snel Nederland weer zouden bevrijden maar na de evacuatie uit Duinkerken, waar de geallieerden maar ternauwernood aan omsingeling ontsnapten, volgde de capitulatie van Frankrijk.

Spionage

Voorafgaand aan de Duitse inval voerde het Duitse Rijk de spionage fors op. Ten gevolge hiervan kon bijvoorbeeld bij de inval de commandant van de 207e infanteriedivisie beschikken over een gedetailleerde kaart van de Grebbeberg, met mijnenvelden, commandoposten, kazematten en inundaties. Ook de commandanten van de Slag om Den Haag beschikten over uitmuntende kaarten van de stad, compleet met locaties van het Koninklijk Huis en de voornaamste verdedigingsposten.

Spionage vond bijvoorbeeld plaats door de Duitse kapitein Kriebel, die op 23 februari 1940 per trein in Den Haag arriveerde, en vandaaruit per auto de Grebbeberg verkende. Majoor Mantey en Generaal-Majoor Zickwolf, de commandant van de Duitse 227e divisie, behoorden eveneens tot de vroegtijdige 'bezoekers' van Nederland. Voor het verkennen van de Grebbelinie maakten de Duitsers dankbaar gebruik van de uitkijktoren in Ouwehands Dierenpark.

Toen minister-president De Geer op de spionage gewezen werd, achtte hij de economische betekenis van de openstelling van de toren belangrijker dan mogelijke risico's voor de staatsveiligheid. Ook op andere plaatsen gaven economische motieven vaak de doorslag. Zo werden bij de Grebbelinie en bij andere stellingen verzoeken tot het kappen van bomen afgewezen, omdat dit tot hoge schadeclaims van boeren zou kunnen leiden.

In augustus 1939 werd Nederland gemobiliseerd. Op vitale punten waren bunkers gebouwd; daarmee was Nederland voldoende voorbereid, meende men. Men realiseerde zich niet dat de gemobiliseerde troepen sinds de mobilisatie vooral de eigen stellingen hadden gebouwd. Ze waren als grondwerker actief geweest, maar niet getraind als soldaat.

In de periode 1937 tot mei 1940 wist het ministerie van Oorlog nog een aanzienlijke uitbreiding van de materiële sterkte van het leger te bewerkstelligen. Zo werd met name modern 47 mm antitankgeschut en modern luchtafweergeschut aangeschaft, en werden 39 moderne pantserwagens in de bewapening opgenomen. Het leger had echter een groot tekort aan moderne artillerie, aan voldoende en moderne machinegeweren, aan voldoende mortieren en vooral aan verbindingsmiddelen. Hierdoor kon men de helft van het leger niet in divisieverband opstellen omdat de artillerie daarvoor ontbrak. Het bewapeningsniveau was dat van een leger uit 1900. Ook de luchtmacht kreeg nog een zeventigtal moderne toestellen (Fokker T.V, Fokker G.I en Fokker D.XXI) in de laatste jaren voor de oorlog. De uitgaven werden echter beperkt gehouden en tevens ondervond men veel problemen met het onderbrengen van de opdrachten omdat de hele wereld aan het herbewapenen was en Nederland maar weinig eigen defensie-industrie bezat.

Sommige wapenorders werden geplaatst bij Krupp in Duitsland. Hoewel de Duitse regering deze orders aanvankelijk had goedgekeurd, werden de wapens (achteraf om voor de hand liggende redenen) nooit geleverd en hielden de Duitsers de Nederlanders voortdurend aan het lijntje. Uiteindelijk, toen het te laat was om nog bij andere landen wapens te bestellen, werden de Nederlandse orders door de Duitse regering geannuleerd.

Privé-initiatieven kwamen ook van de grond: onder andere in Leeuwarden, Delft en Den Haag werd op privé- of bedrijfsinitiatief luchtafweergeschut in Zwitserland aangekocht en geplaatst. Deze onderdelen werden door de Vrijwillige Luchtafweer Dienst bezet.

Op 9 november werden in het Venlo-incident twee Britse geheime agenten op Nederlands grondgebied gevangengenomen door de Gestapo en naar Duitsland afgevoerd. Hierbij kwam de Nederlandse luitenant Dirk Klop om het leven.

De GS IIIA (Generale Staf sectie III was de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst: sectie A voor het vergaren van inlichtingen over het buitenland) informeerde de Nederlandse politieke en militaire beleidsmakers begin november 1939 dat Adolf Hitler op 12 november 1939 een aanval op Nederland wilde laten uitvoeren. Aan de hand van de berichten van de GS IIIA werden een aantal maatregelen genomen om voorbereid te zijn op een eventuele Duitse aanval. De informatie van de GS IIIA was onder meer gebaseerd op de inlichtingen van majoor Bert Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, maar ook op informatie uit andere bronnen.

Op 10 januari 1940 maakte een Duits militair vliegtuigje een noodlanding bij Maasmechelen in België. De Duitse inzittenden probeerden in paniek papieren te verbranden; deze papieren bevatten het plan Fall Gelb, het Duits offensief tegen Frankrijk, België en Nederland. De GS IIIA ontving deze informatie. Men nam de dreiging wederom serieus en informeerde de beleidsmakers. Hoewel er sprake was van enige scepsis bij de beleidsmakers werden wederom maatregelen genomen om de Duitse dreiging het hoofd te kunnen bieden.

De inlichtingenbron van majoor Sas was kolonel Hans Oster, werkzaam bij de Duitse contraspionagedienst Abwehr. Toen Hitler de planning van Fall Gelb wijzigde, gaf Oster verschillende malen nieuwe data door. Achteraf bleek dat de informatie van majoor Sas en kolonel Oster telkens correct was. Hoewel het beeld bestaat dat er collectief werd getwijfeld aan de informatie van Sas, blijkt uit recent onderzoek dat Sas wel degelijk serieus werd genomen. Het contact van majoor Sas was een belangrijke informant maar niet de enige die de GS IIIA informeerde over de Duitse aanvalsdata.

Door het uitgebreide netwerk van GS IIIA kon deze dienst telkens de Nederlandse beleidsmakers tijdig van accurate en relevante inlichtingen omtrent de Duitse dreiging voorzien. Telkens wanneer de GS IIIA aangaf dat een Duitse aanval aanstaande was werden diverse maatregelen (verloven intrekken, verhogen paraatheid, bruggen opblazen etc.) genomen om voorbereid te zijn op de Duitse aanval. Ondanks de accurate inlichtingen en de tijdige voorbereidingen was het Nederlandse leger in mei 1940 niet opgewassen tegen het veel sterkere Duitse leger.

NSB

In de periode tussen de Eerste- en de Tweede Wereldoorlog onderging Nederland, evenals andere landen, de invloed van de wereldwijde ineenstorting van de economie vanaf 1929 (de crisisjaren). De prijzen gingen omhoog, maar de lonen bleven hetzelfde, terwijl er grote werkloosheid optrad. Dit veroorzaakte veel armoede. Mede daardoor was ook in Nederland de opkomst van het nationaal-socialisme mogelijk. Anton Mussert richtte in 1931 de N.S.B. (Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland) op. In oktober 1935 verklaarde Mussert zich solidair met Italië, dat het weerloze Ethiopië was binnengevallen, en sedertdien steunde de NSB door dik en dun de agressieve politiek van Hitlers Duitsland en Mussolini's Italië. De NSB werkte openlijk samen met de Duitse bezetter. De NSB werd algemeen gehaat in Nederland doordat zij de alleenheerschappij over Nederland wilde hebben, en ons land op wilde laten gaan in het Duitse Rijk en door hun haat tegen het Joodse volk. De Duitse bezetter nam de NSB echter niet serieus, daarom bleef de feitelijke rol van de NSB tijdens de bezetting slechts beperkt tot die van hulptroep van de Duitsers. Duizenden van hen namen dienst bij de Duitse Landwacht, die de bezetters hielp de bevolking te 'beheersen', wat zich veelal uitte in terreuracties tegen de burgers.

Het Nederlands Verzet in de Tweede Wereldoorlog is de verzamelnaam voor alle personen en groepen die weerstand boden aan de Duitse bezetting. De communisten startten het verzet door een 'Ondergrondse' organisatie op te bouwen. Zij hebben zich van begin af aan verzet tegen de anti-joodse maatregelen van de Duitsers. Ook niet-communistische mensen besloten verzet te bieden. De eerste van hen was Bernardus IJzerdraat. Met pamfletten werden de burgers opgeroepen het Duitse bewind niet te erkennen. Er werden plannen gesmeed om tot actie over te gaan. Het fusilleren (doodschieten) van 18 gevangenen (waaronder Bernardus IJzerdraat) op 13 maart 1941 was een grote schok. Tegelijk bracht het ook meer mensen in opstand. De organisatie van het verzet was vrij 'los', omdat het gevaarlijk was als persoonsnamen werden vastgelegd. Als die in Duitse handen vielen liep de gehele groep het risico te worden opgerold. Men nam daarom een verzetsnaam aan; afspraken werden gecodeerd of uit het hoofd geleerd. Het verzet pleegde sabotage tegen de Duitsers, zoals het vernietigen van aanvoerwegen en telefoonlijnen, hielpen onderduikers, vervalste persoonsbewijzen en voedselbonnen, hielpen neergeschoten piloten en elimineerden (doden) verraders en Duitse kopstukken.

Onderduiken

De Duitsers beschikten over een goed georganiseerd apparaat om verzet de kop in te drukken. Met name de Sicherheitsdienst-SD-(inlichtingendienst) was bijzonder efficiënt en dientengevolge gevreesd. Onder de eigen bevolking waren er mensen die de Duitse bezetter steunden. Sommigen drongen in opdracht van de Sicherheitsdienst het verzet binnen om vervolgens de verzetsstrijders aan de bezetter te verraden. Na de oorlog werden velen van hen dan ook als landverraders beschouwd en een aantal van hen is terechtgesteld. Velen daarvan waren lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Voor het Duitse bezettingsapparaat betekende het verzet een belangrijke verborgen vijand die overal kon toeslaan. Het verzet werd dan ook door de bezetter met harde onderdrukking beantwoord. De Wehrmacht (Duitse krijgsmacht) had militaire rechtbanken, die veel verzetsstrijders hebben veroordeeld en terechtgesteld wegens sabotage. De Sicherheitsdienst (SD) had geen rechtspraak nodig. Een nog veel groter aantal werd daarom zonder proces naar Duitse concentratiekampen weggevoerd. De Februaristaking was een landelijke staking op 25 en 26 februari 1941 die begon in Amsterdam. De Duitsers braken de staking met geweld, intimidatie (bedreigen) en meedogenloos ingrijpen.

Nederlands-Indië

Nederlands-Indië was een Nederlandse kolonie die het gebied omvatte dat nu Indonesië is. De Nederlandse aanwezigheid in Indië dateert van het eind van de 16e eeuw, kort voor de oprichting van de VOC. Na de opheffing van de VOC, die het gebied in bezit had, in 1798, ging de kolonie over op de toenmalige Bataafse Republiek (Nederland). Na 1800 werd Indië officieel 'Nederlands-Indië'. Tot in de twintigste eeuw was het bezit van koloniën voor de West-Europese landen tamelijk algemeen geaccepteerd. Dat was niet alleen uit economische overwegingen, zoals de handel in specerijen als nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel, maar ook koffie, thee en de kleurstof indigo; ook nationaal prestige (hebben van koloniën) speelde mee. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven de Nederlandse strijdkrachten zich op 8 maart 1942 over en werd Nederlands-Indië door Japan bezet. De Nederlanders die daar nog waren, kwamen in Japanse kampen terecht. Na de capitulatie van Japan, riep Soekarno de Republik Indonesia uit, die geheel Nederlands-Indië moest omvatten. Nederland verzette zich daar tegen, en stuurde militairen om de opstand neer te slaan, de 'politionele acties'. Nederland kon de Indonesiërs niet verslaan en accepteerde op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid.

Wederopbouw

Tijdens de oorlog was veel infrastructuur, zoals bruggen, wegen en spoorwegen vernietigd. Ook waren huizen, fabrieken en gebouwen vernietigd of beschadigd. Door vereniging van krachten werd Nederland weer opgebouwd met behulp van onder andere het Marshallplan. Dit was een omvangrijk materieel hulpplan, dat op initiatief van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George C. Marshall in 1948 in werking trad. Dit Europees herstelprogramma was gericht op de economische wederopbouw van de door de oorlog getroffen landen in Europa, mede om een buffer te vormen tegen de oprukkende communistische Sovjet-Unie. De hulp bestond tussen 1948 en 1952 concreet uit geld, goederen, grondstoffen en levensmiddelen voor een totaalwaarde van 12,4 miljard dollar vanuit de Verenigde Staten (20% van de hulp was een lening, 80% was gift). Eind 1947 waren overigens de Britse en de Franse productie alweer op het vooroorlogse niveau. Nederland, Italië en België volgden eind 1948. Dit dankzij onder andere de talloze nieuwe, vooral Amerikaanse, technieken en productiemethodes waarmee men tijdens de oorlog had kennisgemaakt. Nederland, eerst vooral een agrarische staat, maakte een

snelle inhaalslag en industrialiseerde op

grote schaal.

EU Europese Unie

In de gehele geschiedenis van Europa zijn er momenten geweest dat een Europese macht heeft geprobeerd heel Europa in haar macht te krijgen. Tijdens de beide Wereldoorlogen zochten aartsrivalen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk al toenadering in een economische unie. Op 18 april 1951 werd het Verdrag van Parijs getekend tussen België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West-Duitsland. Op 25 maart 1957 werd het Verdrag van Rome ondertekend door dezelfde landen. Dit nieuwe verdrag richtte de Europese Economische Gemeenschap(EEG)op. Met het Verdrag van Maastricht(1993) werd verder gegaan onder de naam Europese Gemeenschappen(EG). Het belangrijkste aan het Verdrag van Maastricht was echter de oprichting van de Europese Unie(EU) als overkoepelende organisatie van alle verdragen. Op dit moment(2008) omvat de EU 27 staten: in de voorbije jaren werd de Unie gestaag uitgebreid met Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Portugal, Spanje, Oost-Duitsland, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Van meerdere landen lopen er aanvragen voor toetreding. De EU werkt aan een gezamenlijke wetgeving: het Verdrag van Lissabon.

Holocaust

De Holocaust, ook wel Shoah, Shoa of Sjoa (Hebreeuws: Ha-Shoah) genoemd, was de systematische Jodenvervolging door de nazi's en hun bondgenoten voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de overheersing door nazi-Duitsland werden er tussen de 5,1 en 6 miljoen Europese Joden vermoord. De moorden vonden grotendeels plaats in concentratie- en vernietigingskampen.

Naast Joden werden ook andere groepen al dan niet systematisch vermoord, zoals homoseksuelen, Esperantisten, zigeuners, "economisch onwaardigen", Russen, etnische Polen, gehandicapten, Jehova's getuigen, Vrije Bijbelonderzoekers, vakbondsleden, vrijmetselaars, communisten, Spaanse republikeinen, Serven, Quakers en mensen die zich verzetten tegen de nazi's.

Antisemitisme en antiziganisme hadden altijd al onderdeel uitgemaakt van het NSDAP-partijprogramma. Dit antisemitisme vond onder het Duitse volk, dat leed onder de gevolgen van een hyperinflatie, gretig aftrek vanwege de gedachte dat Joden zich vaak in de bankiers- en zakenwereld bevonden. Niet alleen Hitler, maar ook vele kopstukken van zijn partij waren antisemiet. Julius Streicher spande met zijn radicale partijblad "Der Stürmer" de kroon: soms waren zijn ideeën zelfs de nazi's wat te gortig. De nazi's zagen de Joden als "bacillen", die de Duitse natie "ziek maakten" en "ondermijnden". Al ver voordat Hitler aan de macht kwam, heeft hij onder meer in "Mein Kampf" beweerd dat de Eerste Wereldoorlog niet zou zijn verloren als de Duitsers "tien- of twaalfduizend van deze volksverraders onder het gifgas hadden gehouden".

Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam, was er wel zeker latent antisemitisme, dat door de NSDAP en de SA werd uitgebuit. Toch was dit zeker niet hetzelfde antisemitisme als dat van de NSDAP. Het antisemitisme in Duitsland was eerder economisch van aard en ging beslist niet zo ver dat men de Joden wilde uitroeien of verwijderen. Veel Joden integreerden in de Duitse samenleving en werden dan ook niet meer als Jood gezien. Het antisemitisme van de NSDAP was hoofdzakelijk beïnvloed door het antisemitisme in Oostenrijk en Sudetenland, dat veel radicaler was. Hitler had zelf jaren in Wenen gewoond, waar de Duitssprekenden zich bedreigd voelden door de groeiende aanwezigheid van de niet-Duitssprekenden en Joden. Hier kwamen groeperingen op die betoogden dat er een "joods ras" bestond dat inferieur was aan het "Germaanse ras" en dat dit ras en diens zuiverheid "ondermijnde". Dit was het antisemitisme dat de NSDAP propageerde, en dat al in de 19e eeuw radicalere oplossingen voorstond.

De weg naar de Holocaust/Shoa begon met door de regering en partij aangemoedigde pesterijen door radicale elementen. Deze pesterijen omvatten onder andere uitschelden, belachelijk maken, molestaties en zo nu en dan ook moord. Wanneer het te gortig werd, werd van bovenaf "ingegrepen", waarna de regering de radicalen "tevreden stelde" met antisemitische maatregelen om "verder geweld te voorkomen". Dit culmineerde uiteindelijk in de "Neurenberger wetten" van 1935. Dit omvatte een pakket discriminerende maatregelen alsmede regelgeving die bepaalde wie er wel en wie niet een Duitser of Jood was. Door die nieuwe wetgeving raakten Joden hun burgerrechten kwijt en werden huwelijken tussen Joden en niet-Joden verboden. In de jaren dertig was de nazipartij zeer populair en werd het antisemitisme "op de koop toe genomen", ook door degenen die niet antisemiet waren. Men veronderstelde bovendien dat de ideologie mettertijd zou verzwakken nu de NSDAP regeerde, wat tijdens de Olympische Spelen van 1936 ook werkelijk leek te gebeuren. De NSDAP had echter de pesterijen doelbewust tegengehouden om de schone schijn tijdens de Spelen op te houden. Na 1936 gingen de maatregelen en pesterijen weer door.

Op 10 november 1938 vond na de moord op Vom Rath de Reichskristallnacht of kortweg Kristallnacht plaats. Duizenden SA-mannen in burger overvielen Joodse huizen en winkels, stichtten brand in synagogen en sloegen Joden in elkaar. Dit leidde tot het buiten de economie plaatsen van de Joden en het opleggen van een boete van 1 miljard mark aan de Joodse gemeenschap, aangezien volgens de regering de Joden de aanstichters waren. Buitenlandse kritiek werd gepareerd met de mededeling dat dit een uiting was van het gezonde volksoordeel, het "Gesundes Volksempfinden".

In de jaren 1938-1941 werd gewerkt aan een "oplossing" waarbij Joden naar een bepaald gebied gezonden zouden worden. Eén optie was Brits Palestina, een andere was Madagaskar. Met name na de overwinning op Frankrijk zouden veel nazi's het Madagaskarplan aanhangen, maar dit was zolang de oorlog duurde niet haalbaar. De Britse marine beheerste de zee en de Duitsers durfden niet te veel druk op de Fransen uit te oefenen om ze hun kolonie te laten afstaan. De uiteindelijke bezetting van het eiland door geallieerde troepen zorgde dat dit plan definitief van de agenda verdween. Een verdere stap in de richting van genocide was het idee Joden als gijzelaars te gebruiken om de Verenigde Staten buiten de oorlog te houden.

In bezet Polen begonnen ondertussen de Gauleiters van oostelijke Gouwen als Wartheland en Danzig-Westpruisen hun Gaue "Judenrein" te maken door Joden naar het Generalgouvernment (de door de Duitsers geïnitieerde Poolse rompstaat) te deporteren. De nieuwe Gaue werden gezien als mogelijkheid om een ideale nazi-samenleving te creëren. Daarbij hoorde uiteraard het "verwijderen" van "ongewenste elementen", waaronder Joden. Tussen de Gauleiters ontstond een zekere concurrentie: wie had de meest genazificeerde Gau? In de Poolse grote steden ontstonden hierdoor getto's: overvolle afgebakende woonwijken waar de Joden onder de meest onhygiënische omstandigheden moesten wonen.

De aanval op de Sovjet-Unie opende nieuwe "mogelijkheden" voor de nazifilosofen. Nu konden ze alle Joden uit Groot-Duitsland en zijn satellieten naar Siberië sturen, waar ze "zouden creperen". Immers, wanneer ze het "te gemakkelijk" hadden, zouden de Joden in een nieuwe Joodse staat wellicht een bedreiging vormen. Daarom konden ze volgens de nazi's maar beter creperen. In het oosten ontstonden de eerste kampen voor Joden, maar na de nederlaag bij Moskou bleek dat de optie om de Joden naar Sovjetgebied te deporteren voorlopig niet haalbaar was. Uitroeiing of vernietiging werd meer en meer als de beste optie gezien, bovendien kostte het deporteren en opsluiten van de Joden geld en voedsel.

Verschillende manieren werden overwogen. Doodschieten "kostte te veel kogels", en bovendien was het voor de beulen "geestelijk te belastend". Ook het gebruik van explosieven werd overwogen, maar dit leidde ertoe dat de lichaamsdelen her en der verspreid raakten, wat eveneens tot zenuwziektes bij het kamppersoneel kon leiden. Vergassing zag men als oplossing. Aanvankelijk geschiedde dit nog met koolmonoxide. Speciale gaswagens werden ingezet. De Joden werd verteld dat ze "op transport" gingen per vrachtwagen, en vervolgens werden de uitlaatgassen de laadruimte ingeleid. De wagen reed nadien door naar een massabegraafplaats. Eind augustus of begin september 1941 werd in Auschwitz de eerste proef gedaan met Zyklon B. In een kelder van Blok 11 werden Russische krijgsgevangenen bijeen gedreven en blootgesteld aan Zyklon B. De dag erna werd de effectiviteit ervan gecontroleerd, waarbij bleek dat een groot deel van de gevangenen nog in leven was. Men verhoogde daarop de dosis. De SS liet gevangenen de lijken opruimen en verbranden in het crematorium. Na dit eerste experiment werd een tweede vergassing met Zyklon B uitgevoerd op een transport met Russische krijgsgevangenen. Zyklon B werd al gebruikt voor ontluizing (het middel was dan ook ontworpen als insectenbestrijdingsmiddel), maar de extreme giftigheid van het middel bracht waarnemend commandant van Auschwitz Karl Fritzsch op het idee om het te gebruiken voor het vergassen van gevangenen.

Hitler nam het besluit tot vernietiging van het Europese Jodendom (de zogeheten Endlösung der Judenfrage, ofwel de Eindoplossing van het Jodenprobleem) naar alle waarschijnlijkheid in september 1941. Tijdens de Wannseeconferentie in een villa aan de Wannsee nabij Berlijn in januari 1942 werd de logistieke uitvoering van het besluit besproken. Adolf Eichmann, een van de beruchtste betrokkenen bij de Holocaust, was een van de aanwezigen. Vanaf dat moment kon gesproken worden van een van tevoren beraamde en systematisch uitgevoerde genocide, voor zover deze feitelijk al niet aan de gang was.

De nazi's hielden hun krijgsgevangenen al in het begin van de jaren dertig in concentratiekampen. In januari 1939 liet Hitler in een toespraak weten dat het "joodse ras" in de komende oorlog vernietigd zou worden. Voor dit doel, de zogenaamde Endlösung (Duits voor "eindoplossing"), werden vernietigingskampen ofwel Vernichtungslager ingericht. Deze kampen waren bedoeld om doelbewust en systematisch groepen te vermoorden, die door de nazi's Untermenschen (Duits voor "ondermensen") genoemd werden. Naast Joden waren dit onder andere zigeuners, gehandicapten, communisten en homoseksuelen. In totaal kregen zeven kampen de functie van vernietigingskamp, waarvan zes in Polen en één in Wit-Rusland. Deze zeven kampen waren:

Chełmno

Bełżec

Treblinka

Sobibór

Maly Trostenets

Majdanek, tevens concentratiekamp

Auschwitz II (Auschwitz-Birkenau)


Een vernietigingskamp is een kamp waar de meeste gevangenen onmiddellijk na aankomst vergast werden. Dit lot trof sowieso de zieken, ouderen en kinderen. De gevangenen die in leven gehouden werden, kregen verscheidene taken met als doel het kamp draaiende te houden. Die werkzaamheden varieerden van zware arbeid tot dienst in bijvoorbeeld de keukens. Uiteindelijk zouden ook deze gevangenen vergast worden. Deze kampen bevonden zich in het oosten van het Reich (in het huidige Polen met als belangrijkste Auschwitz) en werden bijgevolg ook door het Rode Leger bevrijd.

Naast vernietigingskampen hadden de nazi's een groot aantal concentratiekampen, zoals Dachau (bij München) en Buchenwald (bij Weimar). Een concentratiekamp is niet hetzelfde als een vernietigingskamp. Zoals de naam impliceert is een concentratiekamp een werkkamp waar gevangenen geconcentreerd werden. De meeste doden vielen daar door het zware werk, ondervoeding, ziekten en mishandeling. Deze werkkampen kan men bijvoorbeeld vergelijken met de zogenoemde "Goelags" in Sovjet-Russisch Siberië. In de jaren veertig werden veel concentratiekampen ook van gaskamers voorzien, waarna ook daar gevangenen vergast werden.

Naast de concentratie- en vernietigingskampen bestonden er ook nog de zogenoemde doorgangskampen. Dit zijn kampen die opgezet werden om de mensen als het ware in op te slaan. Vanuit deze doorgangskampen reed er elke week een trein naar de vernietigingskampen. Westerbork is een voorbeeld van een doorgangskamp in Nederland. In België werd hiervoor de oude bestaande Dossinkazerne te Mechelen gebruikt. Deze kazerne is nu deels ingericht als "Joods Museum van Deportatie en Verzet". In het Franse kamp Drancy ten noorden van Parijs, werden tijdens de Tweede Wereldoorlog circa 65 duizend Joden vastgehouden, vooraleer zij naar het vernietigingskamp Auschwitz werden getransporteerd. Ook Theresienstadt was een doorgangskamp.

Het oude fort Breendonk bij Willebroek op 20 km ten zuiden van de stad Antwerpen valt eerder onder de categorie werkkamp. Er waren ook Vlaamse SS'ers als beulen aan het werk. Hier werden vooral politieke gevangenen als slaven aan het werk gezet, gemarteld en geëxecuteerd. Breendonk is als museum ingericht en staat open voor bezoek.

Verzet tegen de Jodenvervolging leidde meestal tot aanzienlijke vertragingen of zelfs afstel. Soms was verzet een individuele actie of een actie van een kleinere groep, maar er zijn voorbeelden bekend van collectief verzet tegen de Jodenvervolgingen, zoals de Amsterdamse Februaristaking.

De Joden zelf zijn een aantal malen in opstand gekomen. In 1943 kwam het getto van Warschau in opstand. In Auschwitz bliezen in oktober 1944 Joodse gevangenen een crematorium op met binnengesmokkelde explosieven. In oktober 1943 was er een geslaagde opstand in Sobibór: 11 Duitse SS-officieren, onder wie de ondercommandant, werden gedood en ongeveer 300 van de 600 gevangen ontsnapten. Ongeveer 60 daarvan hebben de oorlog overleefd. De ontsnapping bracht de nazi's ertoe het kamp te sluiten, waarschijnlijk uit angst voor bekendmaking. In Nederland zaten nogal wat politiek links-georiënteerde (socialistische en communistische) Joden in het verzet. Zij weigerden ook vaak de gehate Jodenster te dragen.

Op 19 april 1943, dezelfde dag waarop ook het getto van Warschau in opstand kwam, werd in België het twintigste treinkonvooi aangevallen door drie Jonge verzetslieden. Dit Jodentransport was vertrokken vanuit Mechelen met bestemming Auschwitz. Gewapend met één revolver, een stormlamp en rood papier dwongen drie studenten (Georges Livschitz, Robert Maistriau en Jean Franklemon) van het atheneum te Ukkel de trein te stoppen op de spoorlijn Mechelen–Leuven tussen Boortmeerbeek en Haacht. Dit is een uniek feit in de geschiedenis van de Holocaust. Nergens in Europa is tijdens de Tweede Wereldoorlog een bevrijdingsactie uitgevoerd op een Jodentransport.

In Italië weigerden de meeste legerbevelhebbers en politiebeambten de Joden te vervolgen. Toen men in Denemarken de kleine Joodse gemeenschap trachtte te vervolgen, werd deze beschermd en uiteindelijk naar Zweden getransporteerd. Finland, bondgenoot van Duitsland uit opportunistische overwegingen, weigerde Joden te vervolgen of uit te leveren. Japan beschermde de weinige Joden die op Japans of bezet grondgebied waren. Toen de Duitsers de Bulgaarse Joden sterren wilden laten dragen, ging de gehele bevolking deze trots dragen. Ook latere pogingen van de Duitsers en Bulgaarse antisemieten werden geblokkeerd.

Waar de Duitsers actief of passief verzet ontmoetten, mislukte de Jodenvervolging of werd deze aanzienlijk vertraagd. Waar de bevolking echter actief meewerkte, werd een zeer groot percentage van de Joden uitgeroeid. De Nederlandse ambtenaren stelden de bevolkingsregisters aan de bezetter ter beschikking, terwijl slechts sporadisch verzet voorkwam. Voorafgaand aan de analyse van de bevolkingsregisters door de nazi's is door het toenmalige Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken een uitgebreid onderzoek gedaan naar de historische herkomst van Nederlandse geslachtsnamen. Familienamen van Nederlandse Joden werden daarin in een aparte sectie opgenomen en verklaard. Van dit onderzoek is nog tijdens de bezetting een samenvatting van de hand van de onderzoekende rijksambtenaar in boekvorm gepubliceerd. Het boek zelf geeft geen duidelijk uitsluitsel over de aanleiding van het onderzoek. Rond de 75% van de Nederlandse Joden overleefde de oorlog niet, mede door het overdragen van de bevolkingsregisters. De precieze ambtenaren van de burgerlijke stand noteerden hen zelfs als "geëmigreerd". Een belangrijke factor die in dit verband meespeelde, kwam hierop neer dat Nederland tijdens de oorlogsjaren een Zivilverwaltung (een burgerlijk bestuur) had en geen Militärverwaltung (militair bestuur), dit in tegenstelling tot onder andere België tijdens het grootste deel van de bezetting. Dit vloeide voort uit het machtsvacuüm veroorzaakt door de vlucht van de koninklijke familie.

Ruim honderdduizend Nederlandse Joden werden omgebracht, zeker driekwart van de Joden die bij het begin van de bezetting in Nederland woonden. Zij worden allen met naam en geboortedatum genoemd in de gedenkboeken van de Oorlogsgravenstichting in Den Haag, en in het boek In Memoriam, uitgegeven door Sdu te Den Haag. Vijfduizend Roma in Nederland stierven aan de gevolgen van de zigeunervervolging.

Van de weinigen die uit de kampen terugkeerden, vonden de meesten hun huizen bewoond door Nederlanders en hun bezittingen onteigend. Maar weinigen lukte het hun bezittingen terug te krijgen en dan ook nog pas na vaak jarenlange processen. Pas in het jaar 2000 zijn voor deze kille houding door de naoorlogse autoriteiten excuses aangeboden door de Nederlandse overheid en werd een financiële tegemoetkoming toegezegd aan hun nabestaanden.

Het bombardement op Rotterdam werd op 14 mei 1940 rond 13.30 uur uitgevoerd door Duitse bommenwerpers in het kader van de Duitse militaire overval op Nederland. Het bombardement van een kwartier vernietigde bijna de gehele historische binnenstad, mede door de branden die ontstonden. Naar schatting kwamen 650 tot 900 mensen om en ongeveer 80.000 werden dakloos.

Het was de reactie van de Duitse invallers op het verzet van de Nederlandse troepen (vooral bij de Afsluitdijk, op de Grebbeberg en aan de Moerdijkbruggen), waardoor de Duitse opmars werd vertraagd. De Duitsers hadden een snelle opmars door Nederland, België en Luxemburg gepland, in de veldtocht tegen Frankrijk. Het bombardement leidde nog dezelfde dag tot de overgave van Rotterdam en onder de dreiging dat ook andere steden zouden worden gebombardeerd, te beginnen met Utrecht, tot de overgave van Nederland op 15 mei 1940.

De Slag om Arnhem was de veldslag die van 17 tot 25 september 1944 in en rond Arnhem plaatsvond, als onderdeel van Operatie Market Garden

In augustus en begin september 1944 hadden de Geallieerden het noorden van Frankrijk en België bevrijd. In Nederland was grote paniek uitgebroken (Dolle Dinsdag). De Siegfriedlinie en de Rijn vormden echter forse obstakels. Veldmaarschalk Montgomery stelde daarop Operatie Market Garden voor, met als doel om de Duitse linies heen te trekken en Duitsland binnen te vallen via Arnhem. Parachutisten moesten enkele bruggen veroveren (operatie Market) en bezet houden tot de tanks er waren (operatie Garden). Niet iedereen was ervan overtuigd dat het mogelijk was de grote rivieren eenvoudig over te steken ("een brug te ver gaan"), maar het plan werd uiteindelijk geaccordeerd.

De operatie begon zondagochtend 17 september 1944 om half twaalf met een inleidend bombardement dat bedoeld was om Duitse kazernes in Ede en Arnhem te treffen. 's Middags landden bijna 5.200 man van de Eerste Britse Luchtlandingsdivisie, deels per parachutes, en deels in zweefvliegtuigen op terreinen op grote afstand van Arnhem, namelijk bij Wolfheze en ten noorden van Heelsum. In sommige zweefvliegtuigen werden jeeps en antitankgeschut aangevoerd. Op 18 september landden nog eens 1900 parachutisten op de Ginkelse heide bij Ede en zweefvliegtuigen bij Wolfheze.

Tijdens de overtocht vanuit Engeland ging door ongelukken een deel van de uitrusting verloren. Voorts bleek na de landing dat het radiocontact tussen de eenheden onderling en met het hoofdkwartier voortdurend haperde. De voornaamste tegenslag was evenwel de tot dan toe onopgemerkt gebleven aanwezigheid van twee SS-pantserdivisies, die in feite toevallig vlak ten noorden van Arnhem gelegerd waren. De Britse generaals waren echter door verkenners gewezen op de gecamoufleerde aanwezigheid van deze tanks en pantservoertuigen. Dit bericht werd door de Britten genegeerd. De 9de SS-pantserdivisie werd door de Duitsers naar Nijmegen gestuurd om de Amerikanen daar tegen te houden. De 10e SS-pantserdivisie omvatte in eerste instantie circa 4.500 manschappen, voorzien van tanks en artillerie. Snel optreden van deze divisie leidde ertoe dat het verrassingseffect van de luchtlandingen vrijwel terstond verloren ging. De Britse troepen raakten snel vast in hevige straatgevechten in Oosterbeek en Arnhem. Aan het eind van de dag slaagde slechts het tweede bataljon, onder leiding van luitenant-kolonel John Frost, erin een bruggenhoofd te vestigen bij de noordelijke oprit van de verkeersbrug in het centrum van Arnhem. De spoorbrug bij Oosterbeek was toen reeds opgeblazen. Voor het welslagen van Market Garden was het nu essentieel, dat het Britse bruggenhoofd stand zou houden totdat de grondtroepen van het Britse 30e Legercorps (XXX Corps) de brug zouden bereiken.

In de dagen volgend op 17 september bleef het Britse bruggenhoofd echter geïsoleerd door de onverwacht snelle tegenaanvallen van de Duitsers onder SS-Brigadeführer Wilhelm Bittrich en veldmaarschalk Walter Model. Hierdoor werd de aanvoer van versterkingen belet. In hevige straatgevechten werden de Britten steeds verder teruggedreven. Reeds op 19 september was Urquhart gedwongen zijn troepen terug te trekken naar een gebied in Oosterbeek van circa 1 bij 2 km (de "perimeter"). Men was in feite in deze perimeter geïsoleerd. De dropping van voorraden mislukte vrijwel voortdurend: door het gebrekkige radiocontact kon niet worden doorgegeven dat de dropzones in Duitse handen waren, terwijl de piloten de opdracht hadden signalen vanaf de grond te negeren. Later in de slag bleken de nieuwe dropzones te klein om effectief voorraden te kunnen droppen. Bijna alle afgeworpen voorraden kwamen daardoor in Duitse handen terecht. Uit Duitsland kwamen ook steeds meer versterkingen, waaronder Tiger II-tanks.

Op 21 september landde bij Driel de Poolse 1e Onafhankelijke Parachutistenbrigade onder Stanisław Sosabowski. Hierdoor braken er ook gevechten uit in de Betuwe, het gebied ten zuiden van de Rijn. De landing van deze Poolse eenheden behoedde de Britse para's voor een vernietigende Duitse aanval die voor de daaropvolgende dag was gepland, maar bracht uiteindelijk onvoldoende soelaas.

De opmars van de grondtroepen vanuit het zuiden van Nederland verliep aanmerkelijk trager dan gepland. (Volgens de planning had het bruggenhoofd overigens circa drie etmalen behouden moeten blijven, hetgeen voor luchtlandingstroepen al een zeer lange periode is.) Ten eerste viel de brug bij Son (op de route Eindhoven - Nijmegen - Arnhem) niet onbeschadigd in geallieerde handen, zodat kostbare tijd verloren ging met het bouwen van een noodbrug en duurde het lang voor de brug bij Nijmegen in geallieerde handen viel. Ten tweede bleek de Duitse tegenstand heftiger te zijn dan verwacht. Ten derde speelde de route zelf een rol: deze liep over een zeer smalle weg van Valkenswaard naar Arnhem en die tussen Nijmegen en Arnhem deels op een dijklichaam lag. Naarmate de tijd vorderde raakte de weg steeds vaker geblokkeerd door defect en kapot geschoten materieel door Duitse tegenaanvallen. De route werd door de geallieerde troepen aangeduid als Hell's Highway.

Het gevolg hiervan was dat de grondtroepen niet tijdig de Arnhemse brug konden bereiken om Frost en zijn manschappen te ontzetten. Op donderdag 21 september waren zij genoodzaakt zich over te geven.

Op zondag 24 september vond de Conferentie van Valburg plaats waar besloten werd de perimeter nog één maal te versterken. De oversteek van de 4th Dorsets van de 43e Divisie dezelfde avond mislukte, waarna het restant van de Britse Parachutistendivisie onder generaal-majoor Roy Urquhart zich op 25 september van het geallieerde opperbevel over de Rijn mocht terugtrekken. Op dat moment waren in de perimeter nog circa 2300 man Britse en Poolse troepen aanwezig. Van hen slaagden circa 2000 in de nacht van 25 op 26 september erin de Rijn over te steken. De overigen gaven zich de volgende dag over of verstopten zich om later alsnog over de Rijn te ontsnappen (Operatie Pegasus).

Na de Slag om Arnhem hielden de Duitsers rekening met een herhaling van de aanval. Daarbij zouden burgers alleen maar in de weg lopen of de geallieerden mogelijk helpen. Daarom dwongen ze op 24 september de 95.000 inwoners van Arnhem om hun stad te verlaten. Ook de Zuid-Veluwe werd geheel ontruimd.

De verkeersbrug over de Rijn heet sinds 1978 de John Frostbrug.

Bevrijding

In het najaar van 1944 werd het zuiden van Nederland bevrijd door het Engelse, Amerikaanse, Canadese en Poolse leger. Deze samenwerkende legers werden de 'geallieerden' genoemd. Het gebied boven de grote rivieren (vooral de grote steden in het westen) was nog niet bevrijd. Zij hadden te lijden onder een verschrikkelijke 'hongerwinter'. Er was bijna geen eten meer. Mensen aten bijvoorbeeld tulpenbollen om in leven te blijven. Meer dan 20.000 mensen stierven van honger.

Op 5 mei 1945 gaf het Duitse leger zich over en was heel Nederland bevrijd. Op dat moment was Nederlands-Indië nog bezet door het Japanse leger, dat (samen met Italië) aan de kant van Duitsland stond. Japan gaf zich over op 15 augustus 1945.

Het eiland Schiermonnikoog was de laatste gemeente in Nederland die, op 11 juni 1945, werd bevrijd. Toen in april 1945 de provincie Groningen werd bevrijd door de Canadezen, vluchtte een groep van ongeveer 120 SS'ers naar het eiland, waar nog steeds een Duits garnizoen aanwezig was. Op 11 juni werden de laatste 600 man Duitse troepen op Schiermonnikoog door de Canadezen afgevoerd.

Bevrijdingsdag is de jaarlijkse nationale feestdag op 5 mei waarop de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland in 1945 wordt gevierd. Op deze dag wordt ook de bevrijding van het toenmalig Nederlands-Indië gevierd. Nederland staat op 5 mei ook stil bij de grote waarde van vrijheid, democratie en mensenrechten.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Oorlogsmisdadigers: Anton Mussert, 1945. Oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB). In de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, die tijdens de oorlog collaboreerde met de nazi's. De bezetters, de NSB en hun sympathisanten presenteerden hem van 1942 tot mei 1945 als de leider van Nederland. Na de bevrijding werd hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op 7 mei 1946.

Foto: gevangen in Scheveningen. Nationaal Archief.

Getto Litzmannstadt: Kinderen bijeen gebracht voor deportatie naar het vernietigingskamp Chelmno.

USHMM website (www.ushmm.gov)

Joden wachtend op deportatie van Westerbork (doorvoerkamp) naar Auschwitz (vernietigingskamp), Tweede Wereldoorlog, WOII. Jodenvervolging. circa 1943.

Nationaal Archief.

Rotterdam enige maanden na het bombardement. In het midden een grote ruine tussen nog deels overeind staande gebouwen. Een man staat op een tramhalte. Twee lantarenpalen staan nog rechtop. Op achterzijde staat: Rotterdam im Sept. 1940.

[http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.451448 Rijksmuseum Amsterdam].Nationaal Archief.

Uitzicht na het Duitse bombardement van 14 mei 1940 vanaf het Witte Huis op Station Beurs, het Plan C, de Laurenskerk en op de achtergrond het Stadhuis.

German Federal Archives or Bundesarchiv.

De Dokwerker: monument ter nagedachtenis aan de februaristaking (25 en 26 februari 1941)  staande op het Jonas Daniel Meijerplein in Amsterdam.

Original uploader was P.H. Louw at nl.wikipedia CC-BY-2.5-NL.

Het Nederlands-Indische leger vernielt marine-installaties te Soerabaja alvorens de Japanners landen, 1940-1945.  

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0)

Vlag van de Europese Unie (EU).

 Britse parachutisten van het 1e Britse Airborne Divisie in een C-47 transport vliegtuig maken het V-teken en steken de duim op. 17 september 1944.

This is photograph K 7570 from the collections of the Imperial War Museums.

Britse parachutisten marcheren mee als gevangenen van hun Duitse overweldigers. Zo'n 6400 van de 10.000 Britse parachutisten die in Arnhem waren gedropt, zijn er zo'n 1100 doodgeschoten. 17-25 September 1944.

This is photograph HU 2129 from the collections of the Imperial War Museums.

Duitse soldaten gevangen genomen in de buitenwijken van Arnhem.18 September 1944.

Army Film and Photographic Unit, Smith D M (Sgt).

This is photograph BU 1159 from the collections of the Imperial War Museums.

Vier man van het 1e Parachutistenbataljon nemen een  beschutte kuil over, even buiten Arnhem. 17 September 1944.

Licensed under Publiek domein via Wikimedia Commons -

Overgave acceptatie (capitulatie Duitse strijdkrachten) in Wageningen op 5 mei 1945.

Photographer: Stirton, Alexander Mackenzie, 1915- xx (Dept. of National Defence). Terms of use Credit: Library and Archives Canada/PA-138588 (1 photograph ; 2 1/4 x 2 1/4 in) Restrictions on use: Nil Copyright: Expired MIKAN no. 3518991 -.

Generaal George C. Marshall (USA),1949. Initiatiefnemer van het zgn Marshallplan tot wederopbouw van West-Europa, waarvoor hij in 1953 de Nobelprijs voor de Vrede ontving.

Schilder: Thomas Edgar Stephens. In National Portrait Gallery USA.

Nederlands- Indië


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.