App Nederland Geschiedenis NL

Steentijd

 - Hunebedden -

In het begin van de prehistorie woonden alleen planten en dieren op de wereld. Heel veel later kwamen er mensen. Toen begon de steentijd, de tijd waarin voorwerpen van (vuur)steen werden gemaakt. Die tijd duurde meer dan een miljoen jaar.

Daarom hebben we deze tijd in drie stukken verdeeld: de oude steentijd (paleolithicum), de midden steentijd (mesolithicum) en de jonge steentijd (neolithicum). In de oude steentijd kon het hier in ons land ijskoud zijn. Soms was ons land bedekt met ijs. We noemen dat een ijstijd. Er leefden hier mammoeten en rendieren. Ze maakten lange tochten op zoek naar eten. Ook de mensen maakten lange tochten naar plekken waar deze dieren langs kwamen.

Het paleolithicum of de oude steentijd, verreweg de langste periode, duurde van ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden tot het einde van de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden;

Het mesolithicum of de middensteentijd, is een aanduiding voor culturen van jager-verzamelaars na het einde van de laatste ijstijd;

Het neolithicum of de jonge steentijd, is een aanduiding voor culturen waar landbouw de belangrijkste sector in de economie was.

Toen het na de ijstijd warmer werd, groeide ons land vol met bossen. De rendieren trokken weg naar koudere streken. Zij maakten plaats voor andere dieren. In de bossen was allerlei voedsel te vinden dat de mensen verzamelden. Deze periode noemen we de midden steentijd. Op een dag kwamen er boeren in ons land wonen. In plaats van op dieren te jagen, had men dieren getemd. Zo hadden ze vlees, huiden en melk altijd bij de hand. De boeren gingen op een vaste plek wonen, in grote huizen. Dit is de jonge steentijd.

In ons land zijn vaak bij riviertjes resten houtskool gevonden en ook voorwerpen van steen en botten. We weten daarom dat op zulke plaatsen mensen hebben gewoond. Waarschijnlijk in tenten of hutten. Het waren jagers. Deze jagers leefden in familiegroepen van soms 10, 20 of 30 volwassenen en kinderen. Eenmaal in het jaar kwamen deze kleine groepen bij elkaar. Samen konden dat soms wel 300 mensen zijn. Ze hoorden bij dezelfde stam. Ze spraken allemaal dezelfde taal. Als er eten nodig was gingen de mannen op jacht en/of visvangst, de vrouwen en kinderen gingen op zoek naar voedsel in de bossen. In de herfst zochten ze wilde vruchten en in het voorjaar bladgroenten en knollen.

De mensen gebruikten vuursteen, hout, dierenbotten en huiden om werktuigen te maken. In het begin zag het gereedschap er eenvoudig uit. Later is men botten en steen heel precies gaan bewerken en slaagden men erin om fijne speerpunten te maken. Ze gingen naalden maken om lappen leer aan elkaar te naaien en men ontdekte in die tijd de pijl en boog.




Trechterbekercultuur


De trechterbekercultuur is een neolithische cultuur in Noord-Europa van ca. 4350 tot 2800/2700 v.Chr.

De naam trechterbekercultuur is een verzamelnaam van een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen in het neolithicum of nieuwe steentijd, wonend in het gebied vanaf zuidelijk Scandinavië in het noorden, Nederland in het westen, de Boeg in het oosten en de Donau in het zuiden. In het zuidoosten was er deels een overlapping met de Lengyelcultuur.

De Nederlandse tak maakte deel uit van de Westgroep. Deze groep liet de hunebedden achter in zijn leefgebied, de zandgronden van Friesland en Drenthe en het aangrenzende Nedersaksen. In de hunebedden zijn trechtervormige keramische bekers gevonden.

De voorganger van de trechterbekercultuur was de Ertebøllecultuur, genoemd naar het Deense Ertebølle, en de hieraan verwante Swifterbantcultuur. Die mensen waren nog jager-verzamelaars, terwijl de dragers van de trechterbekercultuur landbouw beoefenden. De trechterbekercultuur werd opgevolgd door de touwbekercultuur.

Karakteristiek voor de westelijke trechterbekercutuur is de standvoetbeker. Ook andere vormen zoals kommen en schalen komen voor.

De trechterbeker van Bronocice vertoond de oudste met zekerheid gedateerde afbeelding van een wagen met vier wielen ter wereld.

Het gevonden gereedschap bestaat uit gepolijste stenen hamers en hamerbijlen met doorboringen voor bevestiging aan een steel. In het Drents Museum in Assen is een apparaat te zien dat mogelijk gebruikt werd om de gaten in het steen te boren. Vanwege de hamers wordt ook wel de benaming strijdhamercultuur gebruikt.

Er zijn aanwijzingen dat er handel werd gedreven met Sleeswijk-Holstein en Denemarken.

De boeren verbouwden eenkoorn en emmertarwe op de kleine akkers die rond hun huis lagen. De veestapel bestond uit runderen, schapen, varkens en geiten, die graasden in een afgebakend stuk grond rond om hun woning. Voor het zware werk gebruikten ze ossen. Het in Nederland oudste gevonden wiel dateert van ongeveer 2400 B.C.E., en werd dus, voor zover men weet, nog niet gebruikt door deze cultuur.

De mensen van de trechterbekercultuur waren gemiddeld 1,65 meter lang en werden over het algemeen niet veel ouder dan 35 of 40 jaar. Ze leefden in woningen met een houten skelet. De muren waren van gevlochten takken met leem en er lag riet op het dak.

De hunebedden zijn niet te beschouwen als graven in de gewone betekenis, maar eerder als knekelhuizen. Er zijn aanwijzingen dat de restanten van het begrafenismaal werden meebegraven. Verder werden de botten gesorteerd bijgelegd in de hunebedden: schedels bij schedels en dijbenen bij dijbenen.

In het kader van de koerganhypothese wordt de cultuur gezien als niet-Indo-Europees. Deze Oud-Europese volkeren zouden later worden overheerst door volken van de Indo-Europese jamnacultuur die vanuit het oosten binnendrongen en de kogelamforacultuur stichtten. De relatie tussen de inheemse en binnendringende culturen resulteerde in een snelle en soepele culturele overgang naar de Indo-Europese touwbekercultuur.

Nederlandse publicaties beschrijven echter gemengde begrafenissen en stellen een snelle overgang binnen twee generaties voor, die zich in Nederland ongeveer 2900 voor Christus afspeelde. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door economische, culturele en religieuze veranderingen in Oost-Duitsland (de Baalbergecultuur), en men beschouwt het beeld van indringende Indo-Europese steppevolken, althans in dit deel van de wereld, als verouderd. Het is waarschijnlijker dat de Indo-Europese talen door de lokale bevolking overgenomen werden omdat zij een nieuwe manier van leven vertegenwoordigden. De meegebrachte paarden hadden weliswaar in een West-Europese kontekst weinig agrarisch nut, maar gaven status en macht.

In Drenthe liggen 54 hunebedden uit de trechterbekerperiode, en een groot aantal grafheuvels. Grafheuvels vindt men ook in o.a. Gelderland en Overijssel.

In 2006 werden in de oude terp van Oostrum resten van de trechterbekercultuur aangetroffen, bestaande uit aardewerk en gebruikt vuursteen. Groningse vindplaatsen zijn Heveskesklooster (1982) en in de Wetsingemaar bij het gemaal Tilburg (2000).

Hunebedden

Hunebedden werden gebouwd van zwerfkeien door Trechterbeker-mensen. In de hunebedden werden de doden van het dorp begraven. De doden kregen ook geschenken mee zoals wapens, sieraden en voedsel. Hunebedden kun je nog zien in ons land in de provincie Drenthe !

Een hunebed is een megalithische (Grieks: mega = groot, lithos = steen) steenkamer uit de prehistorie die bestaat uit staande draagstenen, overdekt door platte dekstenen.

De term hunebed is gereserveerd voor dat soort megalithische bouwwerken die in Noord-Europa voorkomen en gebouwd zijn door mensen van de Trechterbekercultuur. Een hunebed is een nadere precisering van de meer algemene benaming dolmen (Vlaanderen, Frankrijk).

Het bouwwerk bestaat uit rechtopstaande grote stenen ("zuilen" of "draagstenen") waarop platte dekstenen rusten. Doorgaans staan de draagstenen grotendeels op evenwijdige lijnen.

Veel kleine stopstenen (in Nederland vaak door de mens gespleten zwerfkeien) vulden ooit de tussenruimtes op, maar deze zijn over het algemeen verdwenen, evenals de dekheuvel van aarde en/of plaggen. Een ingang ligt bij hunebedden meestal aan de zuidkant van de steenkamer. In Nederland gebruikte men zwerfstenen als bouwmateriaal, in andere landen de lokale steen (in België bijvoorbeeld puddingsteen). Op het Duitse eiland Sylt bleek het hunebed Denghoog zorgvuldig met klei en platte stenen afgedekt te zijn, met daarover weer zand en aarde, zodat de kamer bij de opgraving in 1868, circa 5000 jaar na het laatste gebruik, nog volledig intact en droog was.

In Nederland zijn de hunebedden van oost naar west gesitueerd. Deze oriëntering is mogelijk astronomisch bepaald: er is een verband met de opkomstpunten van de maan voorgesteld.

Hunebedden en megalithische bouwwerken die door mensen zijn gemaakt, zijn te vinden langs de kusten van heel West-Europa, van Portugal tot Denemarken en in Groot-Brittannië en Ierland. Sommige hunebedden zijn aan de binnen- en/of buitenkant voorzien van inscripties of versierselen die in de steen gebeiteld zijn. Veel van deze prehistorische monumenten zijn in de loop van de eeuwen vernield om de stenen te gebruiken als bouwmateriaal voor bijvoorbeeld wegen, kerken, huizen en dijken.

Gestructureerd onderzoek naar hunebedden werd in Nederland pas in de eerste helft van de twintigste eeuw uitgevoerd. De bekendste van de onderzoekers is professor Van Giffen. Hij is ook verantwoordelijk geweest voor de officiële nummering van de hunebedden in Nederland.

De hunebedden in Nederland zijn gebouwd in de nieuwe steentijd, het Neolithicum, van 3450 tot circa 3250 v.Chr., maar ze zijn gebruikt tot circa 2850 v.Chr. Dit valt onder andere af te leiden uit het gebruikte aardewerk, waaronder de gedurende de gehele periode gebruikte trechterbeker. Vandaar dat de hunebedbouwers beschouwd worden als vertegenwoordigers van de Trechterbekercultuur. Volken van deze cultuur vormden vanwege hun grote verspreidingsgebied waarschijnlijk geen homogeen geheel. Van hun geschiedenis is zeer weinig bekend.

Een hunebed is volgens de gangbare theorie een prehistorische grafkamer. Men vindt vaak brandsporen in en bij hunebedden. Het vuur speelde een rol bij de dodencultuur van de hunebedbouwers. De doden worden in gestrekte, zittende of in gehurkte houding bijgezet en vergezeld met grafgiften. Men heeft in bijna alle hunebedden grote hoeveelheden aardewerk en andere voorwerpen gevonden. Het aardewerk bestaat uit sterk versierde platte schalen, kommen, grote potten, bekers en flesjes. De versieringen bestonden uit diep ingedrukte ornamenten. Ook wapens worden veelvuldig aangetroffen zoals hamers en bijlen en verder pijlpunten, messen en krabbers van vuursteen. Menselijke resten worden maar zelden gevonden. Dat is waarschijnlijk een gevolg van de zure bodemgesteldheid in Nederland, waar skeletten volledig in kunnen vergaan. Lijfsieraden zijn ook weinig gevonden. Het zijn meestal kralen van barnsteen en git (gagaat), veelal geïmporteerd en karakteristiek voor steentijdculturen van Engeland, Frankrijk en ook Midden-Europa. In Nederland komt het oudste metaal (koper) uit een hunebed bij Buinen, gevonden in 1927 door Van Giffen. De spiraalvormige kralen die uit dit koper waren gemaakt, worden gedateerd rond 2500 v.Chr., hoewel de hunebedden ouder zijn. Ook in Odoorn is koper gevonden in een hunebed. De kralen zijn te zien in het Drents Museum te Assen.

De hunebedden in Nederland vormen de meest westelijke uitloper van het territorium van de Noordelijke megaliet-cultuur, die verder doorloopt tot in Oost-Duitsland. Qua stijl en locaties vertonen ze grote overeenkomsten met de hunebedden in Sleeswijk-Holstein, Noordrijn-Westfalen en met name het Eemsland.

Van de 54 hunebedden die nog in Nederland zichtbaar zijn, staan er 52 in de provincie Drenthe. De andere twee staan in de provincie Groningen: één bij Noordlaren, enkele meters over de grens met Drenthe, het andere is in 1982 gevonden bij een opgraving in Heveskesklooster, en geplaatst in een museum in het nabijgelegen Delfzijl.

In het noordwesten van Duitsland zijn enkele honderden hunebedden, waarvan vele met rust zijn gelaten en sommige veel groter zijn dan de Drentse.



De stenen waarvan de hunebedden zijn gebouwd zijn zwerfstenen, afkomstig uit Scandinavië die naar het zuiden zijn gevoerd door het oprukkende landijs tijdens een ijstijd. Toen het ijs aan het eind van de ijstijd smolt, bleven de meegevoerde stenen achter.

Van de 52 hunebedden in Drenthe ligt het grootste hunebed bij Borger (hunebed D27). Hier liggen in totaal dertien hunebedden bij elkaar. In 2010 werd een bodemscan gemaakt. Vlak naast het grootste hunebed is het Hunebedcentrum gebouwd waar veel informatie over de prehistorie is te verkrijgen. In het Drents Museum in Assen is er ook veel te zien over de hunebedden en hun bouwers/cultuur.

Het langste Nederlandse hunebed is hunebed D43, dat op de Schimmeres bij Emmen ligt. Dit hunebed wordt wel het Langgraf genoemd, hoewel dat eigenlijk de type-aanduiding is. Hunebedden met een eigen naam zijn onder andere de Papeloze kerk (D49) bij Schoonoord, 's Duvels kut (D17) bij Rolde en de Stemberg (D13) bij Eext.

Aan de voet van de Havelterberg bij Darp liggen twee hunebedden, waarvan één het op een na grootste hunebed van Nederland is (D53) met een lengte van bijna achttien meter.

De bandkeramische cultuur , in België ook wel Omalien genoemd, is de archeologische cultuur waarmee in Centraal-Europa en de Lage Landen het Neolithicum begon. In Zuid-Limburg begon het op de hogere, vruchtbare lössgronden. De naam van deze cultuur verwijst naar het versierde aardewerk dat deze volkeren maakten.

Tegenwoordig ziet men het als minder waarschijnlijk dat deze boeren van elders naar Centraal-Europa en Nederland zijn geïmmigreerd. Waarschijnlijker is, dat deze mensen er al woonden en de kunst van landbouw, veeteelt en pottenbakken hebben afgekeken van waarschijnlijk de Starčevo-Köröscultuur. Wetenschappers wijzen er echter op dat de bevolkingsgroei onder landbouwers vaak veel hoger lag dan die onder de oorspronkelijke bevolking. In een betrekkelijk korte tijd zouden de landbouwers zich zo over heel Europa verspreid kunnen hebben.

De cultuur handhaafde zich van circa 5500 v.Chr. tot circa 4400 v.Chr. Zij werd opgevolgd door de Rössencultuur (ca. 4500–4000 v.Chr) en de Michelsbergcultuur (circa 4250 v.Chr.).

Archeologen zien de bandkeramische cultuur in Nederland uitdrukkelijk als stroming binnen een groep neolithische volkeren. Er wordt weliswaar gesproken van 'het bandkeramische volk', maar de huidige archeologen gaan ervan uit dat er meerdere volksstammen met hun eigen technologische verfijningen geleefd hebben.

Deze cultuur behoort tot de oudste landbouwculturen in Midden- en West-Europa. Om landbouw te bedrijven werd eerst een stuk bos gerooid, zodat er voldoende open ruimte ontstond en bouw- en brandhout beschikbaar kwam. Door begrazing van het gedomesticeerde vee, koeien, geiten, schapen en varkens, bleef het gebied rond de nederzetting later open. Men verbouwde emmertarwe, eenkoorn, vlas, erwten, linzenwikke (Vicia ervilia) en peulvruchten en in een late fase papaver.

Kenmerkend zijn de langhuizen (ca. 5-8 bij 20-40 meter) met 5 rijen houten posten, meestal noordwest-zuidoost georiënteerd, waarbij het noordoostelijke deel door middel van extra palen versterkt is en mogelijkerwijze door een gevlochten scherm van het zuidoostelijke gedeelte gescheiden was. Waarschijnlijk deed een gedeelte dienst als stal en een gedeelte als woonruimte. De wanden waren waarschijnlijk gemaakt van met leem dichtgesmeerd vlechtwerk, het dak van stro, riet of boomschors.

De huizen stonden meestal apart, soms in groepjes van twee of drie. Vroeger werden grotere aantallen genoemd, maar dit bleek op een misvatting te berusten. Sporen van verschillende langhuizen bleken, nadat ze gedateerd waren, van verschillende datum te zijn en laten een opeenvolging van herbouwingen zien, die nodig waren aangezien de houten bouwsels aan rotting onderhevig waren.

Een bijzondere categorie van vondsten zijn de weinige waterputten die uit de bandkeramiek bekend zijn. Deze constructies zijn door de ligging onder de grondwaterspiegel de enige plek waar hout en organische vondsten bewaard zijn gebleven. Uit de houten beschoeiingen blijkt dat het met stenen dissels mogelijk was ook gecompliceerde houtverbindingen te maken.

Crematie en begrafenis kwamen bij de bandkeramische cultuur tegelijk voor, soms zelfs op één grafveld. Bij begrafenissen bevond de overledene zich meestal in foetushouding, soms op de linker-, soms op de rechterzijde. Er werden grafgiften meegegeven in de vorm van maalstenen, vuurstenen pijlpunten en gereedschappen, pigmentstenen (hematiet en grafiet), vlees en keramiek.

Het oudst bekende keramische vaatwerk van Nederland is afkomstig van de bandkeramische cultuur. Typerend zijn de aaneengesloten bandversieringen die in de buitenwanden van het aardewerk gekrast zijn.

Het in Nederland aangetroffen keramiek is vrijwel altijd gebakken uit leemaarde (löss) uit de diepere, maagdelijke leemlagen. Archeologen vermoeden dat er nabij het huis of de boerderij putten werden gegraven waaruit bakleem en leem voor op het muurvlechtwerk werd gewonnen. De zo ontstane kuilen werden later weer opgevuld met slachtafval, potscherven, houtskoolresten en plantaardig afvalmateriaal.

Men bakte destijds het keramiek hoofdzakelijk in het open vuur. Welke handelingen specifiek werden verricht om het bakken te optimaliseren is onbekend. Zo kan het heel goed zijn dat er uitsluitend op vaste plaatsen bakvuren werden opgericht. Zo zijn er in Nederland aanwijzingen gevonden voor het stoken van vuren (buiten de huizen) in kuilen.

De in het aardewerk aangebrachte figuren geven een aanwijzing in welke periode van de bandkeramische cultuur het valt: naarmate deze een grote variatie vertonen heeft het aardewerk een jongere datering.

De oudst bekende afbeelding van een man, de zg. Adonis van Zschernitz is afkomstig van een volk van de bandkeramische cultuur. Ook zijn vele gekraste afbeeldingen van deze cultuur bekend, sommige vrouwelijk, de meeste zonder duidelijk geslacht. Kenmerkend zijn lijnvormige versieringen die waarschijnlijk het skelet benadrukken. Het feit dat deze versieringen ook bij afbeeldingen van dieren wordt gevonden, sluit uit dat het om een voorstelling van kleding gaat. Ook zijn figuurpotten bekend gemodelleerd naar menselijke gezichten of staand op een paar voeten en vele afbeeldingen van gehurkt zittende menselijke figuurtjes op potscherven die vanwege hun houding bekendstaan als paddenmannetjes ((de) Krötenmännchen).

Waartoe precies deze beeldjes hebben gediend is onduidelijk, maar het feit dat ze vrijwel zonder uitzondering gebroken zijn, doet

een cultische betekenis vermoeden.

Info Contact Home

+

+

Reconstructie van een prehistorisch (mesolithicum) graf.

Foto: Rama, Wikimedia Commons, Cc-by-sa-2.0-fr

Hunebed D8 in het Kniphorstbos bij Anloo.

Foto: Gouwenaar

+

+

Trechterbekercultuur 4000 v. Chr. Beker, kraagfles, hamerkop. Archaeological Museum of the state of Brandenburg.

Foto: Wolfgang Sauber  (CC BY-SA 4.0)

Pijlpunt van chert, een steensoort uit het Neolithicum, in verschillende standen.

Bron: Saint-Léon, Aveyron, Frankrijk. Muséum de Toulouse. Foto: Rama, Wikimedia Commons, Cc-by-sa-2.0-fr


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

In de middeleeuwen was er geen aandacht voor de hunebedden. Dat blijkt onder andere uit de omstandigheid dat de megalithische steenhopen geen naam hadden: men sprak van "steenhopen". In de 17e eeuw kreeg het hunebed voor het eerst aandacht. De Coevordense predikant Johan Picardt publiceerde in 1660 zijn "Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe". Er was geen sprake van systematisch onderzoek en nog minder van bescherming. Tal van hunebedden werden verwoest omdat men de kleingeslagen stenen als verharding van wegen kon gebruiken. Eind 18e en begin 19e eeuw werden stenen van diverse hunebedden weggehaald en aangewend voor de versterking van de zeedijken.

In de loop van de negentiende eeuw nam de belangstelling voor hunebedden, en voor het verleden in het algemeen, toe, en werden ze beschermd. Ook werden ze een vast onderdeel van de geschiedenislessen in Nederland.

In 2015 werd bij Dalfsen het grootste grafveld van hunebedbouwers in Noordwest-Europa opgegraven.

Er zijn in Nederland vijf typen hunebedden:

Het ganggraf, zoals D45 in de Emmerdennen, waarvan de toegang meestal bestaat uit twee paar zijstenen waarop een deksteen rust. In het algemeen is er een ovaalvormige/niervormige steenkrans of resten ervan.

Het portaalgraf, zoals D1 bij Steenbergen, waarvan de ingang bestaat uit één paar zijstenen.

Het langgraf, zoals D43 op de Schimmeres bij Emmen, bestaande uit twee portaalhunebedden met één dekheuvel.

Het trapgraf, zoals D13 in Eext, waarvan de toegang bestaat uit een trap met vier treden.

De verlengde dolmen, waarbij de ingang zich aan de korte kant bevindt, zoals bij het laatst gevonden hunebed G5 bij Heveskesklooster.

In heel Noordwest-Europa vindt men menhirs, grote staande stenen die door mensen zijn opgericht, variërend in grootte van enkele meters tot soms wel twintig meter. Maar ook grotere verbanden van een paar tot honderden grote stenen (megalieten) vinden we in Europa: steenringen en steenrijen. Met name bij het Franse Carnac en in Ierland en Groot-Brittannië (Stonehenge) zijn deze te vinden. Hun betekenis is niet altijd duidelijk; vaak zijn ze ook van een andere cultuur dan de Trechterbeker-cultuur.

Volksgeloof

Hunebedden waren volgens het volksgeloof plekken waar kinderen uit tevoorschijn zouden komen. Ook zijn hunebedden de plaats waar de witte wieven wonen en hun kostbaarheden opbergen. Reuzen zouden de Dikke Stienen of hunebedden hebben gemaakt, in het Emmer hunebed zou nog een afdruk van een vuist van de reus te zien zijn. Ook heeft Napoleon zijn paard op deze deksteen laten staan.

Jentil, een ras van reuzen uit de Baskische mythologie, zouden volgens volksverhalen ook verantwoordelijk zijn voor de bouw van megalitische bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de jentilarri of jentiletxe.

Dalfsen

In het begin van 2015 werden er bij opgravingen onder de nieuwe wijk Oosterdalfsen voorwerpen gevonden van hunebedbouwers van duizenden jaren oud. Hierbij werd onder andere een 3000 jaar oude weg gevonden en een grafveld. Deze opgravingen veranderen de geschiedenis van Dalfsen volledig en kunnen misschien bewijzen dat Dalfsen een van de oudste dorpen van Nederland is. Deze opgravingen kregen al vaak een titel als De grootste opgraving van Noord-West Europa of De grootste opgraving van de eeuw.

TOP

Bronstijd - IJzertijd

Bronstijd - IJzertijd

+

+

 Hunebed D53 Havelterberg.

Foto: Gouwenaar

+

Steentijd, mogelijk gebruik van een vuistbijl om een boompje om te hakken.

Tekenaar: José-Manuel Benito Álvarez

Typische bandkeramiek. Collection University of Jena.

Bewerking: Locutus Borg. Roman Grabolle

Steentijd: mogelijke wijze om stukken steen (flint) van een te vormen vuistbijl af te slaan.

Tekenaar: José-Manuel Benito Álvarez

Paleolithische vuistbijl in kwartsiet van Wommersom (Verzameling Gallo Romeins Museum Tongeren).

 Foto: Vaneiles

Bandkeramiek uit Elsloo (Limburg).

Collectie Rijksmuseum van Oudheden, Leiden. Foto: Hans Erren