App Nederland Geschiedenis NL

 Srebrenica

 - Dutchbat -

De val van Srebrenica op 11 juli 1995 was de inname van de Bosnische stad Srebrenica en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 7000 moslimjongens en -mannen, die formeel onder bescherming stonden van een VN-bataljon bestaande uit Nederlandse militairen. Het exacte aantal slachtoffers is nooit vast komen te staan.

Na het uiteenvallen van Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Goražde en Žepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave voor moslims verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. Voor de veiligheid van de ruim 30.000 inwoners van de enclave werd gezorgd door de aanwezigheid van een internationale vredesmacht onder de vlag van de Verenigde Naties. In 1993 werd Srebrenica door Servische eenheden dusdanig bedreigd dat de stad door de Verenigde Naties werd uitgeroepen tot de eerste “safe area” in het Bosnische conflict.

Op 11 juli 1995, toen ruim 600 Nederlandse UNPROFOR-militairen (achtereenvolgens de bataljons 'Dutchbat I, II en III') in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, drongen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić met hulp van tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden een groot deel van de daar aanwezige moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Toen Dutchbat de veiligheidstaken in de twee enclaves overnam van de Canadezen was het Bosnische gebied rond Srebrenica al drastisch gekrompen. Bosnische eenheden hadden zich rond de stad ingegraven. Daarvoor verlieten groepen bewoners onder leiding van gewapende mannen nu en dan de enclave om voedsel te vinden in de omringende Servische dorpen. Aangezien de Servische burgers hun voedsel - dat voor deze burgers evenzeer van levensbelang was - vaak met hun leven beschermden en beide groepen bovendien doodsbang waren voor elkaar, hadden ontmoetingen tussen Bosnische en Servische burgers op deze voedseltochten vaak een dodelijke afloop. Deze plundertochten werden veelal uitgevoerd onder leiding van Naser Oric, de algemene militaire commandant van de moslims in Srebrenica. De afspraak met de Bosnische leiding was dat de enclave gedemilitariseerd zou worden, dat was een voorwaarde van de VN, echter op bevel van de Bosnische president Alija Izetbegović werden alleen de grootste en defecte wapens ingeleverd. De moslimtroepen binnen de enclave voerden regelmatig aanvallen uit op omliggende Servische posten opzettelijk vanaf posities vlakbij de waarnemingsposten van de VN.

Voortvloeiende uit het zwakke mandaat van de VN, dat voorzag in waarneming in een enclave waarvan de grenzen niet afgebakend werden, had Dutchbat slechts lichte wapens ter verdediging van de bewoners van de enclaves die het bataljon geacht werd te beschermen. Naar algemeen oordeel waren de wapens van Dutchbat te licht voor een effectieve verdediging. De visie van de VN was echter dat alleen al de aanwezigheid van Dutchbat de Serviërs ervan zou weerhouden de enclave aan te vallen: "to deter by presence". Een andere handicap was de slechte communicatie tussen de hoofdkwartieren van Srebrenica, Tuzla, Sarajevo, Den Haag en het VN-hoofdkwartier in Zagreb.

Toen de Serviërs Srebrenica naderden sloeg overste Thom Karremans alarm. Hij vroeg viermaal om luchtsteun, op 6 en 8 juli 1995, en tweemaal op 11 juli. De eerste twee keer weigerde brigadegeneraal C.H. Nicolai vanuit Sarajevo Karremans' verzoek aan het VN-hoofdkwartier in Zagreb aan Janvier door te geven, omdat de aanvragen niet voldeden aan de gemaakte afspraken omtrent het aanvragen van luchtsteun (op dat moment waren er nog geen directe gevechtshandelingen.)

Op 8 juli werd in de buurt van een observatiepost gevochten tussen Servische en moslimstrijders. De post kwam in de vuurlinie te liggen, toen een Servisch pantservoertuig door de moslim-linies brak. De militairen van Dutchbat kregen tien minuten de tijd om de post te verlaten, die daarop door de Serviërs werd overgenomen. Zij stuitten bij hun vertrek op een barricade van moslimstrijders, die merkten dat door de overname van de observatiepost de Serviërs gebiedswinst boekten. De Dutchbatters reden met hun pantservoertuig door de barricade. De Nederlandse soldaat Raviv van Renssen verloor daarbij het leven door een handgranaat, die vanuit de barricade op het voertuig werd geworpen.

Op 11 juli, toen Servische tanks de stad al waren binnengedrongen, speelde generaal Nicolaï Karremans' aanvraag voor luchtsteun door aan Janvier, die zou hebben geweigerd. De tweede aanvraag op 11 juli werd wel gehonoreerd. De vliegtuigen (F-16's), die in afwachting van een inzetbevel al uren rondcirkelden, waren ondertussen door Nicolaï gesommeerd terug te gaan naar hun basis in Italië om bij te tanken.

Uiteindelijk hebben twee Nederlandse F-16's om 14.40 uur een luchtaanval op twee tanks uitgevoerd, vrijwel zonder tactisch effect. De leiding berustte bij eerste luitenant Manja Blok. Haar vliegtuig wierp -in opdracht van een militair op de grond- twee bommen af op twee Servische tanks. Een groep Amerikaanse jachtbommenwerpers kon zijn doel echter niet vinden en moest terugkeren naar de basis. De enclave was toen reeds onder de voet gelopen en de luchtaanval werd op bevel van de VN en na sterk aandringen van minister Voorhoeve afgebroken, omdat Servische militairen dreigden Dutchbatters te doden.De Nederlandse militairen en duizenden inwoners waren intussen naar het nabijgelegen Potočari gevlucht, de VN-basis waar Dutchbat was gelegerd.

Op 13 juli werden de jongens en mannen die bij Dutchbat in Potočari met hun families veiligheid zochten door zwaarbewapende Servische soldaten onder regie van Ratko Mladić gescheiden van de vrouwen en kinderen. Bij die operatie assisteerde Dutchbat om een en ander ordelijk te doen verlopen. Mladić beloofde dat de jongens en mannen slechts geëvacueerd zouden worden, alle gedeporteerden bleken later echter vermoord of vermist. Hierbij waren zowel Mladić's soldaten als paramilitairen van de groep de Schorpioenen betrokken.

Dutchbat werd aansluitend teruggetrokken op één compagnie na, de Alfacompagnie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Zij behoorde tot het oorspronkelijke Dutchbat 4; de eenheid bleef in Shimin Han tot november 1995. De feestelijke ontvangst in Zagreb van de Nederlandse militairen door minister Voorhoeve veroorzaakte commotie: hossende en bierdrinkende Dutchbatters in Zagreb die in het NOS Journaal te zien waren tijdens het verdwijnen van de geëvacueerde moslims in Srebrenica hebben de indruk van onverschillige soldaten gewekt. Volgens het NIOD-rapport ging het echter slechts om enkele feestvierders.

In 2002 waren nog maar ruim zestig van de lichamen teruggevonden. Anno 2005 zijn meer dan 1500 lichamen geïdentificeerd. Door internationale inspanning tracht men de gevonden lijken te identificeren voor de nabestaanden. Deze hebben zich sinds 1995 verenigd in de 'Campagne voor Waarheid en Gerechtigheid'.

Het definitieve onderzoeksrapport werd op woensdag 10 april 2002 in de Rolzaal in Den Haag aan het kabinet gepresenteerd en openbaar gemaakt door een van de onderzoeksleiders, NIOD-directeur Hans Blom.

Minister De Grave als de minister van VROM en Jan Pronk, gaf binnen enkele dagen te kennen consequenties te trekken uit het rapport en te willen aftreden. Op dinsdag 16 april 2002 viel het gehele tweede kabinet-Kok als gevolg van de kabinetscrisis over het Srebrenica-drama. Bij monde van premier Wim Kok heeft de Nederlandse regering hiermee openlijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich genomen maar niet de schuld. Die moet volgens Kok in breder, internationaler verband gezocht worden, niet het minst bij de Serviërs. Het parlement ging vervolgens over tot het instellen van de parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. De enquêtecommissie stond onder leiding van Bert Bakker (D66).


De United Nations Protection Force (UNPROFOR) was een VN-vredesmacht die tijdens de Bosnische Oorlog actief was in voormalig Joegoslavië. UNPROFOR was voornamelijk actief in de hedendaagse landen Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Macedonië.

In beginsel had UNPROFOR tot taak verdere escalatie van de oorlog te voorkomen en voorwaarden te scheppen voor vredesbesprekingen. Later werden UNPROFOR-troepen ook ingezet voor het beveiligen van zogenaamde "safe areas" ("veilige gebieden"), enclaves voor moslims in Bosnië en Herzegovina: Zepa, Goražde, Bihac, Sarajevo, Tuzla en Srebrenica.

Met VN-resolutie 836 (4 juni 1993) mocht de veiligheid van die gebieden zo nodig met geweld worden afgedwongen. In Srebrenica ging het echter totaal mis: Servische troepen trokken de stad binnen zonder dat de VN ingreep (de door Dutchbat gevraagde luchtsteun bleef uit). Dit leidde tot de Val van Srebrenica op 11 en 12 juli 1995 gevolgd door het massaal uitmoorden van de mannelijke moslimbevolking en deportatie van de vrouwen en kinderen naar Tuzla. Later viel op 20 juli ook nog de enclave Zepa. Uiteindelijk ging de VN-veiligheidsraad akkoord met de inzet van een voornamelijk door Frankrijk en Groot-Brittannië ter beschikking gestelde Rapid Reaction Force (RRF) met luchtsteun van de NAVO. De directe aanleiding voor het uiteindelijke ingrijpen door de RRF was de (waarschijnlijk) Bosnisch-Servische mortieraanval op de Merkale-markt in Sarajevo op 28 augustus 1995. De acties van de RRF en de NAVO-luchtstrijdkrachten leidden er uiteindelijk toe dat de Serviërs bereid waren tot een staakt-het-vuren. Dit leidde vervolgens tot vredesbesprekingen in het Amerikaanse Dayton.

Na het bereiken van het Verdrag van Dayton op 14 december 1995 werd UNPROFOR op 20 december in Bosnië en Herzegovina opgevolgd door de NAVO-geleide vredesmacht IFOR.

De Nederlandse bijdrage bestond uit onder andere:

Infanteriebataljon (Dutchbat) van de Luchtmobiele Brigade van de Koninklijke Landmacht (1994 - 1995) dat werd ingezet in en rond Srebrenica (met bases in Srebrenica, Potočari, Tuzla, Simin Han) gesteund door het [ 1 (NL) UN Suportcommand] (een logistieke eenheid) in Lukavac.

In totaal leverde Nederland 9753 militairen aan UNPROFOR. Tijdens de uitvoering van hun taak kwamen zeven van hen om het leven. Drie daarvan waren als gevolg van directe gevechtshandelingen te betreuren.

Op 4 juni 2007 werden de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties namens de nabestaanden van de slachtoffers officieel aangeklaagd in een civiele procedure. De nabestaanden verwijten de Nederlandse Staat onder meer het zenden van een niet op zijn taak berekend bataljon, het niet optreden tegen de Servische aanval, het niet beschermen van de burgerbevolking en het actief tegenwerken van luchtsteun. Het actief ingrijpen van de Nederlandse regering ter voorkoming van luchtsteun, zou de bedoeling hebben gehad de ongeveer dertig Nederlandse militairen te ontzien, die door de Servische milities waren gegijzeld. Hierdoor werd het mandaat echter ten onrechte dusdanig uitgelegd, dat het primair zou gaan de eigen militairen te beschermen, en aldus niet de burgerbevolking waarvoor dat mandaat nu juist was ingesteld. Ook zouden de Nederlanders de oorlogsmisdaden waarvan zij getuige waren geweest, niet aan de Verenigde Naties hebben gerapporteerd. Op 5 juli 2011 is de Nederlandse staat door het Gerechtshof in Den Haag aansprakelijk bevonden voor wat betreft drie van de slachtoffers. Zij werden van de compound van Dutchbat III gestuurd en daarmee in feite aan de Bosnische Serviërs overgeleverd, waarvan de Nederlanders konden weten dat deze de mannen niet zouden sparen, aldus de rechtbank.


Resultaat parlementaire enquête naar de val van Srebrenica.

Het rapport 'Missie zonder vrede' werd op 27 januari 2003 gepresenteerd. De belangrijkste conclusie was dat Nederland een "geheel eigen verantwoordelijkheid" heeft gehad in het drama rond de val van Srebrenica. De schuld evenwel van de massamoord werd door de commissie-Bakker duidelijk bij de Bosnische Serviërs gelegd. Den Haag kon het falen van Dutchbat echter niet geheel afschuiven op de internationale politieke context. Het aftreden van het tweede kabinet-Kok in april 2002, naar aanleiding van het verschijnen van het NIOD-rapport, beoordeelde de commissie als terecht.

De commissie concludeerde verder dat

-

er geen worst-case scenario beschikbaar was om in te spelen op een mogelijke val van de enclave Srebrenica;

-

Dutchbat met een onduidelijk mandaat naar Srebrenica vertrok;

-

de politiek te weinig luisterde naar de bezwaren die de top van de landmacht vooraf tegen de operatie waren geuit;

-

Dutchbat bij de evacuatie van moslimmannen in Potocari geen pogingen ondernomen had om de moslims tot het laatst te vergezellen;

-

door aarzelend optreden van de Franse VN-generaal Janvier Dutchbat luchtsteun onthouden werd toen Srebrenica ingenomen dreigde te worden;

-

de opperbevelhebber van de Nederlandse landmacht, oud-generaal Couzy, minister Voorhoeve van Defensie onnodig in de problemen gebracht had door informatie over oorlogsmisdaden niet te melden.

Op 4 juni 2003 werd het rapport in de Tweede Kamer behandeld.

Commissievoorzitter Bakker wist de Kamer er echter van te overtuigen dat het niet realistisch was één individuele politicus het drama aan te rekenen. Waarmee deze enquête als afgesloten kon worden beschouwd.

In december 2006 kregen ongeveer 470 militairen die deel hadden uitgemaakt van Dutchbat III het Draaginsigne Dutchbat III "als symbool van erkenning voor de ongeveer 850 militairen die in moeilijke omstandigheden naar eer en geweten hebben gefunctioneerd en ten onrechte gedurende langere tijd in een negatief daglicht zijn gesteld", uitgereikt door (demissionair) defensieminister Henk Kamp. Het draaginsigne was bedoeld als een erkenning, niet als beloning, voor de militairen die sinds de val van de enclave zeer negatief in het nieuws kwamen. De toekenning van het insigne gaf desondanks aanleiding tot de kritiek, onder andere van nabestaanden van de slachtoffers en de nabestaanden van de vermoorde inwoners van Srebrenica. Nabestaanden van slachtoffers alsmede het IKV protesteerden; de Nederlandse ambassadeur in Sarajevo, Karel Vosskühler, werd zelfs ontboden bij de regering van Bosnië.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

Kaart van Bosnië en Herzegovina met duiding Srebrenica.

Generaal Ratko Mladic (links voor) arriveert voor een UN-overleg op Sarajevo airport, June 1993.

Foto:  Mikhail Evstafiev (CC BY-SA 3.0)

 UNPROFOR Dutchbat hoofdkwartier in Potočari, Srebrenica.

Auteur: Mazbln  Creative Commons-licenties Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported, 2.5 Algemeen, 2.0 Algemeen en 1.0 Algemeen.

Landschap Srebrenica in begin 2005.

Auteur: Dans-eng

 Dutchbat II (1994-1995) soldaten VN Blauwhelmen Tango Twee VN observatiepost.

Copyright on defensie.nl is CC0, including images, unless an image has an explicit statement to the contrary. Ministry of Defence, Netherlands.

Multiculturalisme -Inburgering


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.