Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

App Nederland Ontdekkingsreizigers

+

Cornelis de Houtman

Cornelis de Houtman was een 16e eeuwse Nederlandse ontdekkingsreiziger, die als eerste Nederlander naar Indië voer. Hij voer via de Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) naar Java (Nederlands-Indië). Deze reis staat bekend als de 'Eerste Schipvaart'. De Houtman was een zoon van de bierbrouwer Pieter Jacobszoon de Houtman, lid van de Goudse vroedschap (stadsbestuur) en kapitein (officier) van de plaatselijke schutterij (politie). Cornelis werd in 1592, samen met zijn broer Frederik de Houtman door de 'Compagnie van Verre' (voorloper van de Vereenigde Oostindische Compagnie-VOC-), naar Lissabon (Portugal) gestuurd, om nieuwe handelsroutes voor de handel, zoals in specerijen, waaronder peper, te onderzoeken.

Portugal was al 100 jaar actief in Indië en had het monopolie op de handel in Oosterse goederen. Antwerpen (havenplaats in huidig België) was een belangrijke doorvoerplaats voor specerijen, maar na de 'Val van Antwerpen' in 1585 (na belegering door de Spanjaarden) en de blokkade van de haven, trokken veel Antwerpse kooplui naar Noord-Nederland. In Portugal maakte Spanje sinds 1580 de dienst uit. De Nederlanders, die op voet van oorlog leefden met Spanje, konden daardoor geen handel meer drijven via Portugal en waren daarom genoodzaakt zelf een route naar Indië te zoeken. Enkele vergeefse pogingen waren gedaan om via het noorden een doorgang te vinden. Maar toen in 1592 Jan Huygen van Linschoten terug kwam uit Indië, kreeg men in de Republiek (Nederland), voldoende kennis in handen om zelf een expeditie via Kaap de Goede Hoop uit te rusten. Negen Amsterdamse kooplui,de Compagnie van Verre, investeerden 290.000 gulden in deze reis.

In 1595 vertrok Cornelis de Houtman met zijn broer Frederik, op de schepen Mauritius, Hollandia, Amsterdam, en het jacht Duyfken, naar de Oost. De reis was bar en boos, vol honger, scheurbuik (ziekte ten gevolge van een langdurig vitamine-C tekort: groente en fruit), uitputting en muiterij, maar ze vonden de route naar Indië.

Op 27 juni arriveerden de schepen op de rede (ankerplaats net buiten een haven) van Bantam (op westelijk Java, huidig Indonesië).

Voor het eerst legde een Hollands schip aan op de zuidkust van Afrika, voorbij Kaap de Goede Hoop. De datum was 4 augustus en aangemeerd werd in een baai die de Portugezen de naam São Bras gegeven hadden. De bewoners werden door de bemanning Hottentotten genoemd. Men kwam op deze naam omdat men - ten onrechte - dacht ze stotterden. Fruit en groene groente om de scheurbuik tegen te gaan, hadden de inlanders niet. Wel werd in de baai een overvloed aan mossels gevonden. Die kreeg uiteindelijk de naam Mosselbaai. Met de inlanders werd vee geruild tegen een mes of een staaf ijzer, maar al snel lieten ze zich niet meer zien. Op 11 augustus staken de schepen weer in zee. Begin september bevonden ze zich in de buurt van Madagaskar. Volgens plan wilden ze via de oostkust naar de Baai van Antongil varen, waar het volgens gegevens van Jan Huygen van Linschoten erg vruchtbaar en goed vertoeven was.

Wegens hevige stormen - tijdens dat jaargetijde normaal - lukte dat niet en noodgedwongen werd het eiland Nosy Manitsa aangedaan, aan de zuidwestkust van Madagaskar. Er werden stoffen en tinnen lepels geruild met de vissers van Anakoa. De Hollanders bleven er meer dan drie weken en deden niet veel meer dan de zieken verzorgen en de doden begraven. Alleen al tussen 2 en 21 september stierven 31 bemanningsleden. In totaal werden er op Nosy Manitsa zeventig Hollanders begraven. Het eiland stond om die reden eeuwenlang op Nederlandse zeekaarten vermeld als Hollandsche Kerkhof. Jan Dignumsz. van Quadyk, kapitein van de 'Hollandia', was een van de doden. Hij stierf op 29 september.

Waarschijnlijk door intriges van de reeds gevestigde Portugese handelaren, en door ontactisch optreden van de Nederlanders, slaagden ze er niet in om de fel begeerde specerijen in te kopen. Ze zeilden oostwaarts en vonden het eiland Madoera (voor de noordkust van oostelijk Java), waar ze vreedzaam ontvangen werden. Uit angst voor verraad gaf De Houtman echter opdracht de bevolking aan te vallen, een opdracht die met grote wreedheid werd uitgevoerd, waarna ze met hun schepen van het eiland vluchtten.

Bij het eiland Bawean, ten noorden van Java, werd op 11 januari 1597 de Amsterdam in brand gestoken omdat er niet meer genoeg bemanningsleden in leven waren om vier schepen te bevaren. Omdat de Amsterdam water maakte, was de keus op deze boot gevallen.

Tijdens de terugreis werden ze in 1597 op Bali (eiland tussen Java en Lombok) zeer gastvrij ontvangen. De adelborst (jonge officier in opleiding) Roodenburgh en de kuiper (maakt houten vaten en kuipen) Jacob Claesz, bleven op het eiland achter.

Op 25 februari 1597 vertrokken de drie overgebleven boten via de zuidkust van Java naar Texel. Bij Sint-Helena werd hen door de Portugezen geweigerd het drinkwater te verversen. Op 26 mei voeren ze eraan voorbij.

Op 9 augustus vond er een ontmoeting plaats met schepen uit Amsterdam. De bemanning kreeg bier, brood en kaas. De alcohol veroorzaakte snel oververmoeidheid en besloten werd om voor Petten de ankers uit te gooien. Twee dagen later voeren de 'Duyfken' en 'Mauritius' naar Texel en werden binnengehaald door loodsen. Op de 'Hollandia' was de bemanning te zwak geweest om het anker te lichten en de boot was achtergebleven. Die nacht was er een dusdanig zware storm, dat een mast gekapt moest worden om erger te voorkomen. De veertiende kwamen loodsen aan boord die het anker omhoog haalden en naar Texel voeren.

De hele reis werd in een journaal (dagelijks verlag van de reis) opgetekend (geschreven) door Willem Lodewijcksz. Van de 249 zeelieden die van de rede van Texel waren vertrokken, zouden er na een reis van 3 jaar slechts 89 terugkeren. Ook commercieel (winstgevende handel) was de tocht geen succes, maar omdat aangetoond was dat een reis naar Indië mogelijk was, werden in de Republiek verschillende compagnieën opgericht die reizen gingen organiseren. Tot aan de oprichting van de VOC in 1602, werden met wisselend succes 15 vloten met in totaal 65 schepen uitgezonden.

In 1598 gingen de broers De Houtman opnieuw naar Indië. Cornelis werd in 1599 op Atjeh gedood. Volgens overlevering werd hij in Atjeh, het noordelijk deel van Sumatra (eiland huidig Indonesië), in een grote pot op het vuur gekookt en opgegeten. De reizen van de gebroeders De Houtman vormden het begin van de VOC en de kolonisatie van Nederlands-Indië (ook wel Nederlands Oost-Indië genoemd).

Pieter Keyser bracht als eerste de sterrenhemel op het zuidelijk halfrond in kaart. Hij legde de ligging vast van 135 sterren. Hij werd geassisteerd door Frederick de Houtman die na de dood van de eerste verder ging met waarnemingen. De Houtman leverde de berekeningen af bij Plancius die de sterren van Keyser indeelde in twaalf sterrenbeelden die nog steeds als zodanig bestaan, zelfs onder de door Plancius gegeven namen. Keyser, De Houtman en Plancius zijn daarmee de geschiedenis in gegaan als de belangrijkste astronomen voor de registratie van de sterrenhemel op het zuidelijk halfrond

Op 1 juli 1880 werd in het Houtmansplantsoen in Gouda een monument onthuld, ter herinnering aan de ondernemerszin en koopmansgeest van de gebroeders De Houtman. De gedenksteen heeft de vorm van een afgeknotte obelisk (gedenknaald naar voorbeeld van die in Egypte). Aan de vier zijden van het gedenkteken zijn bronzen boegdelen van de schepen bevestigd, waarmee ze destijds de verre reizen begonnen. De onthulling vond plaats in aanwezigheid van een minister, de Commissaris van de Koning en twee kamerleden met een groot aantal genodigden.

Het opschrift luidt: 1596 - 1880. "Aan de gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman. Inboorlingen en burgers van Gouda. Als grondleggers van het verbond, van Nederland met Insulinde*. Het dankbare nageslacht."


Info Contact Home

*Insulinde, is de populaire benaming voor Nederlands-Indië, naar Multatuli (schuilnaam van Eduard Douwes Dekker) in zijn bestseller Max Havelaar,1859. Het boek was een aanklacht tegen de misstanden en het plichtsverzuim van ambtenaren in Nederlands-Indië.

Cornelis de Houtman, Leider van de eerste tocht naar Indie 1595-1597 Geboren 1550 Gestorven 1599


+

+

+

+

Wandschildering door Hendrik Paulides (schilder) van de ontvangst van De Houtman in Bantam, getoond op de wereldtentoonstelling van 1931 in Parijs, foto KIT

Bron: Tropenmuseum

+

+

De schepen van de eerste schipvaart onder leiding van De Houtman

Mauritius. De Jacht. Hollandia. Amsterodamum.


Expeditie de Houtman ontmoet de bewoners van de Kaap de Goede Hoop.

Gespiegelde versie van afbeelding uit 'Indiae Orientalis' van de Bry. Cf. Universiteitsbibliotheek, Universiteit van Amsterdam, inv. nr. OF 63 771, p. 270.

Atlas of Mutual Heritage and the Koninklijke Bibliotheek, the Dutch National Library

Historische kaart van het sultanaat Bantam (1527–1813) West Java.

Made and improved based on "Atlas Sejarah Indonesia dan Dunia" (The Atlas of Indonesian and World History), PT Pembina Peraga Jakarta 1996.

Gunawan Kartapranata  (CC BY-SA 3.0)

Nederlandse schoolplaat van Adriaan Groenewegen: Cornelis de Houtman komt aan in Bantam.

Schoolplaat. Schoolplaat getiteld 'De eerste O.I. vaarders op de reede van Bantam'. Een uitgave van W. Leijdenroth van Boekhoven, Utrecht. Lith. Versluys en Scherjon, Utrecht. G.J. Vos. Onze beschavingsgeschiedenis in Beeld. 2e serie, No. 5. Linksonder gesigneerd A.J. Groenewegen f.

Bron: Tropenmuseum

Beschieting op de stad Bantam en tegenaanval met prauwen  September 1596

"Kurze Wahrhaftige Beschreibung der neuen Reise..." (herausgegeben von Levinus Hulsius 1598 in Nürnberg), Sächsische Landesbibliothek Dresden

Auteur: Levinus Hulsius (1546-1606)

Het schip Mauritius. Detail uit een schilderij van Hendrick Cornelisz Vroom (datering circa 1600-1630). Rijksmuseum Amsterdam

Voorbereiding

Cornelis de Houtman was Nederlands koopman en ontdekkingsreiziger, die als opperkoopman met de eerste Nederlandse expeditie naar Oost-Indië voer. Hij bezocht de eilanden Sumatra Java, Madura en Bali. De zeereis staat bekend als de Eerste Schipvaart.

De Houtman was een zoon van de bierbrouwer Pieter Jacobszoon de Houtman, lid van de Goudse vroedschap en kapitein van de plaatselijke schutterij. Hij leerde de beginselen van de zeevaartkunde van de voorname maritiem deskundige Robbert Robbertsz le Canu.

Cornelis en zijn broer Frederick werden in 1592 door Vlaams cartograaf Petrus Plancius en Amsterdamse kooplieden naar Lissabon gestuurd om meer informatie in te winnen over de Portugese handelsroute naar Oost-Indië via Kaap de Goede Hoop, ter voorbereiding op een expeditie naar Oost-Indië. Ze kregen daar twee jaar de tijd voor. Tijdens hun spionageactiviteiten werden zij ontmaskerd en gevangengezet. Enkele kooplieden kochten hen vrij en begin 1594 waren De Houtman en zijn broer terug in Holland.

Op 2 april 1595 vertrokken de schepen Amsterdam, Hollandia, Mauritius en de veel kleinere maar snellere Duyfken van Texel zuidwaarts. De organisatie was in handen van de voor deze expeditie opgerichte Compagnie van Verre.

Hoofddoel was Bantam, de grootste handelsplaats in de regio en vooral bekend als verkoopplaats van peper, aan de punt van de noordwestkust van Java. Er waren expliciet geen plannen naar de Molukken te varen.

Aan boord bevonden zich 249 bemanningsleden, waaronder Cornelis de Houtman en zijn broer Frederick. Met opzet was er geen admiraal van de vloot benoemd. De investeerders gaven de voorkeur aan een schipsraad, waarvan de leden op democratische wijze belangrijke beslissingen zouden nemen. Cornelis de Houtman was het hoofd van de koopmannen. Hij had die positie mede te danken aan zijn verwantschap aan de invloedrijke Reinier Pauw, een van de oprichters van de Compagnie van Verre.

Er werden tijdens de eerste schipvaart in tegenspraak tot de richtlijnen van de eigenaren van de Compagnie van Verre mede door De Houtman alsnog plannen op tafel gelegd om naar de Molukken te varen, maar moe van alle ontberingen weigerde de bemanning. De Houtman wilde daarop met twee schepen terugkeren naar Holland, het derde zou alsnog naar de Molukken moeten varen. De kapitein van een van de schepen, Jan Meulenaer, ging onder protest akkoord. Nadat hij kort daarop vlak na een maaltijd plotseling stierf, werd De Houtman beschuldigd hem vergiftigd te hebben en werd hij in de boeien geslagen. De scheepsraad besloot daarop, dat het beter was met alle schepen terug te varen naar Nederland. Het lichaam van de kapitein was blauw en paars geworden en het hoofdhaar liet los als men eraan trok. Twee dagen later werd De Houtman in vrijheid gesteld, aangezien volgens de scheepsraad er geen afdoend bewijs was dat hij bij het overlijden betrokken was.

De financiële opbrengst van de eerste schipvaart was geen succes. Er werd nauwelijks genoeg geld opgehaald om uit de kosten te komen, maar het doel van de reis was geslaagd. Het was bewezen dat het mogelijk was op eigen kracht en zonder veel overlast van de Portugezen naar Oost-Indië te varen. De Houtman werd uiteindelijk definitief vrijgesproken van de moord op Meulenaer.

Olivier van Noort

TOP

De terugkeer naar Amsterdam  (rechts achter) van de tweede expeditie naar Oost-Indië op 19 Juli 1599

Schilder: Andries van Eertvelt , 1610-1620. National Maritime Museum, Greenwich, Londen, Engeland

+

+

+